Leestijd 4 — 7 minuten

The road to immortality (part-two) – Wooster Group

KRONIEK – LEERDE ALLE ARTIKELS UIT HET HOOFD

Is “ideologiekritisch theater” een verzinsel dat intellectualistische critici toelaat hun overbodigheid te camoufleren, of is het één van de weinige overlevingskansen voor het theater in de jaren tachtig?

De vraag is pertinent sinds het ideologische echec van Helena Weigel in de creatie van Mutter Courage und ihre Kinder en blijft dit na enkele uren (twee voorstellingen in mijn geval) met The road to immortality (part two) van de Wooster Group. Waar Brechts stuk een nauwkeurige ontleding en bewustwording ambieerde van tragiek, lafheid en moed in een oorlogssituatie, bleef het effect beperkt tot een identificatie van het publiek met een door haar existentiële twijfels aangrijpend personage. Sinds Ibsens Nora leek er niet veel veranderd. Het Amerikaanse naturalisme van de jaren vijftig (Tenessee Williams, Arthur Miller en de anderen) heeft hieruit destijds zijn conclusies getrokken: ideologiekritiek wordt eerstegraads maatschappijkritiek (identificatie met het onrecht als bedoeld effect) en uitvergroting van gevoelens (= expressionisme?) is daartoe een efficiënt middel. Zoals Arthur Miller het zelf uitdrukt: “Ik ben altijd aangetrokken en afgestoten door de schittering van het Duitse expressionisme na W.O.l, en één bedoeling met Death of a salesman was het gebruik van die wonderlijke ‘stenografische’ schriftuur voor ‘doorvoelde’ menselijke karakteriseringen eerder dan voor de demonstratieve intenties waarmee de Duitsers deze schriftuur hanteerden.” In The Crucible gaat Miller daar, naar eigen zeggen, nog verder in, door dit procédé toe te passen op het collectief bewustzijn van een gesloten gemeenschap. The Crucible, bedoeld als metafoor voor de communistenjacht onder senator MacCarthy, geschreven in 1952, behandelt de heksenprocessen van Salem, een berucht historisch voorbeeld van theocratische terreur, waarbij iemands bewering dat hij niets van de hekserij afwist, hem automatisch verdacht maakte (zoals onder MacCarthy).

Dit toneelstuk is een belangrijk scenisch instrument in The road to immortality (part two), waarmee de Newyorkse Wooster Group in Brussel te gast was. Ik gebruik met opzet de term “instrument”, omdat de tekst van Miller functioneert in een ander discours, in een ander verhaal dan waarvoor het bedoeld is of zou zijn door de auteur. De Wooster Group weigert expliciet de noties van goed en kwaad demonstratief tegenover elkaar te plaatsen – ook het zogenaamd “nuanceren” deugt niet meer – en poneert radicaal de twijfel. Hiermee bedrijven zij ideologiekritiek: niet enkel de identificatie (met het goede, uiteraard) die Millers stuk beoogt – met de andere elementen in The road to immortality (part two), waarover dadelijk meer – wordt vernietigd, maar regisseuse Liz Lecompte trekt de vraag naar de effectiviteit van dit soort drama door in de vorm van haar eigen voorstelling. Elke mogelijke fixatie van betekenis wordt op het moment dat het beeld ontstaat al onmogelijk gemaakt.

