Paul Corthouts

Leestijd 3 — 6 minuten

Tewerkstellingsimpulsen in de culturele sector

Een sociaal statuut als motor voor de tewerkstelling van artiesten

Sinds enige tijd doet de overheid verhoogde inspanningen om de werkgelegenheid aan te zwengelen. De basisidee van dit beleidsstandpunt is dat het inkomen uit arbeid in eerste instantie wordt gebruikt om te consumeren. Een verhoging van de gemiddelde koopkracht is bijgevolg een indirecte investering in het economische circuit. En dat blijkt nodig in tijden van recessie. Vandaar dat de bewindslieden niet aarzelen om een deel van het gemeenschapsgeld – lees belastinggeld – aan te wenden om werkgevers ertoe aan te zetten meer arbeidskrachten aan te werven.

In de laatste dagen van 1993 nam de Vlaamse Regering, in het kader van het Globaal Plan, het initiatief om bij de overheid en in de gesubsidieerde niet-commerciële sector een Jeugdwerkgarantieplan voor jonge werklozen te lanceren. Dit project, dat wellicht vijf jaren zal lopen, gaat om een vorm van tijdelijke tewerkstelling, beperkt tot één jaar per tewerkgesteld persoon.

Om voor dit programma in aanmerking komen, dienen de jongeren ten minste twee jaar uitkeringsgerechtigd volledig werkloos te zijn en jonger dan 25 jaar. Het gaat dus voornamelijk om jongeren met een laag opleidingsniveau. De werkgever ontvangt voor deze tewerkstelling een loonsubsidie van 42.000,-Bfr. per maand. Hij is gehouden het gewaarborgd minimum maandinkomen uit te betalen, zoals dat bepaald wordt in de Collectieve Arbeidsovereenkomsten die van toepassing zijn. De werkgever is verder wel vrijgesteld van de patronale bijdrage. Daarnaast verbindt hij er zich toe een verzekering af te sluiten tegen arbeidsongevallen en de bijdrage voor het betaald educatief verlof, de loonmatigingsbijdrage en het jaarlijks vakantiegeld te betalen. Deze verplichtingen komen neer op een eigen financiële inbreng van zowat 100.000,- Bfr. op jaarbasis. Daarnaast verzorgt de werkgever ook een soort opleiding die het de werknemer mogelijk moet maken zich opnieuw in de arbeidsmarkt te integreren.

Ronde-tafel

Deze regeling is niet zonder belang nu er steeds vaker geroepen wordt om een vermindering van de zware loonkost. Eén van de meest gehoorde voorstellen in dit verband luidt dat de financiering van de sociale zekerheid moet losgekoppeld worden van de concrete arbeidssituatie en moet gevonden worden in een algemene bijdrage van de burgers; de sociale zekerheid dus betaald met belastinggeld. Dit is geen oneerbare stelling in een maatschappij die het recht op arbeid naar voor schuift als een belangrijk persoonlijkheidsrecht.

Het systeem van de gesubsidieerde sociale zekerheid, ooit aangezet met de Maribel-regelingen, wordt nu klaarblijkelijk zonder veel tegenkanting geïntensifieerd in die economische deelgebieden waarvan het functioneren toch reeds voornamelijk bekostigd wordt door de bevolking. Sinds jaar en dag wordt er gesteld dat bepaalde sectoren – onder andere de culturele – zo belangrijk zijn voor het functioneren van een samenleving dat een groot deel van de kostprijs ervan gedragen moet worden door de gehele bevolking. Nu gaat men een stap verder. De specifieke potentie aan tewerkstellingsmogelijkheden binnen deze sectoren wordt onderkend en er wordt geoordeeld dat de sociale lasten er rechtstreeks kunnen betaald worden door de gemeenschap.

Het hogervermeld principe krijgt met het Jeugdgarantieplan dus een geprofileerde toepassing in – onder andere – de artistieke sector. Het is wel jammer dat het enkel gaat om duidelijk niet-artistieke functies. Het is echter verre van ondenkbaar dat het slechts een eerste stap is in een belangrijke omwenteling van het sociale-zekerheidsdossier. De idee is alleszins terug te vinden in het ronde-tafelvoorstel dat door André Nayer en Suzanne Capiau, twee vorsers van het CERP, een onderzoeksinstituut verbonden aan de ULB, samen met heel wat kunstenaars uit Vlaanderen, Wallonië en Brussel werd uitgewerkt.

Deze ronde-tafel stelt voor de patronale bijdrage voor alle artiesten te laten betalen door de ondernemingen en instellingen die te maken hebben met produk-tie en/of exploitatie van kunstwerken. Het gaat dus niet alleen om kunstencentra of gezelschappen maar ook om kunstgaleries, uitgeverijen en zelfs grootwarenhuizen of vervoermaatschappijen die achtergrondmuziek draaien.

Het gevolg is dat de financieringslast over een veel bredere sector wordt gespreid dan nu het geval is. Momenteel zijn enkel de producenten die artiesten in dienst hebben verantwoordelijk voor de financiering van de sociale zekerheid. Zij betalen nu zowat 33% op het brutoloon. In een voorlopige studie werd berekend dat het voor het ronde-tafelvoorstel volstaat dat de betrokken ondernemingen 0,2% van hun jaaromzet zouden overdragen aan de sociale zekerheidskas.

Het voorstel heeft als interessant neveneffect dat, met een zelfde subsidiebedrag, de eigenlijke kunstproducenten plots merkelijk een groter artistiek budget ter beschikking hebben en dus meer artiesten kunnen tewerkstellen. Pittig detail is dat op die manier indirect federale middelen worden vergaard voor een materie die de gemeenschappen aanbelangt. En dat is iets wat onze Vlaamse bewindslieden zeker graag zullen horen.

Een goed uitgewerkt sociaal regelenge-heel voor kunstenaars, gekoppeld aan een baanbrekende financieringswijze, zorgt niet alleen voor een normale, aangepaste sociale zekerheid. Het kan er ook toe leiden dat meer artiesten aan de slag kunnen. En daar is onze samenleving zeker mee gebaat.

 

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#44

15.02.1994

14.05.1994

Paul Corthouts

artikel