Visies voor het veld: Dries Douibi
Tien ideeën voor de toekomst van de podiumkunsten
Dries Douibi
© Tine Declerck
Op Dansand in Oostende waren op twee dagen tijd twee voorstellingen van Mette Ingvartsen te zien: The Dancing Public, een solo die sinds 2021 bijna onafgebroken toert, en Choreomania, een project dat ze in de loop van drie jaar creëerde met veertig bachelorstudenten van P.A.R.T.S. Ingvartsen houdt het betere werk voor de jonge generatie, zo blijkt uit de weging.
Mette Ingvartsen, die zelf twintig jaar geleden afstudeerde aan P.A.R.T.S., lijkt in haar voorstellingen al jaren pogingen te doen om de ervaring van het publiek zo dicht mogelijk bij die van de performer te brengen. Wanneer zij zich in 21 pornographies (2017) uitkleedt, krijgt het publiek de kans dat ook te doen. Wanneer ze in evaporated landscapes (2009) het verdwijnen en veranderen toont van natuurlijke fenomenen, zit het publiek met de voeten in smeltende ijskappen. En wanneer zij in The Dancing Public (2021) de ziel uit haar lijf danst in een stuk over middeleeuwse dansepidemieën, ziet ze die solo als een samenwerking met het publiek.
In The Dancing Public vertelt Ingvartsen via een mix van spoken word en dans het verhaal van de dansgektes die West-Europa eeuwen terug in hun greep hielden in tijden van crisis. Builenpest? Dansmanie! Slechte oogst? Dansmanie! Een vrouw kan haar kind niet meer voeden en gooit het in paniek het water in? Haar voeten kunnen niet meer stilstaan en al gauw besmet ze haar dorpsgenoten.
De dansepidemie is een ziekte en een genezing tegelijk, zo vertelt Ingvartsen: bezeten dansen als tegengif voor wat ondraaglijk is. Haar theorie doet denken aan wat Deleuze en Guattari over psychose zeggen. De psychotische gedraging, zo stellen ze in Anti-Oedipus (1972), is niet louter een negatief symptoom van ziekte, maar ook een uniek vermogen van het individu om zichzelf weer in evenwicht te brengen binnen een verstoorde en onhoudbare realiteit.
“Het publiek van The Dancing Public volgt vanop veilige afstand, clustert samen, danst uitbundig of op z’n Vlaams, waaiert weer uit.”
Ingvartsen blaft, jankt, hijgt, kruipt over de grond, laat haar tong uit haar mond hangen, trekt krampachtig met haar nek en schouders. De keiharde beats van Anne van de Star dreunen, in een auditieve variant van extase. Wanneer het ritme de pedalen verliest, wordt de waanzin ook in die dimensie hoorbaar. Het licht flitst heen en weer tussen hoofdpijnwit en kokendbloed-rood. Op Ingvartsens gelaat wisselen wanhoop, euforie en afgrijzen elkaar af. Ze beweegt heen en weer tussen verschillende stellingen die kriskras zijn opgesteld. Het publiek volgt vanop veilige afstand, clustert samen, danst uitbundig of op z’n Vlaams, waaiert weer uit. Ingvartsens ogen rollen, haar lange benen zwaaien tot aan haar borst, haar lichaam schokt. Het is het lichamelijke lexicon van gekte. Maar helaas is het vrij beperkt in variatie.

© Tine Declerck
Wanneer Ingvartsen niet op haar geïmproviseerde podia danst, beweegt ze zich tussen de toeschouwers. Zoals het patient zero betaamt, slaagt ze er moeiteloos in ervoor te zorgen dat velen afstand houden, zelfs terugdeinzen wanneer ze haar zien naderen. Anderen worden meteen door haar besmet en houden gedurende de hele avond niet meer op met dansen. Eén toeschouwer houdt van begin tot einde zijn ogen gesloten. Met zijn armen ten hemel geheven staat hij in een trance de zonsondergang op te zwepen. Zelfs wanneer Ingvartsen hem al vertellend bijna omver loopt, kijkt hij niet op.
