Tone Brulin

Leestijd 7 — 10 minuten

TERUG NAAR DE BRON

Tone Brulin over zijn ‘afwijkende regie’ in 1955. Een Kongo-stuk dat van de affiche verdween.

In 1955 had ik een contract als regisseur bij de Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel. Er stond een stuk van Jos Janssen, de populaire auteur van De klucht van den braven moordenaar, op het repertoire. Het heette Terug naar de bron en was geschreven in samenwerking met zijn broer Edmond, een koloniaal.

Met veel nostalgie denken de kolonialen aan de goede oude tijd. Toen was het nog rustig in de Kongo. Of beter: door geen ruchtbaarheid te geven aan feiten van sociale onrust leefde men comfortabel met het gezegde: ‘wat niet weet, wat niet deert’. Het moet een hooggeplaatste Belg geweest zijn, die toen het systeem van ‘évolués’ had uitgevonden. Met évolués werden negers aangeduid die ergens halfweg stonden tussen apen en volwaardige personen. (…) In het stuk van Jos en Edmond kon men zien hoe zo’n specimen van évolué de hoop van zijn weldoener, administratie en missie, de kop indrukt. Hij volgt de raad van de dorpstovenaar op en steekt de boel in de fik. Deze toekomstvisie verborg een zedenles in de aard van: ‘Past op, blanken, onze beste bedoelingen gaan de mist in. De bril van zo’n geleerde neger is vaak van ongeslepen glas. De koffer die hij draagt is meestal Leeg. Hij heeft soms een fijngesneden pak uit Parijs aan, maar trek zijn hemd uit en op zijn blote borst zal je amuletten van een voorvaderlijk bijgeloof ontdekken.’

Evolués werden gevaarlijk geacht, vooral als leden van geheime genootschappen onder de Leiding van een politiek messias, speelbal van het internationaal communisme. Voorbeelden: het Kibangisme, de Mau-Mau(en later) het Mulelisme. Maar het bleken halve waarheden met keerzijden.

Jos en Edmond Janssen uitten de gerechtigde vrees van hun klasse, simplistisch als de tekenstrips van Kuifje. In een afgeronde poging weer waar. Maar hermetisch gesloten voor universele denkpatronen.

Nochtans hadden de broers het boekje Bantoe Filosofie van hun generatiegenoot Placide Tempels moeten kennen. Het bewees dat het zogenaamde bijgeloof van de Afrikaan steunde op een geordende levensvisie. Met een westerse logica is de bantoe niet te bewegen. Wij moeten hem onze levensstijl niet opdringen. Pater Tempels werd voor deze zienswijze destijds verketterd, maar inmiddels is zijn boek onontbeerlijk geworden in elke Afrikaanse bibliotheek.

In 1955 woei de wind al uit een andere hoek. Er werd gezegd: ‘Eindelijk eens een actueel Kongo-stuk op de Vlaamse planken.’ Men vond dat wij ook op dat punt bij de Nederlanders ten achter stonden. Nu zouden we dat verzuim inhalen. Maar jammer genoeg kwam Terug naar de bron veel te laat. En bovendien op een ongelegen moment. Na de première voerde directeur De Ruyter een lang gesprek met iemand aan de telefoon, waarna het stuk zonder pardon van het repertoire verdween.

De voorbereidingen van Terug naar de bron hadden een zestal weken in beslag genomen. Veel van die tijd werd in de bibliotheken van de missies doorgebracht. Verschillende Kongo-reizigers werden gehoord. Vrij snel was er een inzicht gegroeid om terzake een duidelijk standpunt in te nemen. Dat klopte uiteindelijk geenszins met de visie van de twee schrijvers. Wat wisten wij van de Kongo? Op school was men beknopt over de kolonie. De kranten hielden ons eveneens opzettelijk dom. (…) Wij gingen als jongetjes van tien kijken naar zwarte Jef die op de Vogelenmarkt te Antwerpen omwille van zijn huidskleur een attractie was. Er liep ook nog een blindgeslagen Amerikaanse bokser te bedelen in de sandwichbars aan het Centraal Station. Ziedaar de samenvatting van onze Afrika-kennis.

