© Bernd Uhlig

Leestijd 6 — 9 minuten

The Time of Our Singing – Kris Defoort/De Munt

Zwarte muziek in een witte operatempel

Hoe de opera de 21e eeuw binnenloodsen? Het lijkt wel een mission impossible. De tijd tikt nochtans want de koppen in het publiek worden snel grijzer… Met het indrukwekkende familie-epos The Time of Our Singing zet De Munt alvast een gedurfde stap in de goede richting. De nieuwe compositie van Kris Defoort, gebaseerd op de gelijknamige roman van Richard Powers, transporteert ons naar de 20e-eeuwse Verenigde Staten. Om pijnlijke onderwerpen als racisme en wit privilege aan te snijden spring je met Mozart natuurlijk niet erg ver.

De sterke repertoiretraditie vormt de rijkdom én de achillespees van het operagenre. Het dwingende referentiekader kan immers in de weg staan van de fundamentele artistieke en institutionele vernieuwingen die de opera nodig heeft om zich op enigszins relevante manieren tot onze tijd te verhouden. Hoe vermijd je dat je de racistische, misogyne, oriëntalistische, klassistische en andere belegen mens- en wereldbeelden uit de operacanon zomaar laat doorgaan voor ‘universeel’ en ‘tijdloos’? Hoe kan het genre zich binnen een toenemend gediversifieerde samenleving zinvol openstellen voor andere historische, breed culturele en muzikale perspectieven?

Een radicaal kritische, historisch-dramaturgische aanpak van het zogenaamde ‘ijzeren repertoire’ is één van de opties. Opdrachten voor nieuwe composities uitschrijven is een andere, al vormt zoiets natuurlijk niet per se een garantie op relevantie. De keuze voor componist Defoort, literaire bron Powers en librettist Peter van Kraaij zou je vanuit identitair oogpunt kunnen wegzetten als de keuze voor een ‘wit triumviraat’. Dan zouden we de recensie hier al kunnen beëindigen, nog voor we het goed en wel over de voorstelling zelf hebben gehad.

Je kan het eclectische parcours van Defoort, dat hem onder meer langs de barokmuziek en de jazztraditie voerde, ook zien als een interessante basis om het operagenre muzikaal te hybridiseren. De roman van Powers biedt met zijn gelaagde vertelling over een raciaal gemengde Amerikaanse familie dan weer mogelijkheden om een voor de opera betrekkelijk ‘nieuwe’ geschiedenis op de planken te brengen, die hedendaagse discussies rond Black Lives Matter historisch verdiept. Als basis voor het libretto zorgt The Time of Our Singing voor een overwegend zwarte cast, die complexe, plot-dragende rollen kan vertolken in plaats van schematische randfiguren. Het is een unicum in operaland. Powers’ boek, dat naast de tijd ook het zingen in zijn titel draagt, barst bovendien van de muzikale referenties en reflecteert over de ingewikkelde, conflictueuze verhouding tussen witte en zwarte muziektradities.

Historische verandering en continuïteit

Richard Powers staat bekend om zijn intelligente, vuistdikke romans die een veelheid aan maatschappelijke vraagstukken en kennisvelden (technologie, wetenschap, ecologie, muziekgeschiedenis,…) zorgvuldig met elkaar verweven. Het is een krachttoer om van een roman als The Time of Our Singing een libretto te maken dat ondanks de vele onvermijdelijke schrappingen toch helder en meerlagig blijft, zich vlot en ook weer niet té vlot uitrolt, en waarvan de dialogen en narratieve ontwikkelingen bijzonder kernachtig zijn zonder geforceerd aan te voelen. Anders dan in de roman, die kriskras heen en weer springt doorheen de tijd, loopt het libretto netjes chronologisch van 1939 tot en met 1992.