‘Weeks and weeks and weeks’ dansten de mensen, tot ze erbij neervielen. Tot ze dood of gereinigd waren, of allebei. Maar er is een verschil tussen de vermoeidheid van een uur lang dansen en een uur lang kijken naar vermoeiend dansen. De eerste vermoeidheid is beduidend leuker, want de repetitieve dans en stilaan onbegrijpelijke tekst van Ingvartsen worden saai – daar kan zelfs de knallendste muziek niets aan veranderen. Bovendien laat Ingvartsen – deels door haar ijzeren conditie – de kans liggen om de werkelijke vermoeidheid, de catharsis zichtbaar te maken. Dansen werkt als antigif, jazeker, maar elk antigif heeft een prijs en het is jammer dat die niet aan bod komt in deze voorstelling, die abrupt stopt en na een laatste zwierend been overgaat in een ‘echt’ dansfeest.
“De repetitieve dans en stilaan onbegrijpelijke tekst van Ingvartsen worden saai – daar kan zelfs de knallendste muziek niets aan veranderen.”
De vraag rijst dan ook wat het betekent om deze voorstelling ‘een goede voorstelling’ te noemen. Dat jij je hebt geamuseerd? Zoals die man die de hele tijd zijn ogen dicht had? Het irriteert dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de voorstelling bij het publiek komt te liggen. Enkel als ik hier al dansend alles uithaal is het een topstuk, en als ik dat niet doe, is dat mijn eigen probleem; dan heb ik me onvoldoende overgeleverd om de werkelijke waarde te kunnen voelen. Maar wat als ik weiger om medemaker van dit stuk te zijn? Wat als ik mij graag een uur lang wil laten meevoeren door het vakmanschap van een uitzonderlijke danser en choreograaf?
“Het irriteert dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van The Dancing Public bij het publiek komt te liggen.”
Helemaal absurd klinkt het natuurlijk niet, de idee dat er ook voor het publiek iets te halen valt uit de besmetting met de dansziekte. Hedendaagse psychologie is zich meer en meer bewust van de rol van het lichaam in het opslaan, uitzweten en verwerken van trauma. En het is goed invoelbaar hoe dit stuk in 2021, toen de eerste lockdowns net achter de rug waren, precies die ader aanboorde: wij die hier samen dansen, omdat we dat zo lang niet mochten. Vier jaar na datum was ik echter zelf al enkele keren die vermoeide toeschouwer die graag gewoon op een stoel wil kijken, in plaats van zich gedwongen te voelen mee te springen op dansbare of ondansbare beats. Na de binnendwang lijkt de grootste knaldrang intussen verdwenen.
Over dat gebrek aan gedeelde noodzaak struikelt The Dancing Public. Als dans een remedie is tegen wat te overweldigend is voor een samenleving, wat dansen wij hier dan uit? Welke slechte geesten verdrijven we uit ons midden? En wie is dat wij dan wel? Mede omdat er geen gedeelde noodzaak is, blijft ook onduidelijk hoe gekmakend dansen écht kan leiden tot helen. Ja, het lichaam kan trauma verwerken via beweging, maar zijn we er wel zo zeker van dat de dissociatieve dans empowering is? Misschien zijn de mensen waarover Ingvartsen spreekt toch vooral patiënten die met een ander, minder sexy symptoom medelijdend zouden zijn bekeken. Het voelt wrang en zelfgenoegzaam om reëel psychisch lijden, hoe feestelijk het zich ook uit, gelijk te stellen aan iets dat wij met z’n allen – maar dan wel all in this apart – een uurtje mogen beleven. Ook Deleuze en Guattari kregen na Anti-Oedipus de kritiek dat ze psychisch lijden romantiseerden.
