Myzone Farwest GILLES DUVIVIER EN ESTELA ZUTIC, AER/DANS IN KORTRIJK/PLESNI TEATER LJUBLJANA) FOTO: WOUTER REYNAERT

Elke Van Campenhout

Leestijd 7 — 10 minuten

Terug naar de bron, terug naar de kunstenaar: Dans@ttack (kortrijk)

Er zijn festivals en festivals. Sommige worden geboren uit noodzaak. Omdat het cultuurhuis geen blijf weet met de voortdurende aanstroom van jonge choreografen en kunstenaars die om artistieke, financiële of logistieke redenen niet in de jaarprogrammering konden worden opgenomen. Sommige ontstaan om goede redenen, exterieur aan de kunstenaar. Omdat het huis, de stad of de organisatie in kwestie behoefte heeft aan een gevisualiseerde dubbeldruk van zijn of haar profilering. Sommige bestaan omdat ze dat altijd al gedaan hebben en niemand de aandrang voelt een knuppel te gooien in een ogenschijnlijk ongevaarlijk hoenderhok.

Weinige festivals, parcours, themaweken of laboratoriumresidenties vinden echter de weg terug naar waar het allemaal begonnen is: bij de kunstenaar zelf en diens behoefte aan een aangepaste ruimte, agenda en ondersteuning. De keuze van de programmator om het publiek te confronteren met het werkproces van de choreograaf, een sensualistische meerwaarde te creëren door een afgelegde weg in de stad, het huis of de lokale hoerenwijk, of jonge kunstenaars in een miniformat te drukken, mag dan wel verrijkend zijn voor het aanbod van de consument en de verkoper, maar is het nog niet noodzakelijk voor de maker zelf.

Natuurlijk is er de vraag vanuit een deel van de nieuwe generatie choreografen naar alternatieve ruimtes en nieuwe verhoudingen met het publiek, en op die vraag wordt ook gretig ingepikt. Maar wat is mogelijk, wat noodzakelijk? Zoals Steven De Belder in de vorige Etcetem al aangaf is het laboratori-umformat niet voor elke kunstenaar even gunstig. Sommigen floreren onder dit regime, anderen kunnen er geen kant mee uit. Net zomin als de lijn van de ‘spectac-tor’-voorstelling, die het publiek tot actieve actor in het performanceproces bombardeert, voor de jonge choreograaf de enige valabele ingang tot het theatrale domein zou zijn. En net zomin als het inschakelen van tijdelijke themaprojecten de leemte kan verdoezelen die het opgelegde productiege-richte beleid van de kunstencentra en cultuurhuizen veroorzaakt.

Wat ontbreekt is doorstroming. In tijd en ruimte. Een festival heeft behoefte aan een doorgezette jaarwerking. In al hun hectische chaos en geconcentreerde energie zijn de festivals vaak broeinesten van creativiteit en uitwisseling. Tussen kunstenaars onderling, maar ook tussen de makers en het (professionele) publiek. Vanuit die aanzet zou de ruimte moeten worden opengehouden voor een voortgezet parcours, waarin deze energie zich kan kanaliseren. Anderzijds is er ook aandacht nodig voor een ruimtelijke uitstraling van het festival. Dit vraagt een inspanning van de professionele toeschouwer, om de platgetreden paden van de internationaal doodgeknuffelde kunstenaars te verlaten, en opnieuw te vertrouwen op de eigen intuïtie. Alleen zo kan er gewerkt worden aan een gediversifieerd, antagonistisch landschap, waarin niet alleen de kunstcorrecte maker verzekerd is van een plaatsje op het podium, aka loods, raffinerie of opgeknapte boerenschuur.

In Dans@Tack vindt een aantal van deze bekommernissen een antwoord. Meer dan een festival is Dans@Tack een regelmatig weerkerend culminatiepunt van de algehele werking die in de provinciestad Kortrijk rond de Tacktoren wordt gecreëerd. Ruimtelijk bevindt dit festival zich op een interessante plek, omdat het zich ver houdt van elke tendentieuze onderstroom en bijgevolg een open ruimte creëert voor ontmoeting en discussie. De choreografen die zich tot Dans in Kortrijk richten met de vraag tot residentie, verblijven meestal lange tijd op dezelfde plaats, worden gelogeerd in hetzelfde huis en delen de studio’s van de Tacktoren. Niet gericht op het uitbouwen van een afgelijnd profiel, maar op het verwelkomen van de artistieke impuls, biedt Dans in Kortrijk werkruimte aan kunstenaars die nood hebben aan reflectie en onderzoek.

Het regelmatig weerkerende festival Dans@Tack biedt de makers desgewenst een podium. Deze werkwijze leidde in december tot een even interessant als uiteenlopend aanbod.