Die lineariteit helpt om de complexiteit van de talrijke plotwendingen en personage-evoluties volgbaar te houden. Veel zin heeft het niet om die hier rap-rap af te haspelen. Het volstaat om mee te geven dat we de levenspaden volgen van een interraciaal koppel, de Joodse wetenschapper David (Simon Bailey) en de zwarte Delia (Claron McFadden) en hun drie kinderen, de succesvolle klassieke zanger Jonah (Levy Sekgapane), de muzikant Joey (Peter Brathwaite) en de Black Panther-activiste Ruth (Abigail Abraham). Af en toe wordt het ‘kleine’ familieverhaal onderbroken én beïnvloed door nieuwsberichten van ‘grote’ historische feiten, zoals bijvoorbeeld de moord op Martin Luther King (1968) of de rellen in Los Angeles na de politiemoord op Rodney King (1992). De chronologische aanpak helpt van Kraaij om het contrast in de verf te zetten tussen historische verandering en de pijnlijke continuïteit die eronder schuilgaat, die van de terugkerende cycli van racistisch geweld. Doorheen het narratieve web lopen heel wat thematische lijnen: verschillende soorten whiteness en blackness komen aan bod, naast de verwarring die het raciaal mixed zijn met zich mee kan brengen, de spanning tussen meritocratie en activisme, het conflict tussen manieren van opvoeden die proberen uit te gaan van color blindness en manieren die net geworteld zijn in een sterk bewustzijn van raciale ongelijkheid.

Opvallend en verfrissend voor een opera is dat in The Time of Our Singing geen sterke hiërarchie bestaat tussen hoofd- en bijfiguren; alle personages blijken min of meer even belangrijke knooppunten in de vertelling. Ze tonen zich bovendien veel meer als mensen van vlees en bloed, waarmee we niet willen gezegd hebben dat de voor de opera meer karakteristieke larger than life-figuren niet waardevol kunnen zijn. Verder maakt de narratieve traagheid en herhaling van vele canonieke libretti plaats voor een stuwend vertelritme dat misschien net iets beter aansluit bij de kijkgewoontes van de gemiddelde 21e-eeuwse toeschouwer. Het nadeel van zo’n gebalde plot driven benadering is wel dat je minder aandacht kan opbrengen voor de muziek. De ‘saaiheid’ van sommige opera’s is wat dat betreft niet volledig onfunctioneel…

Een slecht zittend schoentje

Is The Time of Our Singing een puntgaaf werkstuk? Neen. Hoe compositorisch gedurfd ook, soms klinkt de mix van witte en zwarte muziektradities als een clash. In de orkestbak hoor je côté jardin het klassieke orkest met een kleinere bezetting als gewoonlijk; côté cour bevindt zich een vierkoppig jazzcombo. Vanuit de parterre kan je niet zien of de zwarte dirigent (Kwamé Ryan) ook met de jazzmuzikanten interageert maar jazz laat zich normaal gezien natuurlijk niet dirigeren – de muziek ontstaat met meer of minder improvisatie vanuit de nauwe, directe communicatie tussen de muzikanten. Qua akoestiek past de orkestbak de jazzmuziek als een slecht zittend schoentje, zo lijkt het wel. Zeker de (op zich virtuoze) drumslagen van Lander Gyselinck kaatsen er zo hard heen en weer dat ze soms vervallen tot een kabaal van jewelste, waarin de stemmen van de zangers op het podium verzuipen.

De stukjes hiphop waarmee het personage Ruth zich van haar meest rebelse kant moet laten zien, met een micro in de hand en geflankeerd door de hiphopdanser Hervé Loka Sombo, komen potsierlijk over. Er spreekt ook niet dezelfde kennis en liefde voor het genre uit zoals Defoort duidelijk bezit ten opzichte van de jazz. In de witte operatempel wordt de ontzaglijke rijkdom van de hiphoptraditie verengd tot een cliché.

