Karel Vanhaesebrouck

Leestijd 5 — 8 minuten

Surmarionenettes et mannequins: Carole Guidicelli (red.)

De tijd dat de marionet enkel in de poppenkast gebruikt werd, ligt al een tijdje achter ons. Hij maakt vandaag integraal deel uit van de artistieke praktijk: theatermakers zetten poppen in als volwaardig instrument van hun creatieve verbeelding, zoals recente voorstellingen van FROE FROE, Ultima Thule of Tuning People bewijzen. Het poppentheater van weleer vervelde tot wat we vandaag gemeenzaam omschrij­ven als figuren- en zelfs objectentheater (zie Simon Allemeersch, Gisèle Vienne of Benjamin Verdonck).

Die recente ontwikkeling, waarbij objecten als het ware tot leven komen op het podium, is uiteraard niet nieuw. In de loop van de twintigste eeuw ver­richten heel wat artiesten onderzoek naar de mogelijkheid om theater te maken voorbij de menselijke aanwezig­heid van de acteur. De lijvige, tweeta­lige (Frans en Engels) boekpublicatie Surmarionnettes et mannequins. Craig, Kantor et leurs heritages contemporains spoort een deel van die genealogie op, met als dubbel ijkpunt Gordon Craig en Tadeusz Kantor, die elk op hun manier, binnen een verschillend tijdsgewricht, op zoek gingen naar een andersoortige representatievorm. Het boek bundelt de bijdragen aan het gelijknamige congres dat in maart 2012 georganiseerd werd aan het Institut International de la Marionnette in Charleville-Mezieres (Frankrijk).

In een hele reeks bijdragen sporen wetenschappers en kunstenaars de invloed op van deze twee enigmatische figuren op de recente theatergeschiede­nis, op artistieke praktijken waarin de reflectie over de menselijke aan- of afwezigheid centraal staat en dus op theater dat de grens onderzoekt tussen leven en dood. Steeds opnieuw stellen die artiesten de vraag of het aura van de live-acteur wel echt een substantieel element van theater is.

Craig vervangt in zijn ideële theater de acteur van vlees en bloed door de ‘übermarionnette’, een complexe term die verschillende bijdragen pogen te duiden, en droomt ervan het theater terug te brengen naar zijn oorspronke­lijke ritualiteit en concentratie. Met zijn ‘theater van de dood’ haalt Kantor die tegenstelling, tussen acteur en marion­net, helemaal onderuit. De kunst van de acteur, zo schrijft hij, is de zoektocht naar de schoonheid en de horror van de dood- in plaats van het leven dient hij de dood te verzinnebeelden. Het boek laat mooi zien hoe beide kunstenaars op zoek gaan naar wat je zou kunnen om­ schrijven als een ‘spectraal theater’, een theater waarbij de aanwezigheid van de acteur efemeer, ja zelfs spookachtig is. Een beetje zoals de geest van Hamlets vader (niet voor niets duikt dit stuk meerdere keren op in deze bundel, net als het werk van Maurice Maeterlinck). Bij Craig maakt die zoektocht deel uit van de dynamiek van het modernisme. Ruimte en beeld zijn voor hem allesbe­halve representatie, laat staan decora­tie; het zijn veellagige tekens die een autonome betekenis hebben. Kantors werk is dan weer een rechtstreekse ver­ werking van het trauma van de Tweede Wereldoorlog. Hij probeert haast letter­lijk de dood op het theaterpodium tot leven te brengen, onder meer door zijn acteurs in te zetten als een mannequin. De bijdragen in het boek zijn onder­verdeeld in drie grote secties. In het eerste deel staat het werk van Gordon Craig centraal. Verschillende bijdragen beschrijven aan de hand van primair bronnenmateriaal de moderniteit van zijn werk. Patrick Le Boeuf laat op basis van de archieven van Craig zien dat een heldere definitie van de ‘übermarion­nette’ ontbreekt en stelt dat precies het enigmatische karakter van dat begrip andere hervormers fascineerde, zoals Oskar Schlemmer en Etienne Decroux. Andere bijdragen in dit deel behande­len Craigs samenwerking met diezelfde Decroux en ook zijn regie van Hamlet in Moskou in 1911-1912.