Davis Freeman creëerde in een Kortrijks herenhuis Too shy to stare. Zeven kamers werden ingericht met het oog op een individuele odyssee van de toeschouwer doorheen herinnering, tijd, identiteit en (letterlijke) reflectie. Het publiek krijgt bij aanvang kaartjes die toegang verschaffen tot de verschillende ruimtes en het voor de performers ook mogelijk maken de kijker op voorhand te identificeren. Er worden slechts tien toeschouwers toegelaten per voorstelling. Voorafgaand aan de voorstellingsdag laten zij een foto van zichzelf maken. Die afspraak met de fotograaf maakt dat de voorstelling al eerder aanvangt dan de avond zelf.

Freeman ging voor het gebruik van de foto’s uit van een boeddhistische oefening, waarbij je gevraagd wordt net zo lang in een spiegel te kijken tot je reflectie niet meer jezelf weerspiegelt, maar de ander in jezelf. Omdat het werken met spiegelende maskers praktisch niet haalbaar bleek, werd geopteerd voor foto’s, hetgeen een interessant element toevoegt aan je ervaring als toeschouwer. Niet alleen word je met jezelf geconfronteerd, maar ook met de zelf die je was op het moment dat de foto werd genomen. Niet alleen ben je zelf aanwezig en krijg je jezelf als Ander te zien in de act van de performers, maar bovendien is die Ander ook in tijd van je gescheiden. Heden en verleden, inferioriteit en exterio-riteit lopen naadloos in elkaar over en bevorderen een verregaande emotie van grondeloosheid. Wat je ziet is een glimp van wat Davis zelf ‘evaporated time’ noemt. Een momentopname uit een overvloed van verleden beelden, dat nu even weer tot leven komt. Die iemand die je nooit meer zal zijn.

In elk van de kamers komt een ander aspect naar voren. Je zou de opgeworpen vragen kunnen afdoen als meditaties rond seksuele identiteit, persoonlijke geschiedenis, verlangen, afscheid. Daarmee ga je echter voorbij aan de enorme persoonlijke impact die de voorstelling op elk van de toeschouwers heeft. De Ander met het masker wordt algauw een canvas voor je eigen verlangens. Elke toeschouwer creëert zijn eigen verhaal, komt zichzelf tegen in de veruitwendiging van zijn eigen fantasieën. In de Memory Room wordt de toeschouwer geconfronteerd met een aantal foto’s: onbekende mensen, plaatsen, gebeurtenissen. In het centrum van deze geschiedenis word je zelf ingeschoven, relationeel gelinkt aan die onbekende verwanten. Het verlangen om bij die familie te horen, om je in te passen in het aangeboden verhaal, zet je fantasie aan het werk. Het verlangen de brug te slaan tussen je persoonlijke geschiedenis en de landkaart van een onbekend verleden creëert zijn eigen verhaal. Je bent jezelf, en de Ander van jezelf en de Ander van een onbekende geschiedenis (die trouwens de geschiedenis is van Davis Freeman zelf).

Op dat ogenblik neemt performer Lilia Mestre het masker af. Het is maar een spel, ik ben maar een performer, jij bent diegene die ziet wat je ziet. De foto’s, de geprojecteerde straatbeelden, de man en de vrouw in de zetel, het zijn niet de beelden zelf die je verlangen creëren. Ze zijn inwisselbaar. Jij bent het die significantie geeft aan lege plekken, die een context creëert voor in se inhoudloze poses. Elke poging tot rationalisering van dit fantasmati-sclie project slaat automatisch terug naar jezelf.

Met Too shy to stare maakte Freeman een extreem gepersonali-seerde voorstelling, die het nauwe-lijkse onderscheid tussen performer en toeschouwer opblaast en omkeert. In al zijn monomane gerichtheid is deze voorstelling tegelijkertijd een hoogtepunt en een eindpunt van het spectactor-experiment.

Dat evenwel niet elke hedendaagse choreograaf zijn heil hoeft te zoeken in locaties en publieke identiteitsverwarring bewijzen de voorstellingen van Philipp Gehmacher en Rebecca Murgi. Io Sono Shake heet de haast naïeve voorstelling die de Italiaanse choreografe creëerde rond herinneringen uit de kindertijd. Het is een voorstelling die balanceert tussen het theatrale en het abstracte. Soms lijkt Murgi een verhaal te willen vertellen, maar haar taal is er één van esthetische formalisering. De sierlijke handbewegingen doen een hermetisch alfabet vermoeden, maar meer dan dat lijken ze de imitatie van een onbegrepen ritueel. Als een kind dat Engelse popsongs nazingt zonder de betekenis van de woorden te kennen. Ongestoord door grammatica of vocabularium.

