Raamteater op ‘t Zuid – Foto F. Tas

Leestijd 6 — 9 minuten

Theaters in historische gebouwen op ‘t Zuid

RaamTeater en Zuiderpershuis

Vanaf dit seizoen is Antwerpen-Zuid twee “nieuwe” theaterzalen rijker: het Kollektief Internationale Nieuwe Scène begon met voorstellingen in het Zuiderpershuis, en het RaamTeater betrok een voormalig museum. Etcetera-medewerker en architect Pieter T’Jonck nam een kijkje.

Bij gebrek aan geld – en misschien ook bij gebrek aan geloof in de waarde van nieuwe schouwburgen, de recente Antwerpse geschiedenis indachtig – betrokken het Nieuw Ensemble RaamTeater en het Kollektief INS leegstaande gebouwen in Antwerpen, op ‘t Zuid. Niet zomaar gebouwen: op hun manier zijn zowel het vroegere handelsmuseum van het RaamTeater als het Zuiderpershuis van INS historisch interessant bouwkundig erfgoed. En beide zijn ze én prikkelend, uitdagend bijna, én weerspannig om als theaterruimte gebruikt te worden.

De speelruimte van het RaamTeater is een ongeveer twintig meter hoge, langwerpige zaal, van bovenuit verlicht door een lantaarn die nagenoeg het hele plafond beslaat, omringd met drie galerijen die bediend worden door een centrale trap aan de korte zijde tegenover het ingangsportaal. Daarachter liggen oude labs (nu kleedruimtes e.d.) en naast de zaal ligt de vroegere directeurswoning, nu ingericht als foyer.

Het gebouw vertoont de eigenaardige gespletenheid die ook het Antwerpse Centraal Station intrigerend maakt. De ruimte, met haar gietijzeren kolommen en Polonceauspanten is een voorbeeld van vroege “prefabricatie”. Ervaring met dergelijke kolomstructuren werd voor het eerst opgedaan in de opkomende industriële ateliers, o.a. textielateliers, waar ze gebruikt werden als geleiders voor de drijfriemen van de weefgetouwen. De spanten zijn van een type dat in de 19e eeuw een geweldige opgang kende o.w.v. het rationele staalgebruik: drukstangen werden veel zwaarder gedimensioneerd dan de draaddikke trekstangen, vanwege het knikgevaar. Maar binnen in de ruimte ziet men niets van die spanten, en de kolommen kregen kapiteeltjes mee, zelfs de steunbogen van de bovenste galerij werden structureel verstevigd met kunstig bewerkte (maar weinig efficiënte) gietijzeren ringen. De onverbiddelijke ingenieurslogica van de spanten werd slechts schoorvoetend in het interieur binnengelaten, en weggemoffeld achter een constructief ogenschijnlijk traditionele neo-barokke façade, op dezelfde manier als men een neo-barokke stationshal neerplantte voor de vernuftige staalconstructie van de perronoverkapping in het Centraal Station.

Panopticum

Ongeveer zoals alle toen bekende handelswaren netjes geordend in kastjes tot interieur gedomesticeerd werden, en in niets nog herinnerden aan de geweldige handelsexplosie – of tenminste toch niet aan de turbulente economische en sociale omwentelingen vandien – verstrekte het gebouw van de architecten F. Sel en F. Truyman aan de voor avond van de twintigste eeuw nog steeds de kneuterige illusie van een vreedzame handelswereld, in de lijn van een denkbeeldig harmonieuze traditie uit de 17e eeuw. Wat niet belette dat het gebouw in zijn conceptie – als deel van een school, de Rijkshandelshogeschool – een echt panopticum is; de rationele en disciplinerende opbouw die voldoet aan de precieze regels en voorschriften die in de loop van de negentiende eeuw als norm voor schoolgebouwen werden uitgevaardigd, en die het niet alleen hadden over de verluchting en verlichting, maar ook, en expliciet, de pedagogische (!) waarde van zo’n panoptische opbouw aanbevolen.

Van dat panopticum maakte het RaamTeater onder leiding van Walter Tillemans (die door de behuizingsproblemen van zijn gezelschap hard op weg is om naast regisseur ook theaterarchitect te worden) een perfect Elizabethaans theater. De galerijen en de trap erachter vroegen er dan ook bijna om.

