Leestijd 6 — 9 minuten

Testament van een journalist – Action Zoo Humain

Etcetera @ TAZ #1: De oude witte man te kijk

Biografisch theater is er in alle maten en gewichten. Maar zo vernuftig als Testament van een journalist, een apologie van/voor Hugo Camps, is het nog niet vaak vertoond: kijken we naar een kwetsbaar eerbetoon, een ijdel zelfportret of toch een regelrechte afrekening? We kijken naar de perfectionering van Chokri Ben Chikha’s jarenlange zoektocht naar de beste mélange tussen fictie en realiteit.

De ware kunst van het portret is het kader. In Gent creëert de middeleeuwse refter van de Sint-Baafsabdij zoveel extra betekenis dat elke volgende locatie voor Testament van een journalist er meteen afbreuk aan dreigt te doen: in Oostende wordt het een koele loods, in Groot-Bijgaarden de onttakelde werf van de vroegere redactie van De Standaard. Hier in deze historische kapel wordt elk woord, zodra gesproken, vanzelf gewijd. En daardoor werkt ook elke tegenstem spontaan ontheiligend. Aan welke kamp zal Hugo worden onderworpen? 

Op zich voelt het natuurlijk vreemd om zo’n antiklerikaal icoon als Camps te zien aanschuiven aan een Laatste Avondmaal onder een lijdende Christus. Verketteren doet hij al wat nog maar ruikt naar paaps. Compenseert hij daarmee zijn jeugd in een internaat met grijpgrage paters? ‘De enige katholiek die deugt, is Dom Hélder Câmara’, beweert Camps in de voorstelling. Maar finaal is ook zijn spreken een vorm van preken, treedt hij op als hogepriester van het woord. Deze kerk kleedt hem in feite als gegoten. Prachtig sterft de goddelijke galm van zijn waarheden weg tussen de antieke grafstenen aan weerszijden van de kapel. 

De kunst van dit kader is dat het zelfs van zijn simpele zitten vanzelf een beeltenis maakt. Messias zonder apostelen. Groot heerschap klein en krom onder de hoge spanten van de geschiedenis. Schim tussen de schimmen. Steve Stevaert, Wilfried Martens, Jean-Luc Dehaene: zij waren het aan wie Camps als gevreesd columnist en interviewer zijn status te danken heeft. Allemaal liggen ze nu onder de zoden. Wat rest er tussen hun zerken nog van al zijn eigen werken? Bij de jongste generatie vallen hun namen op een koude steen.

Uitgedoofde ster?

Nee, Hugo Camps zit niet zelf op het podium. Het is Bert Luppes die hem speelt. Zijn hoge voorhoofd, de omwallingen rond zijn priemende blik, zijn vlekkeloze Nederlands: de gelijkenis is treffend. Achter een looprekje komt hij van achteren in de kerk naar voren schuifelen. Het duurt een heel leven voor hij neerzijgt achter de tafel die daar rijkelijk voor hem is gedekt. Met lege borden, lege glazen, een klein leger aan bestek. ‘Waarom is mijn vrouw er nog niet? En mijn dochters?’ In stilte, wel met een choreografietje, zullen alle borden algauw weer worden afgeruimd. Ook de stoelen blijven leeg, alleen de wijn vloeit vol. Lijden is van alle tijden. En Luppes wuift het prachtig weg. 

Alles aan Testament van een journalist is enscenering, wel tot de derde graad. In de refter van Sint-Baafs is voor deze avond een privé-restaurant opgetrokken, door een onderneming die ceremoniemeester Maxime Waladi aan het publiek presenteert als een droomfabriek voor wie ervoor betaalt. Vandaag staat alles in het gelid voor Camps’ laatste wens: nog één keer een copieus maal onder kameraden (of maatjes?), om een paar laatste punten op de i van zijn integriteit te zetten. ‘Ik smijt alles over de balk, de laatste rest van mijn spaargeld, alles wat ik heb, mijn hele leven.’ Een gloriemoment moet zijn enscenering worden, maar scène per scène verbrokkelt ze tot galgenmaal. Zonder pers of cameraploeg rest voor Camps’ welluidende ontboezemingen slechts de smartphone van Maxime. ‘Staat het erop?’ 

