Through the Looking-Glass, Mats Vandroogenbroeck © Helena Verheye

Leestijd 11 — 14 minuten

Taal als complot

Hoe jonge theatermakers zich loszingen van het normale

We gebruiken taal dan wel om de werkelijkheid te ordenen en betekenis te geven, toch berust de relatie tussen taal en betekenis voornamelijk op afspraken en is ze niet noodzakelijk logisch. Wat is het subversieve potentieel van artistieke taalexperimenten? Evelyne Coussens zoomt in op een aantal recente teksten van theatermakers.

In 1981 verscheen van schrijver en mathematicus Hugo Brandt Corstius het knetter­gekke Opperlandse Taal- en Letterkunde: zijn magnum opus van 676 bladzijden taalspel, volstrekt eigenzinnig gerangschikt in fictieve -­grammen (palingram, lipogram) en wetten (de wet van paltal, de wet van kont en stront) en voorafgegaan door een grondwet, die als volgt begint: ‘Opperlands is Nederlands met vakantie. Opperlands is Nederlands zonder het akelige nut dat aan die taal nu eenmaal kleeft.’

In NRC werd het werk, dat een cultstatus verwierf onder taalliefhebbers, betiteld als ‘volstrekt subversief’. Ook vandaag zijn er nogal wat toneelauteurs die een speelse ‘eigen’ taal ontwikkelen – vaak intuïtief en zonder bewuste politieke insteek. Maar wie wat nauw­keuriger leest ziet dat ook in hun teksten een subtiele subversiviteit schuilt.

De kracht van vervreemding

A: leuning leuning leuning leuning leuning leuning leuning leuning leuning

J: is alles okay met u?

A: shhhht
ik ben aan het mediteren

J: okay

A: leuning leuning leuning leuning leuning leuning leuning leuning

In Bambiraptor (8+) (2021) van Mats Vandroogenbroeck en Jonas Baeke heeft de elfjarige Anina een bijzondere verhouding met de taal. In haar geest functioneren de woorden en begrippen als fysieke beelden die aan haar geestesoog voorbijschuiven, en waarmee ze naar hartenlust speelt. Ook de vorm van de woorden zelf (de woord-beelden) lijken voor haar objecten te zijn. Om te begrijpen wat er precies gebeurt, moeten we teruggrijpen naar de Zwitserse taalwetenschapper Ferdinand De Saussure (1857­-1913), die de grondslag legde voor de huidige taalwetenschap. De Saussure maakte een onderscheid tussen het taalteken (signifiant, zoals de combinatie van de letters b­-o­-o-m), het betekende (signifié, het brede concept ‘boom’) en de externe referent (het fysieke object van de boom). Tussen die onderdelen van een woord bestaat een arbitraire relatie. Zo is er bijvoorbeeld geen enkele logische reden waarom het concept ‘boom’ met de letters b­-o-­o-­m zou worden aangeduid, dat is louter een afspraak. Een taalafspraak. Wie aan die taalafspraken morrelt, laat de taal wankelen.

Dat is precies wat Anina doet met het woord ‘leuning’. Door de extreme klankherhaling van de signifiant treedt er vervreemding op: het teken wordt losgemaakt van het betekende, en krijgt een zelfstandig statuut. Dat er bovendien geen enkele link is tussen het woordbeeld van ‘leuning’ en het fysieke object, legt Anina vervolgens zelf uit aan haar tegenspeler Jakoby:

A: ik vraag mij af hoe ze op het woord ‘leuning’ zijn gekomen

J: het woord ‘leuning’ hoort bij een een leuning omdat ge ‘leunt’ op een ‘ding’
het is een leun-ding

A: maar hoe komen ze dan op ding en op leun? J: ze hebben dat ooit zo beslist

A: wie?

J: de mensen van vroeger

A: ik vind leuning echt een raar woord

J: hoe zou gij het dan noemen?

A: wat?

J: een leuning

A: wat is een ‘leuning’ ?