Haar beelden hebben iets exotisch, iets onbeschaamd vrouwelijks. Uit haar lichaam spreekt een zuiders sensualisme. Het duet dat ze aangaat met een elastisch stuk goudgele stof, drijft op een feminiene ondertoon van geraffineerde verleiding. Op een ander moment is haar dans dan weer veel meer uitgepuurd. Het lichaam als vorm, op een zorgvuldig uitgelichte dansvloer. In zich steeds vernieuwende configuraties van uitgelichte vierkanten, rechthoeken of lijnen. Het lichaam gereduceerd tot een fragment. Een detailopname van een danser. Io Sono Shake is een toegankelijke voorstelling, die ongetwijfeld gebaat zou zijn bij een ruimer publiek.

Daartegenover staat de veel weerbarstigere dubbelvoorstelling van Philipp Gehmacher. Hier zijn de lichamen van de dansers wars van elke persoonlijke invulling. Ze zijn gereduceerd tot bewegende vormen, minuscule onderdeeltjes van een machinerie die hun begripsvermogen te boven gaat. Hun bewegingen lijken opgelegd door een externe Beweger. Alles wat op de dansvloer gebeurt, lijkt tegelijkertijd te verwijzen naar een exterieure macht, die de dansers tot ontmenselijkte houdingen dwingt. Het lijkt een zinloos, ongericht experiment. De bewegingen krijgen nergens een energetische gedrevenheid. De danstaal is van een frustrerende tegendraadsheid. Een man en een vrouw kronkelen over de vloer. Als bezeten door hun eigen lichaam. Philipp Gehmacher geeft in zijn choreografie uitdrukking aan een ongewone wreedheid, naar de danser toe, maar ook naar het publiek, dat zich langzamerhand geviseerd begint te voelen in zijn rol van gedwongen toeschouwer. Zijn blik wordt geperverteerd door datgene wat al te zichtbaar maar onmogelijk verwoordbaar blijkt.

Ook Gilles Duvivier en Estela Zutic gingen met Myzone Farwest op zoek naar het onzegbare. Het onuitsprekelijke van het ritueel. Sentimentele popsongs staan haaks op de afgemeten handelingen. Een kring van aardappels, die één voor één verplaatst worden. De dansvloer die even rustig als zorgvuldig wordt afgestapt en eigen gemaakt. Root voor root, als een akker van de beweging. Het offerritueel van de theatrale voorstellingselementen in een opeenhoping van kaarsen, boeken, cd’s, lampen,… Op een bepaald moment creëren de beide dansers een herinneringsmachine. Een bussel takken, waarin allerlei kleine voorwerpen zijn verwerkt. Een hanger, een zonnebril, de parafernalia van een even persoonlijk als banaal verleden. In de ronddraaiende takkenbos komen wij met hen tot circulaire verwerking. Herinneringen worden ontdaan van hun al te alledaagse connotaties en opgenomen in de spirituele meditatie die deze voorstelling eigenlijk is.

Een dergelijk opzet is niet geheel zonder risico. In de beschermde omgeving van de Tacktoren-studio werkte deze voorstelling echter perfect. Dans en ruimte hadden de tijd gekregen elkaar te vinden. De studioruimte was met gebruik van een spiegel doorgetrokken tot de buitengesloten wereld. Waar de voorstelling hier en daar al te zweverig dreigde te worden, werd dit opgevangen door de openlijke kwetsbaarheid van de performers.

Het festival bood tevens ruimte aan Arco Renz om zijn persoonlijk traject opnieuw te bevragen, hetgeen resulteerde in een verrassende solo in een voormalig fabriekspand, States. Het werk van Agathe Gizard heb ik jammer genoeg gemist.

Een festival als Dans@Tack bewijst dat het wel degelijk mogelijk is om in een low profile jaarwerking choreografen de kans te geven op een artistiek verantwoorde manier tot creatie te komen. De kwaliteit van de voorstellingen toont aan dat de nood die bij de kunstenaars leeft, resulteert in opmerkelijke restultaten. Nu alleen de doorstroming nog.

TOO SHY TO STARE

CONCEPT EN REGIE Davis Freemari met Miriam Fiordeponti, Pierre Rubio, Lilia Mestre, Davis Freemari, Gerrit Valckeriaers, Cloé Dujardiri, Palle Dyrvall

PRODUCTIE Szene Salzburg

COPRODUCTIE Daris in Kortrijk, APAP

IO SONO SHAKE

CHOREOGRAFIE EN DANS Rebecca Murgi

MUZIEK Tomaz Grom

PRODUCTIE Szene Salzburg, Dans in Kortrijk, Pumpenhaus, Armunia, Bunker, AMAT – Teatri di Civitanova, PalermoDanza, CRT Milano

MYZONE FARWEST

CHOREOGRAFIE, DANS EN LICHT Gilles Duvivier & Estela Zutic productie AER vzw, Dans in Kortrijk & Plesni Teater Ljubljana

 

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#80

15.02.2002

14.05.2002

Elke Van Campenhout

Elke Van Campenhout is redacteur van Etcetera, is freelance publicist voor diverse kunsttijdschriften, en werkt als curator en dramaturg.

artikel