Leestijd 6 — 9 minuten

theatermakers

d e t h e a t e r m a k e r, tot op heden Vlaanderens enige gesubsidieerde werkplaats voor theater, heeft een boek uitgebracht. ‘detheatermakeris een huis voor jonge makers’, schrijft Luk Van den Dries in een van de voorwoorden bij het boek. Met makers geboren tussen 1972 en 1987, blijkt het begrip ‘jong’ nogal rekbaar. Liever hanteert artistiek coördinator Elsemieke Schölte de term ‘nieuwe’ theatermakers. ‘Nieuw’ als ‘beginnend in het theater-veld’, of als ‘vernieuwend’: ‘d e t h e a t e r m a k e r wil een onderzoeksruimte bieden voor het opnieuw uitvinden van theater vandaag’, aldus Van den Dries. Wat dat ‘nieuwe’ theater dan precies is, daarop geeft het boek geen concreet antwoord. Maar suggesties doet het zeker. In het boek worden 23 theatermakers geportretteerd, door zichzelf en het Antwerpse grafisch collectief Afreux. Want vergis u niet: meer dan pure vorm-gevers, zijn de mannen van Afreux (Gerard Leysen, Bert Depuydt en Tobias Debruyn) hier mee vorm-makers geweest. Elsemieke Schölte zag wel wat in een boek en stapte met projectgeld naar het collectief. Of ze zin hadden om op hun manier een boek te maken over theater? Afreux ging samen met de makers op zoek naar de beste grafische vertaling van hun werk:

‘Er is ons gevraagd een beeld te schetsen van een jonge generatie po-diumbestormers, een voorstelling van deze mensen individueel, maar door onze bril. We willen niet herhalen wat ze over zichzelf zeggen op websites en blogs. We willen ook geen theatertheo-retisch verslag maken over hun activiteiten. Dat kunnen wij ook niet: wij zijn theaterleken. We benaderen elk van hen op een manier die ons passend lijkt.’ (Gerard Leysen, p. 24)

Die dialoog tussen theatermakers en vormgevers kent uiteenlopende resultaten, waarbij de zichtbaarheid van de inbreng van Afreux varieert.

Niet alleen als ‘verborgen’ vormgever of gesprekspartner laten ze hun sporen na, ook in de projectcredits duiken ze veelvuldig op. Zo werkten ze mee aan de enscenering van een dionysisch FC BERGMAN-tafereel, trokken ze foto’s van installaties van Katleen Vinck of transcribeerden ze een geluidsopname van een atelierbezoek bij Wannes Deneer. Gaandeweg leren we niet alleen de theatermakers kennen, maar ook de vormgevers. In een absurdistisch interview ‘in slecht Engels’ (sic) confronteren de Afreux-mannen Julie Pfleiderer met hun twijfels rond bepaalde hedendaagse performances: ‘I find it interesting to make something in this black room and want me to clap afterwards – if I want somebody to touch my belly and whisper in my ear, I don’t go to theatre, I ask my girlfriend.’ (sic) In de breekbare briefconversatie tussen Gerard Leysen en theatermaker Alexander Nieuwenhuis ontdekken we dan weer bij beiden een gelijkaardig idealistisch anarchisme, parallelle twijfels, een koppig zoeken. Raakvlakken en prominente verschillen verhelderen de wereld van theatermaker én vormgever.

Ook een beeldende gevoeligheid bindt vormgevers en theatermakers. Vele makers werken zelf zeer beeldend: ze maken scenografieën, installaties, foto’s, maquettes. Kan dat nog theater genoemd worden? Ja, aldus d e t h e a t e r m a k e r. Het consequent vol gehouden gebruik van de term ‘theatermaker’ lijkt te wijzen op een bewuste erkenning van de betekenisverruiming die het begrip ‘theater’ aan het ondergaan is. Voorafgaand aan hun grafische bijdrage, beantwoorden de 23 makers niet toevallig de vraag ‘waarom theater?’ In hun antwoorden wordt gerelativeerd én geïdealiseerd. Waar de ene spreekt over theater als ‘tijdverdrijf’, wil de andere de wereld verbeteren. Esthetische, functionele en emotionele antwoorden wisselen elkaar af. Opmerkelijk is dat hun antwoorden parallel lopen met hun manier van werken. Beeldend kunste-naars/scenografen spreken eerder over de concrete omstandigheden van de theatercontext: de hier-en-nu-situatie, het tijdsverloop, de mogelijkheid van beweging en verandering, de aanwezigheid van het publiek. Acteurs en theatermakers ‘pur sang’ benadrukken dan weer vooral het inhoudelijk-emotionele potentieel: ze hebben het over fantasiewerelden, sublimatie, vrijplaatsen voor gevoelens, handelingen, zoekprocessen. Ook op de grafische bladzijden, hoe divers ook, zetten deze verschillen zich door. Acteurs of theatermakers schetsen poppetjes of maken groepsfoto’s: ze beelden mensen af, en/of gebruiken teksten: brieven, krantenartikels, beschrijvende teksten, citaten. Meer beeldende kunstenaars tonen abstracte installaties, quasi-onherkenbare beelden of experimenteren met de ‘ruimtelijkheid’ van het boek door het papier te laten openvouwen, draaien of scheuren. Bij hen speelt het beeld de hoofdrol, niet het lijf of de taal. Al overschrijden velen de grenzen die ik hier wat al te cru afbaken. Want als iets uit dit boek spreekt, dan is het wel de diversiteit van ‘de nieuwe theatermaker’. Nergens pretendeert dit boek een blauwdruk van hét theater te geven. Dit is een blauwdruk van het werk van 23 nieuwe theatermakers. Of beter nog: dit is een blauwdruk van een moment uit het werk van 23 nieuwe theatermakers. Een reeks onaffe portretjes uit een album dat ongetwijfeld nog veel dikker zal worden. Want dat deze makers nog volop aan het zoeken en evolueren zijn, staat buiten kijf.