Ook de ware enscenering, die van Ben Chikha, is niet voor één gat te vangen. Vooraf kondigde Testament van een journalist zich aan als een afscheid van de journalistiek. In de praktijk wordt daar slechts vluchtig even langs geswipet, in amper meer dan snelle flitsen. Meer en meer wordt duidelijk dat Hugo Camps hier niet het medium, maar het eigenlijke item is. Zijn bourgondische aanleg, zijn afkeer van de Kerk. Zijn stille tweelingzus, zijn verwaarloosde kroost. Maar bovenal de beroemde vrouwen waarvan hij het diepe verdriet in eenzame hotelkamers in zijn binnenzak kreeg. Van Dalida tot Brigitte Bardot: ‘Wat mij helpt, is mijn gave om te bewonderen.’ Hoe royaler zijn heldendaden weerklinken, hoe meer benepen zijn zelfbeschouwing overkomt. Luppes en Ben Chikha laten hun onderwerp stralen door daarrond de duisternis op te trekken. Als een uitgedoofde ster. 

Koketteren met kwetsuren

Biografisch theater bij leven, het blijft een spannend gebeuren. Ooit maakte Bart Meuleman van Martens een missionaris, en zette Josse De Pauw in Sulla en de mus criticus Wim Van Gansbeke als zichzelf in een bedoeïentent. Kwetsbaarheid is van die levende portretten de code: achter het pantser de pijnpunten blootleggen. De onmacht van de macht. De blessures. De twijfel. De fouten. De spijt. Het maakt van het betrokken boegbeeld weer een mens, en doorgaans stérkt dat alleen maar de bewondering in de zaal. In biografisch theater is breken de mooiste vorm van bouwen. Geschonden coryfeeën voelen extra waar. 

In Testament van een journalist ligt het zoveel complexer. Ook hier toont Camps zich bewust van zijn gebreken, ontheiligt hij zichzelf. ‘Ik ben de knecht, de nar, de dienaar.’ Hij zegt dat hij niemand was, niemand is en nooit iemand zal zijn. Maar je nederigheid en bescheidenheid in het zonnetje zetten, en je weerzin voor zichtbaarheid benadrukken op je eigen feestje, is dat met je kwetsbaarheid niet net koketteren? 

Het antwoord is een nieuwe vraag: van wie is deze voorstelling eigenlijk? De clou én de complexiteit ervan is dat ze samen is gemaakt. Oorspronkelijk kreeg Chokri Ben Chikha het voorstel (en een aardige coproductiesom) van advocaat Walter Van Steenbrugge om een werk te maken over mensenrechten, op tekst van Hugo Camps. Zelf wilde de voorman van Action Zoo Humain liever iets maken over de journalist zélf. Vele gesprekken in Knokke volgden, en met dat materiaal ging auteur Erik-Ward Geerlings verder aan de slag. Wat er gezegd wordt op scène, is van hem én van Camps, maar dan in Ben Chikha’s kader, mét verzekerde carte blanche. Alles werd wel met Camps teruggekoppeld. Alles goedgekeurd, dat niet. 

En zo komen we bij de derde laag van de enscenering: ingesproken rechtzettingen van Hugo zelf op video, ingevoegd doorheen de voorstelling, als terechtwijzingen aan de speler die hem vertolkt. Die titanenstrijd tussen Camps en Luppes, tussen personage en acteur, tussen realiteit en spel, levert de meest ingenieuze momenten van de avond op. Ze gunnen het Camps om onbemiddeld zijn integriteit en waarheid terug te winnen, maar maken van zijn korte video-interventies tegelijk ook gemankeerde dialogen, onverstoorbaar doordravende monologen zonder tegenspraak. 

Spiegel in splinters

Spitsroeden lopen is het, op het hoogste niveau. Tussen erkentelijkheid en ironie, loflied en vereffening, zelfbevestiging en zelfbevestiging. Op alle lagen zien we het mechanisme onthuld van hoe mensen zichzelf extra zichtbaar maken door zich te laven aan het licht van een nog grotere ster. Parasiteren, toont deze creatie, is de kunst van geven en nemen. Van zwijgen en glimlachen en dan ongenadig toeslaan. Weloverwogen theater levert het op, waar wellicht zowel Camps’ kameraden als zijn criticasters hun gelijk én hun ontroering in kunnen vinden. 