Nochtans was het gebouw in vreselijke staat bij de aanvang van de werken: de onderste verdieping was dichtgewerkt met platen om een afgesloten lokaal te bekomen, en onttrok zo de hele constructie aan het oog. “Aanpassingen” allerhande, afgebladderd schilderwerk en een vergeten museum waren het deel van de verbouwers. Met geld dat bijeengebedeld diende te worden bij privé-sponsors, werd voor het onwaarschijnlijk lage bedrag van 5 miljoen frank de zaal verbouwd en uitgerust. De glazen lantaarn werd verduisterd en geïsoleerd, de wanden langs de galerijen werden nachtblauw geschilderd, op het gelijkvloers werd een houten speelvlak in de vloer ingewerkt en langs de galerijen werden elektriciteitsrails opgehangen. Gepensioneerde techniekers (o.a. “Berke” van de KNS) boden hun diensten aan.

De galerijen blijken perfect geschikt als spelniveaus voor shakespeariaans theater, onderling verbonden door de trap. De 250 toeschouwers zitten relatief comfortabel op gelaste, verplaatsbare tribunes. De akoestiek is door de lichtjes oneffen gekorrelde muurschildering en het nachtblauwe tapijt rond het speelvlak en de tribunezeteltjes, bepaald goed te noemen, zelfs zo goed dat er in de toekomst piano-recitals zullen gegeven worden.

Hiermee zijn ook de beperkingen van dit theater aangegeven. De tribunes zijn moeilijk anders dan in de lengterichting te plaatsen, lijsttoneel is quasi onmogelijk door de rondgaande galerij structuur, decor, en zelfs het gebruik van zetstukken (hoewel die bv. van het plafond neergelaten kunnen worden) dient dus noodzakelijkerwijs beperkt te blijven. De kans is dan ook groot dat deze locatie aanleiding zal geven tot een zeer specifieke scenografie en zelfs enscenering. Een project dat Tillemans zelf blijkbaar erg prikkelend vindt.

Vernuft

Het Zuiderpershuis, dat door het Kollektief INS betrokken wordt, is als ruimte veel minder bepalend, maar lijkt dan wel weer problemen te stellen wat het beheer van het gebouw betreft. Het is immens, en in slechte staat. De ruimte in dit complex die (voorlopig?) als speelruimte gebruikt wordt stelt door zijn afmetingen (een lichtjes rechthoekige, bijna vierkante, zeer grote en hoge ruimte) zo weinig beperkingen aan de opstelling van podium, publiek, decor en belichting, en is langs de zijde van de Timmerwerfstraat zo goed bereikbaar voor vrachtwagens, dat enkel een zeer vernuftige uitrusting, met verplaatsbare tribunes, podia en verlichtingsbruggen, eventueel gecombineerd met de nodige trekken, in staat is die mogelijkheden maximaal uit te buiten. Dergelijk vernuft, zoals aan te treffen in de Schaubühne in Berlijn, en ook wel (maar in veel mindere mate en met een kleinere flexibiliteit) dichter bij huis in de Ancienne Belgique te Brussel, wordt echter zeer duur betaald. En het zal wel geen verbazing wekken: dat geld is er niet, zodat het voor de eerste voorstelling in de nieuwe ruimte, Als het ware een vrouw, Elisabeth van Dario Fo nogal behelpen was met gammele en oncomfortabele tribunes voor de toeschouwers (wellicht uit de tent van het Kollektief), een rudimentair podium en dito belichting. Daarbij is het een ruimte die bij warm weer ernstige problemen kan gaan stellen voor oververhitting en in de winter allicht moeilijk te verwarmen zal zijn. De structuur bestaat uit niet veel meer dan gemetselde muren met een paar raamopeningen en doorgangen naar een bufferruimte tegenover de vroegere energie-opslagplaatsen, overdekt door (alweer) Polonceauspanten, met wellicht een golfplaten dak. Dat laatste is moeilijk te zien omdat de dakstructuur door doeken quasi volledig aan het oog onttrokken is.