Emotioneel-ruimtelijk landschap

Toch wegen deze punten van kritiek niet op tegen alles wat The Time of Our Singing zo bijzonder maakt. Defoorts eclectische compositie kent gelukkig ook heel wat mooie, opwindende en ontroerende momenten. De coherentie tussen scenografie, lichtontwerp en mise-en-scène is daarnaast – althans afgemeten aan mijn eerder beperkte opera-ervaring – best wel uitzonderlijk. Naar goede gewoonte bij nieuwe opera’s, die de nodige financiële investering vragen voor de creatie van het libretto en de muziekcompositie, is het decor hier een stuk minder exuberant. Scenograaf Johannes Schütz weet van die soberheid een kracht te maken: hij kiest voor een leeg, weids podium dat is afgezoomd verschillende rijen strak tegen elkaar geschoven grijze tafels.

De onderkanten van die tafels functioneren als een soort coulissen, waaruit de zangers af en toe rekwisieten toveren. Soms zitten ze erbovenop met hun benen bengelend over de rand te wachten en te kijken naar de situaties die zich ontvouwen op het open speelvlak. Spannend is dat we zo al personages te zien krijgen die pas later een rol spelen in het plot, omdat ze bijvoorbeeld nog niet geboren zijn, of die na hun overlijden nog wat blijven rondhangen. Dat levert betekenisvolle momenten op zoals wanneer Ruth de microfoon krijgt aangereikt van haar vermoorde moeder en die even later terug meegeeft met haar vermoorde echtgenoot en mede-Black Panther Robert (Loka Sombo) – de drie personages zijn zo even verenigd in antiracistisch verzet. Naar het einde toe creëert Schütz een impactvol tegenbeeld voor al wat daarvoor kwam: de personages gooien in een woedeuitbarsting alle tafels met luide knallen op de scène, waardoor een grillig emotioneel-ruimtelijk landschap ontstaat.

Familieopstelling

Door de grote fysieke impact van het zingen en de beperkte training blijft het acteerspel binnen de opera een uitdaging. Ook hier. Toch weet regisseur Ted Huffman van een paar performers enigszins levendige personages te maken. Claron McFadden springt eruit: met haar vermogen tot gelaagd spel en breed stembereik beschikt ze over een zeldzaam dubbeltalent. Huffman maakt verder meesterlijk gebruik van het grote open speelvlak door de praktijk van de mise-en-scène (het Franse woord voor regie) letterlijk uit te voeren als een ‘plaatsing op het podium’. De nauwkeurig gecomponeerde trajecten en interacties tussen spelers, afgemeten maar effectief uitgelicht door Bernd Purkrabek, doen af en toe denken aan taferelen uit de historieschilderkunst. Huffman benadrukt die picturaal-theatrale kwaliteit met een aantal freezes, die een actie heel even doen stollen tot een beeld.

Ontroerend zijn het moment waarop de familie samen zingt rondom de bescheiden huispiano, en de scène naar het eind toe waarin bijna alle personages door elkaar heen lopen, blijven staan, zich omdraaien, elkaar ontmoeten, elkaar aankijken, enzovoort. Het lijkt wel één grote familieopstelling – een experimentele, therapeutische techniek waarbij familieleden, al dan niet fysiek aanwezig, hun emotionele verhoudingen ruimtelijk representeren en transformeren. Op die manier ontstaan nieuwe en zelfs onmogelijke ontmoetingen tussen personages, omdat zij niet meer tot de levenden behoren of zich in totaal andere tijdvakken bevinden. Het is een prachtbeeld, niet alleen omdat het de gelaagdheid en horizontaliteit van de verhoudingen tussen de personages zo mooi weergeeft, maar ook omdat het alternatieve levenspaden suggereert, het niet aangeboorde potentieel dat steeds in de ‘grote’ geschiedenis schuilgaat.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#165

03.09.2021

30.11.2021

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is lid van de kleine redactie van Etcetera, schrijft over podiumkunsten en beeldende kunst, doceert in het KASK en en werkt als dramaturg en podiumkunstenaar.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!