J: dat ding aan de trap waar ge u aan vasthoudt zodat ge niet valt

A: aaah

ge bedoelt een glijbaan

J: neen ik bedoel een leuning

A: ik gebruik een leuning nooit als leuning maar altijd als een glijbaan

Bambiraptor, Jonas Baeke & Mats Vandroogenbroeck © Phile Deprez

Anina’s geest zoekt naar een meer beeldende logica, naar een wereld waarin de beelden samenvallen met de woorden, en misschien ook omgekeerd, waarin nieuwe woorden aanleiding geven tot nieuwe beelden en objecten, zoals hier:

ik vind veel dingen raar

zoals uw haar

dat lijkt op het hondje van mijn tante

mijn tante lijkt dan weer keihard op haar hond
haar hond
haar hond
haarhond
haarhond

hondhaar

Vandroogenbroeck en Baeke vervormen de taal van Anina (en later ook die van Jakoby) vooral op het niveau van de morfologie, de woordvorming: ze spelen met klankassociaties, verbas­tering van woorden, herhalingen van klanken en palindromen. Aan de syntaxis (de zinsop­ bouw) en woordvolgorde wordt weinig gemorreld, die blijft vrij klassiek. Logisch, aangezien Bambiraptor een verhaal is dat dient verteld te worden – het verhaal van twee outsiders, die hun plaats niet vinden in de samenleving en tussen wie zich een bijzondere band ontwikkelt. Er is dus een plot, er zijn personages die evolueren, er is een climax. De jonge toeschouwers, die de tekst maar één keer horen in de theaterzaal, moeten het verhaal kunnen volgen. De taal vloeit met andere woorden voort uit een dramaturgische noodzaak: het narratief stuurt ener­zijds de taalvervorming aan, want hoe beter Anina en Jakoby elkaar beginnen te begrijpen, hoe sterker de ‘normale’ taal van Jakoby opschuift naar de onbeteugelde variant van Anina. Anderzijds begrenst de noodzaak om het verhaal helder te krijgen tegelijkertijd de mogelijk­heden om bijvoorbeeld ook syntactisch sterker uit de ‘normale’ taal te breken.

Paranoïde poëzie

Dat is anders in Through the Looking-Glass (and what we found there) (2019)1 , een tekst van Vandroogenbroeck, met inbreng van medespelers Nona Demey Gallagher en Timo Sterckx. Through the Looking-Glass is een futuristische huis clos, waarin drie personages zich in een beangstigende en verbrokkelde ‘internetwereld’ en een toenemende toestand van paranoia bevinden. ‘Bastardo 1’, ‘2’ en ‘3’ bezigen daarbij een taal die niet alleen op het gebied van morfologie, maar ook syntactisch radicaal versplinterd is:

ze zeggen toch altijd dat ge u het begin van een rêverie nimmer-ni kunt
remembreren ni

dat ge daar gewoon boemplots inzapt

scuzi maar, ik denk non-binair
bipolarisatie
ik doe daar ni aan
rêverie/realiteit
solied/fluiet
leven/mors
lux/luxaflex
microsmos/macrosmos
allemaal ballast
ik probeer geen keurslijfeigene te zijn
mag ik iets vragen?

zijt gij een langoustien?
of een aquaman?

neen
neen he
of wel?
neen
rock-bok?
of wacht
niks zeggen ni
leo?
saggitarius?
skorpioen?
ik wist het!
skorpioenen zijn nogal hermeet natuurlijk
ik bedoel-

Through the Looking-Glass, Mats Vandroogenbroeck © Helena Verheye

Veel meer nog dan in Bambiraptor is dit een ‘eigen taal’, een idioom, dat na een tijdje voor de luisteraar een enigszins toegankelijke flow krijgt – maar dan zoals in de poëzie, waarbij de betovering van klanken en beelden het overneemt van het functionele doel. Through the Looking-Glass is een eclectisch maar volstrekt organisch aanvoelend amalgaam van vreemde talen (Duits, Zuid­-Afrikaans, Frans, …), hoog en laag register, middeleeuws aandoende uitdrukkingen en internettish (Vandroogenbroeck).

Vandroogenbroeck geeft aan dat op het moment dat Through the Looking-Glass werd geschreven, vooral het taalspel primeerde: de ploeg eigende zich het plezier van de vormelijkheid toe, zonder daar verdere inhoudelijke consequenties aan te verbinden. Desondanks, en ondanks het feit dat de taal bij Through the Looking-Glass minder uitdrukkelijk wordt gestuurd vanuit een narratief concept dan Bambiraptor, genereert de vorm toch zijn eigen inhoud. Als Through the Looking-Glass de weergave is van drie dolgedraaide geesten, dan sluit de taal daar perfect bij aan: het is een lege vorm, waarbij er geen communicatieve vooruitgang wordt gemaakt. De taal zelf zet ons op een dwaal­ spoor, ze is het complot.