The Dancing Public schiet het gezamenlijke doel voorbij, omdat de verbondenheid tussen publiek en performer onecht voelt. In Choreomania zijn die verbinding en dat gezamenlijke doel er wél, in de vorm van veertig studenten die samen hun afstudeerproject dansen. Wat in die tweede voorstelling begint als een tot efemere traagheid gestolde beweging mondt uiteindelijk uit in een stampende, joelende, schreeuwende, hinkelende stoet studenten die samen drie jaar overleefden in een circuit dat soms letterlijk en figuurlijk strak blijkt te staan van het venijn. Maar eerst die vertraging, die een stevige vijftig minuten aanhoudt.
“Bij de meest getalenteerde dansers van Choreomania lijkt het alsof hun lichaam alleen nog maar uit rustige lucht bestaat.”
Fysiek is het zonder twijfel een knappe prestatie: zo lang, zo langzaam bewegen – zonder trillen, zonder verslappen, in bijna alle gevallen zonder per ongeluk te versnellen. De dansers tonen oerbeelden van verdriet, extase en troost. In vertraagde veelheid kan de blik van het publiek beter verdrinken dan in snelle eenvoud. Telkens wanneer de aandacht blijft haken aan een beweging in de ene hoek van het speelveld, is zich elders een tafereel aan het vormen dat halverwege onzichtbaar zal uiteenvallen in steeds nieuwe taferelen. Bij de meest getalenteerde dansers lijkt het alsof hun lichaam alleen nog maar uit rustige lucht bestaat. Het is zoals naar de klok staren en toch telkens dat moment missen waarop de wijzer opeens een nieuw uur aangeeft.
Zacht en onverstaanbaar mompelen monden terwijl ze zich van een glimlach in een huilend grimas plooien en weer terug. Ergens begint iemand een ander op te vangen nog voor diegene begonnen is met vallen. Een vuist gaat de lucht in en landt enkele eeuwigdurende seconden later op een van afgrijzen oprijzende schouder. Op geen enkel moment keren deze lichamen zich tegen elkaar, integendeel, de dansers versterken elkaars bewegingen en maken die mogelijk. Is dit uitgekiende choreografie, of toont zich hier vooral het gedeelde lichaam van mensen die drie jaar lang bijna iedere dag samen door een ruimte bewegen?
Het is betoverend mooi, zeker wanneer het zachte prevelen van de dansers overgaat in een loepzuivere en schijnbaar eindeloze koorzang van het woord ‘hélas’. Maar het duurt ook lang. Voor een stuk dat de titel Choreomania draagt, is de manie wel erg ondervertegenwoordigd, uitsluitend in die laatste tien minuten. Ik begin zowaar zelf een vorm van knaldrang te voelen. De beloning is groot wanneer eerst heel klein maar steeds groter de dans begint binnen te dringen in de verstilling. Een arm schiet de lucht in. Twee paar benen buigen synchroon. Drie borstkassen vullen zich met lucht. Tien jonge mensen dansen dezelfde beweging net een heel klein beetje anders.
Heel even kan je het zien, hier, als je goed kijkt tussen de maaiende armen, hoe zo’n dansende menigte eruit moet hebben gezien in de veertiende eeuw. Hier is een groep die iets wil achterlaten en iets wil vieren. En eindelijk is er ook de uitputting waar ik al sinds gisteravond naar snak. Wanneer de dansers een voor een in het zand ploffen, is hun roezige blik van hoop en onttovering geloofwaardig. Dansen is een ziekte en een remedie.
The Dancing Public voelt achterhaald door het individuele karakter, maar vormt in het unieke programma van Dansand wel een boeiend contrapunt voor Choreomania. Het is een docentendroom die altijd een nachtemerrieachtige rand zal behouden: een nieuwe generatie die de fakkel overneemt. Ingvartsen toont zich een genereuze en oprechte docent in de keuze om een afstudeerproject met alle studenten samen te maken én hun dans gunstig te laten communiceren met haar eigen oudere werk. De voorstelling mag dan niet zo manisch zijn als de titel doet vermoeden, de anti-concurrentielogica waarop de choreografie is gestoeld, heeft wel degelijk een genezende werking op het danswezen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.