Gelukkig was er iets meer. De stem van het volk. De man in de straat. Door het opvangen van flarden van gesprekken kon je weten dat hij raadde wat er gebeurde. Dat hij het nooit eens is geweest met de roof politiek van Leopold II. Mijn grootvader, die vroeger nog met wit zand geleurd heeft, zei eens, toen het onderwerp ter sprake kwam: ‘Er zijn te veel misbruiken. Ze worden er in onze naam gepleegd. Men moet de Kongolezen met rust laten.'(…)

De plotselinge en bijna gedwongen verheldering die samenviel met een groeiende rijpheid leidde ook tot een gevoel van schaamte. In een flits keek ik terug naar het jaar dat ik achter me had gelaten. De campus van de universiteit van Wisconsin waar de nieuwe Fulbright-studenten op een party waren uitgenodigd. Jonge negers vroegen me waarom de Belgen de Kongolezen onderdrukten. Ik heb toen iets gestotterd van: ‘dat de zwarten intellectueel nog niet op het peil stonden van de Amerikaanse neger, maar dat het al in de goede richting ging na het invoeren van de “carte d’évolué”.’ Het is me in de bibliotheken van de missionarissen pas gaan dagen. Ik begreep opeens waarom de negermeisjes weigerden met mij te dansen. Ze hielden me voor een domme jongen. En gelijk hadden ze.

De voorstudie van de regie Terug naar de bron had iets in beweging gebracht dat zich door het veranderende klimaat van die dagen snel ontwikkelde. Iedereen voelde de druk op de gedachtenwereld, de ommezwaai die werd voorbereid. En toch wilde men nog niet openlijk toegeven dat de dagen van de Belgen op de evenaar geteld waren. Men gaf slechts schoorvoetend toe dat er geen infrastructuur, geen beroepskader, geen administratief kader bestond. En het meest wraakroepende: geen enkele academicus. België was op alle punten te kort geschoten. Het moest het veld ruimen voor een nieuwe fase van kapitalistische plundering. Die van de grootmachten. De grondstof voor de fabricage van de eerste atoombom kwam uit Kongo. Dit land was van enorm belang voor het Westen. (…)

De wereldtentoonstelling (van 1958) had er (ook) voor gezorgd dat de teugels inzake immigratie losser werden. Stilaan kwam er een einde aan de absolute en strenge immigratiewetgeving die erover waakte dat geen enkele Kongolees het Belgisch grondgebied betrad. Toen ze er eenmaal waren, bleven de brave burgers ze in drommen op het voetpad nagapen. Zwarte Jef in meervoud. En in uniform.

Bababoudila was een uitzondering op de regel. Hij was een Kongolees met een lange ambtenaarscarrière bij één van de Brusselse randgemeenten. Hij had door het voorzichtig openen van de grenzen een folkloristische groep kunnen samenstellen. Die vergezelde journalist Bernard Henry, zelf een oudkoloniaal, op spreekbeurten door het Vlaamse land heen. Dit mensen-materiaal zou het authentieke, het ‘echte’ in de mise-en-scène van Terug naar de bron waarborgen. Ik had nog nooit eerder met mensen van een andere cultuur gewerkt.

In het groepje bezat er geen enkele een ‘carte d’évolué’. Dat wil zeggen dat ze voor de administratie nog niet eens aan het vernisje van de beschaving toe waren. Het waren simpele mensen die kennelijk geen raad wisten met schoenen en overjassen. De dag van de kennismaking heerste er een ongewoon animo in de foyer. De acteurs van het gezelschap staken grinnikend hun hoofden naar binnen om even te luisteren naar hoogoplopend gepalaver over de financiële regeling. Ze liepen spotlachend weg. Dat was de houding in die dagen. Men vond het gebeuren eigenlijk te gek.

Er werd een lijst met namen opgesteld. Dat bleek na enkele dagen overbodig, vermits er toch elke dag andere gezichten op de repetities verschenen. Men ging zich tevreden stellen met het aantal te kennen. Maar ook dat varieerde. Vervolgens begon men de taken te verdelen. Maar ook deze allernoodzakelijkste discipline kon niet gehandhaafd worden. Ik moest me gewonnen geven. Men had er mij voor gewaarschuwd. De Kongolezen en wij leefden in twee werelden zonder raakpunten. De kennis van eenzelfde woordenschat bracht zelden uitkomst. Er dienden andere middelen gevonden om elkaar te begrijpen. (…)

Wellicht ben ik toen al begonnen met wat men beroepsmatigheid noemde als ballast over boord te gooien. De ballast van de vastgestelde normen en de afgebakende terreinen. Mijn vertrouwdheid met het surrealisme en begrip voor het irrationele hebben zeker geholpen. Ik leerde vertrouwen op intuïtie zodra ik voelde dat langs die weg de communicatie sneller verliep. Ik begon zelfs een voorliefde te ontwikkelen voor de vaagheden en de à-peu-près die na verloop van tijd zijn gaan behoren tot een arsenaal van geplogenheden, een vertrouwde manier van werken. Ik kreeg houvast aan wat de buitenwereld uit onbegrip beschouwde als een troepje knoeiers. Ik werd onweerstaanbaar aangetrokken tot het naïeve.