Alle registers open

Een complot tegen wie? Of wat? Die vraag dient zich ook aan bij het lezen van de teksten van Barbara Claes, al functioneren die op een andere manier. Claes schrijft verhalen die vaak een realistisch aanknopingspunt hebben, maar ontsporen tot een magische fabel, zoals in Akaaremoertoe Bahikoeroe (2016) (de rituele enscenering van een familiedrama in een dorp) of Honey I’m real I exist (2021) (de mythische tocht van haar Indiase echtgenoot op weg naar Brussel). Ze hanteert daarbij een taal die sterk gekleurd is door de tijdgeest van de jaren 1990. In Honey I’m real voorziet een woordenlijst achteraan de tekst jongere lezers van een verklaring voor begrippen als de Nopri, de dioxinecrisis, Koko Flanel, … Spreekwoorden worden doelbewust vermengd of verkeerd gebruikt, metaforen versluieren in plaats van te verhelderen en letterlijk en figuurlijk taalgebruik lopen moeiteloos door elkaar. Claes mijdt geen flauwe moppen of dialectische uitdrukkingen – dit is een auteur die niet mikt op een verheven stijl. Grote wereldgebeurtenissen en kleine drama’s worden met één taalgreep met elkaar vermengd, zoals bij het begin van Honey I’m real I exist:

Welkom in mijn biografie.
Ik doe zesendertig jaar geleden mijn intrede via de keizersnede. Dat is de directe uit- en ondergang naar deze planeet. Ik word achter plexiglas gelegd in plaats van aan de Dolotieten van mijn moeder. Nestlé werd in die tijd gepromoot en verkozen boven eigen teelt. Nestlé produceert oploskoffie, bronwater – van welke bron die ook mag komen –, bouillon, ijs, chocolademelk, chocolade zelf, pasta, muesli, melkderivaten, babyvoedsel, farmaceutische producten. In 2016 realiseert Nestlé een omzet van bijna 90 miljard. Ik realiseer mee die omzet al vanaf mijn geboorte. Ik lig op kamer min-één op anderhalve meter afstand van mijn moeder. Er is nog niet eens sprake van een virus. Ik ben de jongste uit een nest vrouwelijke sprinkhanen. Ik sta gegenereerd bij de gemeente als een mens. Met mijn geboorteakte kan ik tot op de minuut bewijzen dat ik besta. Dat ik echt ben want ik ben aan de enkelband gelegd op een woensdag om veertien minuten na elf op negentien oktober in het jaar drieëntachtig, het jaar dat Klaus Barbie in Bolivia wordt gearresteerd. Barbie was bij de Gestapo en zette 44 Joodse kinderen op transport naar de Malledieven.

Honey I’m real, Barbara Claes © Bart Grietens

Claes’ taal is niet verheven maar aards, ongekuist, dicht bij het leven zelf. Muzikaliteit en ritme van de taal lijken soms te primeren op hun communicatieve functie. Drama en bana­liteit staan schouder aan schouder, en daarin doet haar idioom denken aan dat van auteur wijlen Eric De Volder (Parafraserend: Zij: “Ik ben verkracht.” Hij: “Wat is ’t voor ’t eten?’) Ze neemt als auteur – zelf soms figurerend in haar teksten – een houding aan van onnozeliteit (Claes), te lezen als een onschuldige, naïeve houding, wat de wreedheid van de wereld waarin haar personages figureren extra in de verf zet.

Precies in deze houding schuilt Claes’ verzet, dat politiek van aard is (al zal ze dat zelden zelf expliciet zo benoemen). Een steeds terugkerend thema is Het Systeem – of het nu een falend zorgsysteem is in Akaaremoertoe Bahikoeroe, of een falend politiek en adminis­tratief systeem in Honey I’m real I exist. Taal, in haar klassieke rol als efficiënte communi­cator (‘het akelige nut dat aan de taal nu eenmaal kleeft’) is ook zo’n Systeem: in theorie dient ze te zorgen voor ondubbelzinnige, heldere, door iedereen begrepen betekenisover­dracht. In werkelijkheid is dat onzin – iedereen weet dat letterlijk ‘dezelfde taal spreken’ geen garantie is op wederzijds begrip. Er zijn binnen de geijkte taal (het taalsysteem of la langue, zoals De Saussure het benoemde) om te beginnen oneindig veel individuele vari­anten (la parole), maar bovenal ook geclusterde, systemische varianten: jargontalen, zoals het politieke discours er een is, maar ook de specifieke taal van artsen of zorgverleners.