In zijn fascinerende bijdrage analy­seert Didier Plassard Theatre des fous, een project waaraan Craig tijdens de Eerste Wereldoorlog werkte en dat de vorm aannam van een cyclus van 365 stukken voor marionetten – voor elke dag eentje. Twee narratieve lijnen gaan in dit monster project samen: een picareske vertelling over Basilic die ons doorheen alle tijden en continen­ten loodst, en een aantal satirische of parodiërende interludia. Craig maakt gebruik van een gecompartimenteerde scenografie waarbij de personages uit de overkoepelende verhaallijn toeschou­wers van de interludia warden (die zich niet onthouden van commentaar op die stukjes-in-het-stuk). Craig grijpt, net zoals Michel de Ghelderode, terug naar een theatraliteit die het midden houdt tussen middeleeuwse mysteriespekta­kels en baroktheater. Theâtre des fous is een fascinerend geval dat ons op basis van concrete, historische documenten kennis laat maken met een andere Craig. We kennen Craig immers van zijn grote, monumentale scenografieën, zijn zoektocht naar een homogene stijl waarbij het scènebeeld functioneert als een autonome, niet-narratieve entiteit. Plassard laat zien hoe uit zijn manus­ cripten en niet-gerealiseerde projecten een andere theatertaal tevoorschijn komt, een taal die speels, hybride, expe­rimented, soms chaotisch maar vooral verrassend is.

De bijdragen in het tweede deel van het boek bestuderen de diverse invloed­ sferen en verwantschappen van Kantor en zijn een poging om diens specifieke theatertaal te begrijpen. Monique Borie peilt bijvoorbeeld aan de hand van antropologische inzichten naar Kantors fascinatie voor niet-levende materie. Ze vertrekt daarvoor bij de rol die fetisjob­jecten spelen: een ritueel maakt een dergelijk object opnieuw levend (letterlijk: ‘animeert’) en brengt ons in con­tact met de dood. Een dood, inert object (zoals bijvoorbeeld een masker) opent een andere realiteit, een ‘elders’ dat daarom niet minder levend is. Dat me­chanisme vindt ze niet alleen terug in Maeterlincks ‘theatre des androïdes’ en in Craigs marionetten, maar vooral in Kantors werk: van zijn ’emballages’ uit de jaren 1960 tot aan zijn ‘theater van de dood’ gaat hij op zoek naar de mis­sing link tussen het levend lichaam en het lichaam als object. Andere auteurs laten zien hoe die zoektocht doorklinkt in het werk van hedendaagse arties­ten. Zo beschrijft Catherine Bouko de manier waarop Kris Verdonck in END (2009) lichamen onderwerpt aan de wetmatigheid van machines en hoe die lichamen op die manier nieuwe, eigen wetmatigheden ontdekken. Het derde deel van het boek gaat dieper in op de spectrale aanwezigheid van de acteur in het theater vandaag, bijvoorbeeld in het recente Italiaanse theater, en besteedt daarbij aandacht aan de rol van techno­logische ontwikkelingen. Ook het werk van Gisèle Vienne, die onder meer in Jerk speelt met de verhouding tussen een pop en haar manipulator, krijgt ruime aandacht, onder meer met een interessante transcriptie van haar mondelinge bijdrage aan het congres. Diverse auteurs laten zien hoe diverse makers zich -vaak onbewust- laten inspireren door de rijke traditie van het figurentheater om zo de theatrale representatie zelf te bevragen.

Surmarionnettes et mannequins is een rijk en inspirerend boek dat een brede, alternatieve kijk biedt op de recente theatergeschiedenis en veel alternatieve genealogische lijnen blootlegt. Het iconografische cahier is spaarzaam, en dat is jammer: een ruimere selectie beeldmateriaal zou veel bijdragen con­creter hebben gemaakt. Aan het boek werd overigens een dvd toegevoegd die verslag doet van een atelier van een vier­ tal weken dat Kantor in de zomer van 1988 in Charleville gaf. Het document geeft een mooi beeld van het specifieke universum van deze ongemeen boei­ende artiest en diens visie op pedagogie (‘Il faut détruire toutes conventions scolaires.’).

In de eerste plaats blijft dit boek een congresbundel, een heterogene verza­meling van relatief korte teksten. Die heterogeniteit brengt een waaier aan praktijken en inzichten met zich mee, maar levert soms ook een fragmentarisch resultaat op. Surmarionnettes et mannequins biedt een verrijkend inzicht in de complexiteit maar ook de actualiteit van het denken en het werk van deze boeiende artiesten. De definitieve geschiedenis van hun invloed op de Europese praktijk dient echter nog geschreven te warden.

Carole Guidicelli (red.), Surmarion­nettes et mannequins. Craig, Kantor et leurs heritages contemporains, Editions L’Entretemps, 2013.

boeken
Leestijd 5 — 8 minuten

#137

15.06.2014

14.09.2014

Karel Vanhaesebrouck

Karel Vanhaesebrouck doceert theater- en cultuurstudies aan de ULB en het RITCS in Brussel. Hij is tevens gastdocent aan het ESACT in Luik. Hij is actief als essayist en dramaturg.

boeken