Annemie Vanackere

Leestijd 4 — 7 minuten

Theatersensaties delen

Ik ben een toeschouwer pur sang. Nooit de aandrang gehad om zelf een voorstelling te maken, noch op dat podium te staan en toneel te spelen of te dansen (hoewel dat laatste mij heerlijk lijkt om te kunnen en ik als toeschouwer vaak het gevoel krijg dat al mijn cellen in stilte aan het meedansen zijn). Nee, laat mij maar kijken, en liefst op de ouderwetse manier: anderen die mij live hun keuzes laten zien en mij daardoor sensaties bezorgen die ik op geen andere manier zou beleven. Idealiter zijn de sensaties van de theatertoeschouwer veelgelaagd en complex: tegelijk zintuiglijk, emotioneel, intellectueel of anderszins verrassend. Oké, na zo’n vijftien jaar gretig ettelijke voorstellingen tot mij genomen te hebben, ben ik als toeschouwer ongetwijfeld veeleisender en verwender (rijker) geworden; toch bezit ik nog steeds het volgens mij essentiële kenmerk van de ‘goede’ toeschouwer: overgave– tenminste als uitgangspunt – aan wat gaat komen.

Sinds een zevental jaren mag ik mijn hobby (‘toeschouwer’) mijn werk noemen. De grootste drijfveer van een theaterprogrammeur (zo heet dat hier in Holland) is volgens mij immers het delen van de voor jezelf zo belangrijke theatersensaties met zoveel mogelijk andere toeschouwers. Van ‘wat vond ik dit bijzonder’ naar ‘ook u zult hier iets aan hebben’. Wat doet dit programmeurschap vervolgens met mijn toeschouwersovergave? Ik zou natuurlijk liefst gewoon ‘niets’ willen roepen… maar dat is naast de waarheid. Enerzijds bevind ik me nu in de situatie dat ik vaak ‘uit plicht’ op de tribune zit, waardoor ik eerder hard veroverd moet worden dan dat ik mezelf als toeschouwer weggeef. Anderzijds neem ik de context van mijn werkplek mee in mijn blik. Over mijn schouders kijken factoren mee als de stad en het soort theater (gebouw en programmering) waarin ik werk, of er genoeg publiek voor te vinden is, hoe dat in verhouding staat tot de kosten… En behalve dat is er ook een groter bewustzijn van persoonlijke kenmerken als vrouwelijk, Vlaams, met referentiekader gevormd midden jaren tachtig, soms moe en liever avondje thuis… Bovendien word ik na afloop geacht steeds mijn ‘professionele’ mening of commentaar klaar te hebben – en hoe verder je reist voor een voorstelling hoe meer ervan af blijkt te hangen voor de maker.

Nagras

Een voorbeeld van dichtbij. Tijdens de zomervakantie De Onderneming aan de lijn: of ik nog kwam kijken naar hun nieuwe voorstelling? Op een prachtige zondagmiddag in augustus ging ik richting Antwerpen om hun Nagras te zien, gezeten op een eivolle tribune in een lommerrijk park met na afloop een lunch die ik in Nederland nooit zal proeven. Tijdens de voostelling kwamen geleidelijk de programmeursduiveltjes naar boven: ‘t is soms niet goed te verstaan, ‘t is ook wel erg Vlaams, inclusief de kennis van en affiniteit met ‘het Franse’, kunnen Rotterdammers mijn plezier wel delen om déze mensen in déze taal te horen en te zien, mmmm, het stuk is ook niet zo sterk (geef mij maar Marius), en ‘t moet dan nog op locatie (veel moeite en geld en dan nog niet in je eigen zaal), hoe ga ik na afloop met de spelers spreken die zo graag naar Rotterdam willen komen… Het is duidelijk: mijn ‘job’ stond mijn ‘hobby’ in de weg. Aaarrgghhh: ik ben een programmeur pur sang.

Maar neen, dit gaat te snel. Misschien komen de programmeursbesognes pas naar boven bij het aanschouwen van middelmatigheid, zoals de gedachten van de hobbytoeschouwer bij verveling ook van de voorstelling afdwalen. Een voorstelling zou toch krachtig genoeg moeten zijn om ons bij de les en in de ban te houden? Deze redenering gaat heel vaak op, maar helaas vaak ook niet. Terug naar het voorbeeld. Na de ‘niet-middelmatige’ voorstelling Nagras kwam dus nog die heerlijke lunch, gesprekken met spelers en bekenden en frisbeeën onder de bomen van het park, kortom, er ging tijd voorbij. Tegen het einde van de dag beleefde ik van langsom meer plezier ‘après coup’ aan Nagras en waren die programmeursduivels zo goed als ingeslapen: mijn toeschouwersbloed kon weer vrijelijk gaan stromen.

Een voorbeeld van verweg. Na een gestage stroom telefoontjes en e-mails (‘s mans motto is duidelijk ‘de aanhouder wint’) vloog ik op zaterdag 2 september, de dag na onze seizoensopening, naar Lissabon om Comédia Off van choreograaf Paulo Ribeiro te zien. Gesterkt door een siësta begaf ik mij tegen halftien naar het ccb in de oprechte hoop op een mooie en speelse dansvoorstelling die ik graag naar de Grote Zaal van de Rotterdamse Schouwburg zou halen. Niet meteen de uitgangspositie van een hobby-toeschouwer. Helaas, algauw buitelden de vragen, verzuchtingen en ‘hoofdschuddingen’ over elkaar heen: zijn die paar flauwe trucs het magere resultaat van de samenwerking met een beroemde goochelaar? moet dit grappig zijn? de videobeelden blazen de dansers van het toneel, de klankband is een aaneenrijging van clichés, toch niet het soort voorstelling dat ik per se vanuit het buitenland aan ‘mijn’ publiek wil laten zien… Tot overmaat van ramp klampte de productieleidster mij al bij het wegstervende applaus aan met ‘did you like?’. Ik slikte even (aarrrgghh: ik mag niet meer gewoon toeschouwer zijn!) en zei fijntjes: moet je mij nu niet vragen, morgen bij het ontbijt? Een verkwikkende avond en nacht later stonden de gebreken van de voorstelling mij helder voor de geest en vond ik als vanzelfsprekend de Engelse woorden om het te formuleren.

Conclusie? Welk soort toeschouwer je ook bent, het bezinksel van een voorstelling is wellicht een veel belangrijkere graadmeter voor de kracht of impact ervan dan de directe sensatie – en al helemaal als je professioneel toeschouwer bent geworden.

 

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#74

15.12.2000

14.03.2001

Annemie Vanackere

Annemie Vanackere was theaterprogrammeur voor de Rotterdamse Schouwberg. In september 2012 werd ze intendant van het Berlijnse theater Hebbel am Ufer (HAU)

artikel