Claes geeft in een gesprek aan dat haar ‘eigen’ jargon in de eerste plaats een kinderlijk antwoord is, maar vooral ook een weerwoord, op dit soort spreken, dat ze oprecht niet begrijpt. Door uit de ‘gevangenschap van de taal’ te breken breekt ze meteen ook uit de ‘verstrikking van het systeem’. Het openbreken van de taal is het openbreken van de macht.

Intermezzo met Wittgenstein

Nog even terug naar Baeke en Vandroogenbroeck, want ook in hun teksten lijkt zo’n ideo­logische onderstroom voelbaar. Met het losmaken van de lijntjes tussen betekenaar, bete­kenis en referent volgen ze immers de principes van de speltheorie van filosoof Ludwig Wittgenstein. Nadat Wittgenstein in zijn Tractatus Logico-Philosophicus (1922) eerst had geprobeerd om tot een alomvattende taaltheorie te komen – waarbij woorden en hun betekenis op een essentialistische manier samenvielen – kwam hij later tot het inzicht dat taal niet vastomschreven is maar vloeibaar, dat het een handeling is, slechts betekenisvol in de context. Taal is performatief, kan niet verder gedefinieerd worden dan de grenzen van haar toepassing. Dat betekent dat er geen ‘juiste’ of ‘foute’ taal is.

“De wereld bestaat uit een enorm reservoir aan potentiële taalperformances, die elk moment een andere realisatie kunnen krijgen.”

Ondanks het feit dat de meeste mensen bij het woord ‘hamer’ nog steeds denken aan een voorwerp waarmee we op een nagel slaan, hoeft dat niet zo te zijn. Enerzijds is er geen dwingend verband tussen het woord ‘hamer’ en het voorwerp, anderzijds hoeft een hamer niet per se een voorwerp te zijn om mee op nagels te slaan – we kunnen er ook een stoelpoot mee stutten, of er ons hoofd op laten rusten. Zo wordt een nieuwe wereld aan betekenissen geboren.

Niet alles hoeft te zijn zoals het is, alles kan steeds ook anders zijn – en dat is een sterk bevrijdende, emancipatoire gedachte. Maar het is ook een beetje een beangstigend perspectief, want in de werkelijke wereld voorzien de afspraken over taal ook in stabiliteit en veiligheid. Stel je voor dat alle voorwerpen wisselende betekenissen kregen (zoals dat op een hilarische manier gebeurt in Jetse Batelaans voorstelling Anders is een heel normale Zweedse naam (2022)), dan zou er chaos ontstaan. In die mogelijke verstoring van de gevestigde orde schuilt dan ook de subversiviteit van het taalspel.

Subversieve grondtoon

Zo geanalyseerd krijgen de voorgaande teksten natuurlijk een grote politieke zwaarte, terwijl dat intentioneel minder het geval is. De zoektocht naar een unieke taal, het spelen met vormelementen, het plezier van het schrijven van een taal die ook muzi­kaal en ritmisch spreekt staat bij alle auteurs voorop. Allemaal spreken ze ook van het verlangen om de taal ‘voelbaar’ te maken, niet louter denkbaar. Zo ook theatermakers Lobke Leirens en Maxim Storms, de enigen uit dit mini­-onderzoekje die zichzelf uitdruk­kelijk geen ‘auteurs’ noemen.

“Het feit dat er geen rationele oplossing is betekent niet dat er geen schoonheid schuilt in de poging, hoe onvolmaakt ook, om betekenis te geven.”

Hun teksten zijn een verlengstuk van de creatieprocessen die leiden tot hun voorstellingen en nauw verweven met de vloer. Ze scheppen een universum dat buiten het normale ligt, waarin personages figureren die buiten het normale staan en daar hoort nu eenmaal een buitennormale taal bij. Van hun teksten bestaan tot dusver geen uitgaves – als je in hun geval nog van teksten kunt spreken, want in sommige gevallen gaat het over jabbertalk:

LOBKE

SHAM DOW DEI DOW X4
PAUZE
HAMDEM HAMDEM HAMDEM HOW X4
PAUZE
SHAMDODELELELE SHADODODELOW X2
PAUZE

MAXIM

HAMDEM HAMDEM HAMDEM HOW X4
PAUZE
SHAM DOW DEI DOW X4
PAUZE
SHAMDODELELELE SHADODODOELEOW
PAUZE

Folks & Fools, Lobke Leirens & Maxim Storms © Kurt van der Elst

Net zoals bij Through The Looking-Glass gaat het in de meeste voorstellingen van Leirens en Storms eerder over toestanden, ‘bevroren’ manieren van zijn, dan over handelingen. In Another One zien we twee oudere mensen die vastzitten in een perspectiefloos schema van rituele herhalingen en paranoïde beschouwingen. Dezelfde paranoia komt voor bij de personages in Happy Hour (2019):

Are you following me?
– No – you?
– No – you!
– No – you!