Wat mij bij de première trof was een pathetisch, maar echt spel dat in mijn ogen niets meer te maken had met het stuk van Jos en Edmond Janssen. Het was iets dat nieuwe mogelijkheden toonde. Er was een andere wereld bloot gekomen. Een wereld, nog in het bezit van krachten die wij verloren hadden. De krachten van de oprechte lach en de heilige woede. De krachten van eenvoud en weerloosheid.

Uit de confrontatie met de leden van de groep van Bababoudila is mijn stuk Potopot ontstaan. Als reactie op het gekunstelde van Terug naar de bron en zijn nare oppervlakkigheid. Het was een poging om te werken met bekende gegevens in de richting van echte problemen. Potopot had één van mijn Kongolese figuranten kunnen zijn. De dwangmatigheid van ons denken wil hem vernietigen. Pas je aan of sterf. Het stuk zou gepubliceerd worden in het te Leopoldstad verschijnende tijdschrift Zuiderkruis en de opvoering enkele jaren later door het Nederlands Kamertoneel zou voor het eerst een neger-acteur in Vlaanderen openbaren: Clive Farell. De geschokte bewustwording van meneer Beulemans die zo snel mogelijk het verstoorde evenwicht hoorde te herstellen had voor het toneelleven in België ook onverwachte gevolgen. Er werden nu in de kolonie in allerijl een aantal activiteiten uit de grond gestampt om de indruk te wekken dat men het noodsignaal had begrepen en er wat aan ging doen. (…)

Er werden nu jaarlijkse tournees naar de Kongo georganiseerd. Eerst voor de Franstalige gezelschappen. Daarna – terwille van de pariteit – ook voor de Vlaamse. Deze tournees breidden zich onverhoopt op wonderlijke wijze uit tot in het land van Oom Krüger. Het waren voor een klein land als België gedurfde culturele ondernemingen. Maar zo min als hun Franstalige collega’s traden de Vlaamse gezelschappen op voor de Kongolezen. Ze speelden er voor hun taalgenoten van de Vlaamse vriendenkringen. Deze clubs keken uit naar dit jaarlijkse evenement als naar een sociale opkikker. (…) De innovatie van ‘les spectacles populaires’ (volksspelen ingericht om de verstoorde gemoederen te bedaren) is wel het vermelden waard. Maurice Huisman (die later directeur van de Muntsschouwburg zou worden) had zowel Nederlandstalige als Franstalige teams naar de Kongo gestuurd om plaatselijk talent klaar te stomen voor shows vol natuurlijk en bruisend Afrikaans talent die hand in hand gingen met westerse hypocrisie. (…) De hoofdsteden van Kongo begonnen te trillen van tam tam, dans en gezang. De plaatselijke culturen, omgedoopt tot folklore, floreerden. De Europeaan bracht de cultuur van de Afrikaan aan de oppervlakte, vrij onverwacht. (…)

Een prachtig programma, zoals dat door Jean Marc Landien was samengesteld, openbaarde echter een wereld van ongekend potentieel. Men weet nu tenminste welke schatten van zang en dans verloren zijn. Het trieste schouwspel van de Kongo heeft alle facetten vertoond. Alle stijlen werden er beoefend. Het meest de bloedige grand-guignol. Hoewel ik er later nog ben teruggekeerd, heb ik de grootste tragedie niet meer meegemaakt. Wél de operette-scène van een generaal die te Brussel voor een monument een krans legde met de historische woorden (in vrije vertaling): ‘Sire, ze hebben uw Kongo verloederd.’ Dat deze verloedering het prachtige werk is geweest van de ‘Belgische beschaving’ die hij diende, ontging hem totaal.

Het groepje in vuile lappen gewikkelde wezens die in Bakwanga onze decors versleepte op bevel van officieren, heeft wraak genomen. Het groepje gevangenen in Ka-tanga dat er met wezenloze gezichten bijstond wanneer we ons schminkten voor de voorstelling, die niet voor hen bestemd was, heeft wraak genomen. De zwarte boy in de officiers-kantine die ons bediende; de prostituée die op de hoteldeur klopte; de taxichauffeur die stopte; de jongetjes met de gezwollen buikjes die naast ons bedelden en zonder iets werden weggestuurd; de neger die door een blanke met een biljartkeu op het hoofd werd geslagen; de dienstbode die suiker had gestolen; zij allen hebben zich herhaaldelijk op ons gewroken.

En je kan ze niet eens ongelijk geven. Wij -met ons theater – hadden er niets te maken.

Uit ‘Dramatisch Akkoord 14’, 1981

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#73

15.10.2000

14.01.2001

Tone Brulin