‘Bubble Gum Alley’ © International Festival

Tor Lindstrand

Leestijd 6 — 9 minuten

The Theatre

Of het potentieel van proactieve architectuur

Naar het theater gaan was oorspronkelijk een publieke activiteit ingebed in een publieke ruimte. Theater was drama en verhaal, maar net zo goed de uitgelezen plek voor socio-politieke uitwisseling. Het was een activiteit die verschillen in de maatschappij provoceerde, niet door een vorm van directe kritiek maar door het gebruik van allegorieën. Vandaag is theater gesitueerd in de privésfeer, en bijgevolg ontplooit het zich nu louter in de private ruimte. Het is zijn potentieel tot werkelijke uitwisseling kwijtgespeeld. Publieksparticipatie zou een substituut moeten zijn voor de eens actief geëngageerde toeschouwer, die vandaag afwezig blijkt. Wat is er gebeurd met het theater? Is het zijn wezenlijke specificiteit verloren om een plek te worden waar individuen aan processen van subjectificatie deelnemen en hierin tot uitwisseling komen?

Het project The Theatre, dat uitgaat van het International Festival, is een poging om het theater te herijken – haar opnieuw ‘op te voeren’ – zodat er weer leven in haar machinerie geblazen wordt. Dit niet door een performance, maar letterlijk door een werkelijk theater: door in situ een levensechte theaterstructuur op poten te zetten, die niettemin opgetrokken en onderhouden wordt als een performance binnen de gebruikelijke normen voor performancebudgetten. Het fundamentele idee is om alles dat in het theater geen theater is, te veranderen en daartoe te beginnen met haar meest algemene kenmerken: het gebouw, de site. Het voltooide gebouw, met een podium van 12 op 12 meter, dat zich leent tot een uiterst flexibele ruimtelijke opstelling, zal aangeboden worden aan een groep curatoren en kunstenaars die het kunnen bezetten met een programma naar keuze, dat gedurende een periode van drie jaar zal toeren.

Het proces zelf zal functioneren als een soort van open source architectuur, waaraan momenteel zowat dertig verschillende groepen en individuen deelnemen, afkomstig uit het veld van de architectuur, de performancekunsten, de visuele kunsten, de theorie, maar ook uit andere domeinen. Allen werden ze op langetermijnbasis geëngageerd om het gebouw te conceptualiseren, te construeren en effectief op te trekken. Het bouwproces fungeert als een universiteit in progress; als een grootschalige workshop waarin onderzoek centraal staat; als een plaats voor kennisproductie en als een performance waarin het publiek wordt uitgenodigd niet aan de zijlijn te blijven. De eerste initiële manifestatie van het project zal in opdracht van Steirischer Herbst gerealiseerd worden tijdens de herfst van 2007 in Graz.

Het Kopenhagen syndroom

In november 2001 werd het startsein gegeven voor de constructie van het operagebouw in Kopenhagen: een uit kalksteen, Siciliaans Perlatinomarmer, esdoornhout, bladgoud en gerookte eik opgetrokken extravagantie. Het project werd aan de Deense staat gedoneerd door scheepsmagnaat A.P Møller. De schijnbaar filantropische onderneming werd echter al gauw overschaduwd door het feit dat alle kosten fiscaal aftrekbaar waren, waardoor de Deense staat uiteindelijk gedwongen werd het project te kopen. Het prijskaartje voor het realiseren van ‘…een opera- en ballethuis van wereldklasse met een akoestiek die kan bogen op een eeuwenlange ervaring en de allerlaatste praktische en wetenschappelijke vooruitgang, gecombineerd met haast wonderbaarlijke technische innovaties’ bedroeg uiteindelijk 350 miljoen euro. Dit is een significante som geld, maar niet echt buitensporig als men de hedendaagse trend om grootschalige, prestigieuze projecten voor hedendaagse kunst uit de grond te stampen, indachtig is. Al deze projecten hebben gemeen dat ze exuberante architecturale ambities legitimeren in naam van het promoten van culturele activiteiten.

Dus, wat betekenen een ‘luttele’ 350 miljoen euro? Het operagebouw van Kopenhagen beschikt over 1700 zitjes, verdeeld over twee verschillende podia. Over de tijdspanne van een jaar zou de maximumcapaciteit een totaal van 600.000 toeschouwers bedragen, die jaarlijks zo’n twintig verschillende producties zien. Als hetzelfde bedrag aan het International Festival overgemaakt zou worden, zou dit de constructie van 1750 nieuwe Deense performanceplekken betekenen, met een capaciteit van 175.000 zitjes, een publiek (als je drie voorstellingen per week telt) van om en bij de 26.250.000 toeschouwers, de mogelijkheid om jaarlijks 87.500 producties af te leveren, en zowat 480 performancekunstenaars elke avond een podium te bieden (indien men enkel uitgaat van duetten, dus technische noch artistieke staf meegerekend). Hierdoor zou de Deense staat de grootste mecenas van de performancekunsten ter wereld worden, misschien zelfs in de geschiedenis van de mensheid. Dat is wat 350 miljoen euro betekent.