Voor alle duidelijkheid som ik even de belangrijkste “instrumenten” uit The road to immortality (part two) op: naast Millers The Crucible bevat het stuk een “reading” uit de literatuur van de beatgeneratie, met als centrale figuur de LSD-profeet Timothy Leary (naast Allen Ginsberg, Jack Kerouac, William Burroughs, Alan Watts, ook Aldous Huxley en Arthur Koestier), een verslag van een psychedelisch feestje, genoteerd door Leary’s babysitter Ann Rower, de publieke discussies tussen Timothy Leary en G. Gordon Liddy (één van de Watergate-veroordeelden). Ik vergeet waarschijnlijk nog wat -ook de Velvet Underground zat er ergens in – maar de verwarring over de bronnen is misschien wel essentieel in deze voorstelling. De ontmaskering van de waarheidspretenties van de tekst of, ruimer nog, van de cultuur: dat is de bedoeling van de Wooster Group in The road to immortality (part two). Hoewel ook dit als intentie te dogmatisch klinkt. Liz Lecompte heeft door een ernstige briefwisseling geprobeerd Arthur Miller ertoe te bewegen de Wooster Group toelating te geven zijn stuk te spelen. Tevergeefs, en gespeeld wordt een stuk van Michael Kirby, The Hearing, dat The Crucible van alle metaforiek ontdoet (“witches” worden gewoon “communists”) of Millers stuk “vertaalt” in onverstaanbaar gebrabbel. Liz Lecompte schrijft Miller: “Ik wil ironie en distantiërende technieken gebruiken om te snijden in het intellectuele en politieke hart van The Crucible, en ook in het emotionele hart. Ik wil het publiek in een positie plaatsen waarin het zijn relatie tot dit materiaal als ‘getuigen’ – de getuigen van het stuk zelf, maar ook van het ‘verhaal’ van het stuk-onderzoekt.” Concreter nog: John Proctor is de held van Millers stuk, hij gelooft niets van de hekserijen, maar hij heeft vroeger “gezondigd”. Deze pekelzonden komen hem nu duur te staan, hij is zeer verdacht, wordt ten slotte opgehangen. In een “normale” opvoering is Proctor zonder meer de idealist met wie het publiek zich graag identificeert. Zo’n simplisme verwerpt Lecompte: Proctor wordt “gespeeld” door twee acteurs die nét niet in koor hun tekst uitschreeuwen, een verhaal waar zelfs niemand probeert naar te luisteren en dus niet meer interessant (ook niet voor de toeschouwer) kan zijn. De beatniks worden op dezelfde manier van hun aureool (voorzover ze dat nog hadden) ontdaan.

Wat ik hier beschrijf als intenties en effecten van de Wooster Group heeft veel weg van de elementaire regels van een Brechtiaans Verfremdungseffekt: niets nieuws dus en, zoals aangegeven in de inleidende paragraaf, mislukt. Maar de Wooster Group radicaliseert de vorm en het discours door een uiterst nauwkeurig gebruik van de simultaneïteit op de scène, provocerende “mixed media”-effecten en voortdurende ordeverstoringen in het verhaal van de teksten en dat van de eigen voorstelling. Geen enkele acteur laat de andere gerust, laat de andere “uitspelen” – in deel 3, een LSD-trip, gebeuren er steeds minstens drie dingen tegelijk, rekende iemand uit – en het resultaat is dat je het opgeeft om vaste betekenispatronen te ontdekken. De Wooster Group brengt “absoluut theater”, theater dat zoals “absolute muziek” (zoals Wagner o.a. het definieerde) enkel naar zichzelf als systeem verwijst. Waarbij het evenwel niet kan ophouden, want ondertussen zijn Timothy Leary, MacCarthy, Velvet Underground, Watergate enz. wel ter sprake gebracht.

Maar de historisch gegroeide mythologie rond dit alles – die waarschijnlijk duidelijker is voor de Amerikaan uit de beatgeneratie, maar dit is niet eens zo belangrijk – wordt emotieloos omver geschopt. Je kan net zo goed concluderen dat The Crucible een gedateerd, onspeelbaar geworden stuk is, als dat je vaststelt dat de ijzersterke structuur van Millers tekst aan Lecomptes iconoclasme weerstaat. Alleen zal ik niet meer zonder hoofdschudden naar een keurige repertoirevoostelling van een stuk als The Crucible kunnen kijken. En hetzelfde geldt voor het discours van drug- of antidrugprofeten, voor variété-artiesten en alle andere verbrokkelde beelden uit The road to immortality (part two). Bij de Wooster Group ondermijnt het theater zichzelf, en dat is misschien de laatste overlevingskans. Want ook op de communistenjacht krijg je een “andere kijk”, voorzover dat de bedoeling was. Zo wordt theater, gelukkig maar, weer iets minder “absoluut”. Want ook dat zou een ideologie uitmaken.

 

THE ROAD TO IMMORTALITY (PART TWO)

groep: The Wooster Group (New York); regie: Elizabeth Lecompte; ontwerp: Jim Clayburgh; spelers: Jim Clayburgh, Willem Dafoe, Norman Frisch, Jim Johnson, Michael Kirby, Anna Kohler, Nancy Reilly, Elion Sacker, Peyton Smith, Michael Stumm, Kate Valk, Ron Vawter, Jeff Webster.

Gezien op 7 en 8 oktober in de Ancienne Belgique, Brussel.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#16

15.01.1987

14.04.1987

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!