Een boek als onderzoek naar een grafische vertaling van theater. Een dynamisch medium gevat in een statische vorm, zou je denken. Maar Afreux tracht de eigenheden van theater over te brengen naar het boek. De vormgevers maken dat boek tot een ervaring, een doe-ding, een veranderend en veranderbaar object. Van bij het begin maak je als ‘publiek’ deel uit van het boek. Wie goed kijkt in de blinkend zwarte kaft, ziet zichzelf gespiegeld in het lijstje ‘theatermakers’ dat op de cover staat. Alsof die cover je wijst op je eigen positie als kijker/lezer. Alsof hij wil zeggen: jij kan de volgende op dit lijstje zijn. Eens je het boek met een vinger aanraakt, is je spoor onuitwisbaar. Vette vingers vervormen je spiegelbeeld. Je beroert en verandert het boek. De lezer beïnvloedt het gelezene, de toeschouwer het aanschouwde. En als dusdanig creëert het publiek mee, maakt het zijn eigen ervaring. En dat is precies wat veel van deze makers schijnen te willen. De tijden van passief toeschouwerschap zijn voorbij, hier wordt actieve participatie gevraagd. Denk, doe, beleef! Onder de glimglam van de losse cover zit een simpele grijze kaft die een genaaide bundel papieren bijeenbindt. Waaronder een poster, een uitklappagina, een doordrukbladzijde. Het boek ondergraaft samen met de klassieke conventies van theater ook die van het eigen medium. Hier hoefje niet op te letten voor vouwtjes, vlekjes of scheurtjes. Geen ademloos angstvallig ombladeren van smetteloze bladzijden schoons. Knip de ludieke foto’s van de dames van Tocht in drie en maak je eigen kledingcombinatie! Scheur de antwoordbrief van Ilay den Boer uit en laat weten hoe je zijn voorstelling vond.

Of knip Jozef Wouters’ kaartjes uit en grasduin door zijn inspiratiebronnen. Toegegeven, het vraagt wat moeite om het boek op zo’n manier te lezen/ belezen/beleven. Maar het loont: hoe meer je doet, hoe meer je krijgt. Hoe grondiger je het boek aanpakt, hoe sterker je de grondigheid voelt waarmee de boekmakers te werk zijn gegaan. Het t h e a t e r m a k e r s boek is im- mers een vakkundig staaltje ambacht. Gemaakt met liefde en sérieux. En ook hierin spiegelt het boek de theaterma- kers: deze kunstenaars beoefenen hun onderzoek naar theatraliteit met zorg. Het concept ‘ambacht’, een tijdje passé, is helemaal terug. Handgemaakt en eigenhandig geschreven, gebricoleerd en gerecycleerd, goed doordacht en zelf gebouwd: het theater van nu lijkt wel een tegenreactie tegen de gebruikelijke hectiek, productiedwang en wegwerp- mentaliteit. Ambacht vraagt van de maker tijd en deskundigheid, en dat wordt ook gevraagd van het publiek, toeschouwer of lezer.

In Elsemieke Scholtes voorwoord, een fragment uit de Russische science- fictionfilm Solaris, getuigt een man over een buitengewone ervaring na een mislukte proefvlucht op de planeet Solaris. De oceaan waarboven hij vloog veranderde en vormde figuren, opgetrokken uit onbekende substantie. Vervolgens zag hij een kind – blauwogig, zwart- harig en vier meter lang – bewegen op de golven. De man is ontsteld en geschokt. Maar zijn relaas wordt scep- tisch onthaald en rationeel afgedaan als een ‘hallucinatoir complex’. Eén interviewer ziet het echter anders: ‘Ik heb een andere mening. We staan op de drempel van een grootse ontdekking […] Het gaat om iets belangrijkers dan de S. Over de grenzen van wat de mens kan weten. Als we zulke grenzen kunst- matig vaststellen, brengen we een slag toe aan de idee van het onbegrensde denken, en als we de beweging vooruit afremmen, bewerkstelligen we de achteruitgang.’ Het t h e a t e r m a k e r s boek is een gelijkaardige verdediging van het belang en de schoonheid van het onbekende, van ‘nieuw’ theater in dit geval. Het is een pleidooi voor verbeelding en uniciteit. Wat als we het nieuwe wél een kans geven en wél geloven in andere mogelijkheden? Wat als we onze scepsis overboord gooien en onbevooroordeeld gaan kijken wat dat ‘nieuwe’ theater ons brengt? The proof of the pudding is in the eating, maar dit boek doet ons alvast zeer veel zin krijgen in pudding.

t h e a t e r m a k e r s, Antwerpen, 2011, 227 blz. Verkrijgbaar bij Bookshop Copy- right, Antwerpen en Gent, bij Passa Porta in Brussel of te bestellen via website deSingel.

www.detheatermaker.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

boeken
Leestijd 6 — 9 minuten

#125

01.06.2011

31.08.2011

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!