Het zal wel de ironie van de geschiedenis zijn dat een gebouw dat in zijn façade zo overduidelijk een allegorische verbeelding is van de “kracht” die de industriële opbloei van de haven van Antwerpen mogelijk maakte, nu bewoond wordt door een gezelschap dat de ondergang van het kapitalisme als het ware in haar vaandel geschreven heeft. Afgaande op het ijltempo waarin dit gebouw op het einde van de 19e eeuw geconcipieerd en uitgevoerd werd, nog voor de installaties gebouwd werden die de geproduceerde hydraulische kracht nodig hadden, zou je het Zuiderpershuis een expo-hal van Flanders Technology avant la lettre kunnen noemen. Het gebouw heeft twee ingangen: een langs de Waalse kaai, en een langs de Timmerwerfstraat. De tweede ingang was de eigenlijke ingang naar werkateliers, opslagplaatsen en de directeurswoning. De hoofdingang langs de Waalse kaai leidt langs twee enorme gietijzeren waterkolommen, waarin het water voor hydraulische energievoorziening van de havenindustrie werd opgeslagen, door de hal voor twee stoommachines (die het water onder druk in de kolommen pompten) naar de hal voor de 5 stoomketels, die nu als theaterzaal gebruikt wordt. De stoommachine-hal heeft een zeer mooie en hoge overkapping in piramidevorm, met een onderbreking bovenaan waar een raampartij rondom ingewerkt is, die samen met de ramen in de wanden voor een prachtige belichting zorgt, ideaal als expositieruimte dus. Die exposities gaan er dan ook door, maar ook hier weer is het probleem dat het dak in zeer slechte staat is, zodat het bij hevige regenval bijna letterlijk dweilen met de kraan open is.

Metafoor

Het meest merkwaardige onderdeel van het gebouw is zonder twijfel de gevel aan de Waalse kaai. Ze heeft een totaal ander karakter dan bv. de neobarokgevel van het RaamTeater. Opgeblazen en protserig als die is, draagt ze nog altijd proportiesystemen in zich die teruggaan op traditie en uiteindelijk op de menselijke figuur. De gevel van het Zuiderpershuis ontleent nog wel elementen aan de traditie, maar op een bijna bandeloze, brutale manier die reminisceert aan het werk van Ledoux (een Frans architect die vooral op papier utopische nieuwe en gewaagde constructies ontwierp, die een verre voorloper waren van de latere architectonische beeldenstorm, een bizarre fusie tussen extreme ingenieurslogica en een artistieke metafoor voor een nieuwe tijd). Dit gebouw is geen metafoor meer van de intieme burgerlijke waarden maar van de ratio van de industriële omwenteling. Een metafoor voor de hydraulische krachten die opgesloten zitten in de gemetselde torens aan weerszijden van de ingangspoort. Die torens staan op een plint in gerustikeerde blauwe steenlagen die schuin oplopen en zo het gevoel van een enorme krachtinspanning, nodig om de gebundelde kracht te schragen, versterken. De stenen banden rond de torens versterken deze indruk nog. Deze retoriek, verwant aan Otto Wagners “functionele metafoor”, stond ir. Royers al van bij de aanvang van het project voor ogen, en werd door architect Ernest Dieltiens in een “artistieke” vorm gegoten. Oorspronkelijk was boven de ingangspoort een beeld van Herkules voorzien, uiteindelijk werd het een leeuw.

Met alle problemen die het gebouw stelt, zijn er voor het INS toch een paar meevallers. Het gebouw is (terecht) geklasseerd – hoewel dat niet steeds een voordeel is… – en dit project past in de nieuwe filosofie van het Bestuur voor Monumentenzorg om geklasseerde monumenten een nieuwe bestemming te geven. Bovendien verleende de Koning Boudewijnstichting haar medewerking aan dit project, wat o.a. resulteerde in de tentoonstelling “De mythe van de kracht”. En uiteindelijk heeft het INS, met de ateliers langs de Timmer werf straat en de kantoren op de verdiepingen, een vaste standplaats waar decors en kostuums opgebouwd en opgeslagen kunnen worden en waar gerepeteerd kan worden. Allicht een leuke ervaring na jarenlang rondzwerven met een tent.

Op ieder doosje past wel een dekseltje, ieder theatergezelschap schijnt uiteindelijk een architectuur te vinden die het best bij haar karakter past.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#16

15.01.1987

14.04.1987

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis. Hij richtte recensieplatform Pzazz op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!