En toch is misschien niet Camps het middelpunt van dit testament, wel de twee satellieten die rond Luppes over de scène cirkelen. Alleen al in de eeuwige glimlach van Maxime Waladi bij alle beschouwingen ligt de hele voorstelling besloten: tegelijk serviel, genereus én grijnzend. ‘Ontspan maar, Hugo. De verzuiling is voorbij.’ Steeds explicieter wisselt zijn ingehouden ironie voor wat hij er echt van denkt: ‘Elke keer opnieuw dat zelfmedelijden, gij kickt daarop.’ 

En dan is er ook nog stagiair-opdienster Manou Selhorst. Camps/Luppes toast op haar schoonheid, flirt met haar stilzwijgen, reikt zelfs zijn poten naar haar uit, maar vergeet wel steeds haar naam. Tot ze met de hakken achteruit terugslaat in een scène met de kracht van de vernedering die de flirterige Berlusconi oploopt in Paolo Sorrentino’s meesterlijke film Loro (2018). Manou en Maxime houden dit mannelijke zelfportret een vervaarlijke spiegel voor. Uiteindelijk gaat hij in splinters tegen de grond. 

Als dit testament dus ergens het einde van bezingt, dan is het niet van Camps, niet van de journalistiek, maar van de oude witte man tout court. Zijn hoge woord, zijn intellectuele vertoon, zijn herhaalde anekdotes, zijn geprivilegieerde netwerk, zijn zelfingenomenheid, het dure glas wijn dat hij heft op gelijkheid, zijn gekwispel rond jong vrouwelijk schoon, zijn moeite met grenzen aan zijn vrijheid, zijn diepe angst voor verlies en fysieke aftakeling, zijn blinde vlek voor machtsongelijkheid, zijn slachtofferschap als hij er toch op aangesproken wordt… Waar veel andere makers die witte man van de scène schuiven voor andere stemmen en verhalen, plant Ben Chikha hem nogmaals pontificaal in de spotlights, om dan de pedestal onder zijn standbeeld af te graven. Tegelijk gebeurt het nergens met rode kladverf, nooit met de botte bijl. Hugo Camps krijgt zelfs het laatste woord: over de dood. Staande wil hij ten onder gaan. De witte man op zijn best.  

Dat het allemaal zo knap ineen klikt, is vooral een verdienste van de gekozen vorm. Sinds jaar en dag zoekt Action Zoo Humain voorbij de klassieke theatercode naar geloofwaardige andere formats voor zijn favoriete spel met realiteit en actualiteit. Van een waarheidscommissie tot een panelgesprek in de tv-studio, van een sightseeing tour langs Turkse ondernemers tot een crowdfundingsactie voor ‘Artiesten Zonder Grenzen’. Hoe het doen voorkomen alsof het echt is? Die ambitie bleek nooit een sinecure: hoe minder theater vele creaties wilden lijken, hoe sterker hun gespeelde theatraliteit de aandacht trok door de naden van de ontkenning. 

Hier, in Testament van een journalist, kiest Chokri Ben Chikha voor de omgekeerde weg. Het theater zet zijn eigen theatraliteit te kijk. Personages ontmaskeren zichzelf als acteurs, acteurs gaan onder elkaar kissebissen, ook de man aan de knoppen gaat mee in het bad. Steeds meer ontmantelen alle (zelf)ensceneringen in de voorstelling elkaar tot wat ze zijn: gespeeld, gepland, op en top theater. En zoals wel vaker in metatheater maakt juist die brechtiaanse deconstructie het geheel net natuurlijker, realistischer, eerlijker. Én meer zelfkritisch. Zelfs het publiek en de regie blijven uiteindelijk niet gespaard van de kritiek die Camps voor de voeten krijgt. Allemaal zitten we tegen het slot met boter op het hoofd. Wie zijn wij dan om de oude witte man ten grave te dragen? 

Sterke voorstellingen herken je aan waar het foyergesprek achteraf over gaat. Hier gaat het veel minder over de vertoonde prestatie dan over haar onderwerp: Hugo Camps en waar hij voor staat, Vlaanderen en wat het mist, het verglijden van de tijden. Meesters en hun werk: wat is het fijn even te verwijlen in hun schijn. Zeker als die schijn zelf wordt uitgelicht.

Van 4 tot 7 augustus op Theater Aan Zee, Oostende.
Van 19 tot 21 augustus via CC Westrand, Dilbeek / Groot-Bijgaarden.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#164

01.06.2021

02.09.2021

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist, dramaturg en docent aan het Conservatorium Antwerpen. Hij richtte cultuurtijdschrift rekto:verso en burgerbeweging Hart Boven Hard mee op.

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!