– I wasn’t following you
– you were following me
– I wasn’t following you
– you were following me
– I wasn’t following you

I was following someone else who was following me
– You were following someone else who was following you?
– I was following someone else who was following me
– I was following someone else as well who was following you
– So you were following me!
(…)

Nog sterker dan in Through the Looking-Glass zijn de ‘personages’ antipsychologisch ingevuld: het zijn grotesken die zichzelf en hun daden voortdurend re­-enacten, stripfiguur spelen in hun eigen verhaal. Qua sfeer en handeling zitten ze in een hedendaags vacuüm, een Wachten op Godot. De totale afwezigheid van enige handeling of psychologische invulling zorgt ervoor dat Leirens en Storms erg ver kunnen gaan in hun vormspel.

In Folks & Fools (2021) spreken de figuren een archaïsch Nederduits, terwijl ze zich in een onbestemde, scifi­a-chtige toekomst bevinden. In Another One (2017) is de taal op sommige momenten ingedikt tot louter klank, structuur en ritme:

I think the favorite one, is the one all the way to the left. So you go back, take a little turn, and then you go left. You go to the left. Go to the left. go left. So, you go all this way back, make a turn and then you go left. You go left. And then you go to the left again. You take another left, and then you go left again. Take another left, go back, turn, left. And you make another left. Go to the left. Take another left. You go left. Make this little turn, and then you go left again. Go to the left. You go left. Take another left. You go left again. You keep on going left. Go to the left. Go left. Go to the left. Take another left. And then go left again. Go left. So you go all this way back, you take a LITTLE turn, and then you go left again. You take another left, and you go left again. Go left, go left left left left left left left left left left left left left. Take another left. Go back, turn left. Go to the left. You go left. Make this little turn. And then you go left. You go left. Go to the left. Go left again. And you take another left. (…)

Het betekent niet dat de fragmentarische teksten willekeurig zijn, of zomaar kunnen worden vervangen. Alle teksten ontstaan uit improvisatie en hernieuwde improvisatie, tot alles goed voelt. Net als bij hun collega’s vallen ook bij Leirens en Storms inhoud en vorm samen in een non­-narratieve dramaturgie: de taal neemt dezelfde vorm aan als de levens van de personages, die in cirkels gaan, vastzitten in eindeloze herhalingen en rituelen. Wat Leirens en Storms vooral doen is het gebruik van de taal abstraheren, een performatieve daad dus. Niet de taal zelf, maar het inzetten van die taal zorgt voor een nieuwe betekenis of, in hun geval, juist voor het onmogelijk maken van betekenis. Eenduidige betekenis, welteverstaan, want uiteraard willen Leirens en Storms iets uitdrukken met hun voorstellingen – alleen willen ze niet dat dat een eenzijdige boodschap is.

Helderheid is problematisch. Meer nog dan in de tijd van Battus Opperlands (pseudoniem van Hugo Brandt Corstius) schuilt vandaag in deze aanname – tegen onze obsessie met beheersbaarheid, transparantie en efficiëntie in – een subversieve grondtoon. Een chaotische, doelloze en betekenisloze wereld heeft behoefte aan een taal op losse schroeven, die de anekdotiek mijdt en uitdrukking geeft aan die zinloosheid. Dat is niet per se nihilistisch te interpreteren. Het feit dat er geen rationele oplossing is betekent niet dat er geen schoonheid schuilt in de poging, hoe onvolmaakt ook, om betekenis te geven.

Voor Leirens en Storms moet de taal niet iets uitleggen, maar iets laten voelen over wat zij de ‘emotionele onderkant’ van hun personages noemen – en wat tegelijk ook onze emotionele onderkant is. In het hardnekkig volhouden van de taal schuilt een koppige overlevingsdrang die tegelijkertijd die van de personages en de toeschouwers zou kunnen zijn. Deze taal geeft niet op. Ze houdt stand, ze blijft zichzelf, ondanks zichzelf. Tegen elke logica in.

1Je kan de volledige tekst hier downloaden: https://www.denieuwetoneelbibliotheek.nl/texts#_14875

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 11 — 14 minuten

#169

15.09.2022

14.12.2022

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!