Parthenon performance/Sunset architecture

Hoe vaak moet je het Parthenon gezien hebben? Hoe vaak moet je een zonsondergang aanschouwen? Hoge architectuur zal (zoals we doorheen de gehele architectuurgeschiedenis kunnen zien) zonder fout steeds een exquise plek zijn om dood in te zijn, maar ze is niet op maat van het ‘leven’. De onontkoombare ‘doodsheid’ van hoge architectuur valt nooit, en zal ook nooit, te rijmen vallen met het alledaagse. Er bestaat gewoonweg niet zoiets als ‘levende architectuur’. Als je architecten hoort debiteren dat hun ontwerpen ‘leven zullen brengen’ of ‘leven zullen blazen’ in dit of dat, grijp dan maar aanstonds naar je geweer. Hoe hoger de architectuur, des te lager het potentieel aan een omgeving op mensenmaat, die succesvol dienst kan doen als woning. Hoge architectuur stelt zich immers nooit in dienst van de massa. Architecten beschouwen het desondanks haast als een misdaad indien men niet zoveel mogelijk van de wereld tot het onderwerp van hoge architectuur maakt. Deze onstuitbare queeste naar steeds maar meer uitvoerige vormen van architecturale expressie produceert onophoudelijk een homogene architectuur van het spektakel. Deze obsessie voor externe attributen en stijl gaat hand in hand met de mediatisering en de ‘verpakking’ van de ruimtelijke ervaring. Het accent wordt gelegd op hoe architectuur er uitziet en maar in zeer geringe mate op wat architectuur doet, waardoor het architecturale veld zich eerder vernauwt, dan dat het haar horizonten verruimt in een tijd waarin de competitieve strijd om ruimte en manieren van ruimtelijke productie heftiger is dan ooit. Het idee om voor de toekomst te bouwen, is een paradox en een fundamenteel bedrog. We bouwen voor het verleden, want architectuur boogt vaker op een band met het verleden, waarbij mogelijkheden eerder beknot dan gefaciliteerd worden.

Eerst bouwen we bouwsels en dan beginnen zij ons te construeren. Neem bijvoorbeeld het theater: wat we ervaren wanneer we naar het theater gaan, is een volkomen gecontroleerde situatie. Wij, als publiek, performen onszelf, gestuurd door conventionele protocollen: de kunstenaars op het podium zijn professionelen die zich een bepaalde situatie eigen maken door ze gedurende maanden te hebben gerepeteerd, en technologie is alomtegenwoordig om te verzekeren dat de ervaring gehomogeniseerd wordt. Dit is het breekpunt waar architecturale strategieën – die zich fundamenteel met de concepten der controle verknopen – en theater als operatie elkaar ontmoeten. Deze ‘opzet’ heeft gedurende de geschiedenis zowel in dienst gestaan van de architectuur als van het theater, door het produceren van specifieke situaties van controle die aangepast kunnen worden al naargelang het verschillende politieke, economische of culturele doel. De andere kant van de medaille is natuurlijk dat ze de multipele manieren van ‘samen zijn’ hebben geneutraliseerd.

Indien we traditionele definities van architectuur hanteren, namelijk als de wetenschap van het ontwerpen van gebouwen en structuren, gaande van het macroniveau van stadsplanning tot het microniveau van meubelontwerp, dan kunnen we het organiseren van een temporeel evenement niet als architectuur bestempelen. Maar als we architectuur vanuit een breder blikveld benaderen, dan kunnen we architecturale concepten poneren die de eindigheid van structuur destabiliseren en de gelegenheden van het ‘labelen’ ondermijnen. We zouden als tegengewicht dus een platform kunnen creëren dat als het ware boven de modulaire structuur zweeft en dat zich telkens weer opnieuw reconstrueert: een architectuur die verschillende modellen van productie en behoud suggereert, gebaseerd op sociale interactie en uitwisseling. Als tegengewicht stellen we dus een architectuur van de verandering voor, een architectuur die eerder wordt geproduceerd door protocollen van performativiteit dan door ideeën van permanentie, de bouwsite als een niet aflatende manifestatie, die voortdurend verschuift en zich aanpast aan verschillende noden en verlangens. Een theater dat opgetrokken wordt uit alledaagse materialen die eenvoudig verwijderd, gealtereerd en getransformeerd kunnen worden in een myriade aan configuraties. Het materiaal van evenementen, constructiesites, mobiliteit, rampen, vieringen, wimpels, confettibommen, flyers, rookmachines, invitaties, schuim, vuurwerk.

Het The Theatre-project wijst op het potentieel van architectuur wanneer ze proactief wordt, door de interactie waartoe ze aanspoort, met haar accent op relaties in plaats van representaties. Door haar nadruk op de actualisering van architectuur plaatst ze performativiteit op de voorgrond, creëert ze een veelheid aan mogelijkheden en verbindt ze architecturale strategieën met het alledaagse. Het is een architectuur die net zo op touw wordt gezet als de Olympische Spelen, maar dan in een omgekeerde richting: eenzame winnaars van gouden medailles die van hun tribune neerdalen, die zich vermenigvuldigen doorheen finales, semi-finales en kwalificatierondes. Uiteindelijk stromen alle deelnemers samen, marcheren rond het stadium, en wandelen vervuld van vertrouwen en enthousiasme de wijde wereld in. Samen. International Festival is een langdurig project, geïnitieerd door architect Tor Lindstrand en Mårten Spångberg, werkzaam in de zone tussen architectuur en performance. Zij verwerkelijken territoria waar schijnbaar contradictoire expressies en modaliteiten van productie onze gemeenschappelijke toekomst vorm geven doorheen dynamische verbintenissen, proactieve constructie, shape-shifting productieprocessen en onvoorwaardelijke generositeit. International Festival is meer dan je ooit had kunnen dromen. ‘More the real thing than Coke, a just done it in relation to Nike, it is free your mind and the rest will follow.‘ Het is muziek in je mond en verbazingwekkend gezond.

Tor Lindstrand vertaald door Emma Sidgwick

© beelden International Festival

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#105

15.02.2007

14.05.2007

Tor Lindstrand

Tor Lindstrand is een Zweedse architect en stedenbouwkundige. Sinds 1994 is hij verbonden aan het performance collectief Fame International. Samen met Marten Spangberg ontwikkelde hij onder het label International Festival het project The Theatre . www.international-festival.org

artikel