Jan Jambon bezoekt ‘Rodin, Meunier & Minne’ © Jasper Jacobs

Leestijd 16 — 19 minuten

Sterke Jan en de kunstensector, toch liefde?

Minister van Cultuur Jan Jambon heeft 25,3 miljoen euro extra middelen gevonden voor de recente ronde in het kunstendecreet. Een straf verhaal, zonder enige twijfel. Daarmee veegt hij in één grote zwaai alle mogelijke kritiek op zijn cultuurbeleid van tafel. Zo lijkt het althans.

Ja, het is totaal onverwacht. De procedure leek veeleer bedoeld om het schaarse budget op een min of meer rechtvaardige wijze te verdelen. Slachtoffers, die zouden er zeker zijn. Daarvoor werden de beoordelingscommissies in een strak gareel gezet. Maar het draaide anders uit. De bede van de sector om extra geld vrij te maken heeft gewerkt. Er werd gerekend op zo’n 10 miljoen euro extra, ‘om de grootste accidenten op te lossen’. Maar het werd veel meer. Is het ooit vertoond, zo’n spectaculaire stijging? Mijn zin voor ironie doet me zeggen: ‘Jambon doet een Anciaux’tje’. Immers, de subsidieverhogingen zijn van dezelfde orde. 

Is Jan Jambon daarmee de minister die de hoogste subsidiestijging heeft gerealiseerd? De stijging voor de ronde 2023-2027 komt neer op 15,5%. Het totaal bedrag voor de werkingssubsidies voor de komende vijf jaar komt daarmee op 178,5 miljoen euro. Zijn voorganger Sven Gatz besliste in 2016 om 142 miljoen toe te kennen. Dat was ook een stijging met 7,5 miljoen, 4,1% meer. Daarvoor was Joke Schauvliege de bevoegde minister. Zij trok voor de werkingssubsidies een budget uit van 130 miljoen, een stijging van 7,5 miljoen, wat neerkomt op 8,6%. Bert Anciaux, die het eerste Kunstendecreet maakte, kende 106 miljoen toe in 2006/2007, inclusief de middelen voor het aflopende Muziekdecreet, een stijging van 18,1%. Hij had in 2001 en 2002 al forse subsidieverhogingen toegekend in het kader van het toenmalige Podiumkunstendecreet.

minister totaal werkingssubsidies kunstendecreet  verhoging verhoging in % jaar van de beslissing
Bert Anciaux* 106.000.000 11.000.000 à 16.000.000 13,5% à 18,1%  2007
Joke Schauvliege 130.000.000 7.500.000 7,5% 2012
Sven Gatz 142.000.000 5.600.000 4,1% 2016
Jan Jambon 178.500.000 25.300.000 16,5% 2022

 

Tussen de subsidierondes stegen de bedragen elk jaar een beetje. De Vlaamse regering past immers de subsidie aan op basis van de gezondheidsindex, weliswaar beperkt tot de lonen. Maar er zijn ook stevige besparingen gebeurd. Dat was vooral het geval in de periode van Sven Gatz. In 2014 knipte hij 12,5 miljoen euro uit het budget voor het Kunstendecreet weg. In 2016, toen hij de nieuwe subsidies bekend maakte, steeg zijn budget met 5,6 miljoen. Het saldo voor de kunsten was in zijn beleidsperiode dus negatief. Ik verwijs daarvoor naar een eerder artikel. En nog het sterretje na de naam Anciaux, dat is om op te merken dat een deel van deze verhoging afkomstig was van projectmiddelen. De stijging was 18,1%, maar als we die corrigeren, dus zonder overheveling van projectgeld, komen we op 13,5%.

Het aantal organisaties dat gesubsidieerd wordt over die rondes verandert ook vrij sterk. 

minister aantal organisaties  evolutie aantal jaar van de beslissing
Bert Anciaux 267 2007
Joke Schauvliege 262 – 5 2012
Sven Gatz 216 – 46 2016
Jan Jambon 236 + 20 2022

 

Sven Gatz koos uitdrukkelijk voor een kunstensector met minder organisaties. Hij stimuleerde fusies en samenwerkingsverbanden. Dat verklaart deels de daling van het aantal gesubsidieerde organisaties. De andere verklaring zijn de besparingen die er in zijn ambtsperiode zijn doorgevoerd. In 2016 was het totale cultuurbudget 12,4% lager dan in 2014, het laatste jaar van Joke Schauvliege. Gatz verminderde het budget voor de kunsten met zo’n 12 miljoen euro in 2015. De stijging in 2016 maakte de besparingen van het jaar voordien nog niet voor de helft goed. 

“Mijn zin voor ironie doet me zeggen: ‘Jambon doet een Anciaux’tje’. Immers, de subsidieverhogingen zijn van dezelfde orde.”

Wat zeggen de cijfers voor 2023-2027?

Er werden 282 aanvragen ingediend, waarvan zeven Kunstinstellingen, de grote dus, 22 organisaties die voor tien jaar of twee beleidsperiodes subsidie krijgen en vier organisaties met specifieke kerntaken (Kunstenpunt, VI.BE, het Vlaams Architectuurinstituut en Kunst in Huis). Minister Jambon besliste een werkingssubsidie toe te kennen aan 236 organisaties. Daarbij zijn dus alle Kunstinstellingen en de vier genoemde organisaties, naast 225 kunstenorganisaties, waarvan zestien voor tien jaar worden gesubsidieerd. In totaal worden twintig organisaties meer dan bij de vorige ronde ondersteund, zo’n tien procent. Het meest spectaculaire aan zijn beslissing is dat Jambon alle aanvragers die een ‘positief buiten budget’ kregen van de beoordelingscommissie een subsidie heeft toegekend. Daarmee heeft hij het advies van de Landschapscommissie gevolgd. Deze organisaties kregen finaal een relatief lager bedrag dan zij die ‘binnen budget’ gequoteerd werden. Tussen tien en twintig procent minder, tenzij de beoordelingscommissie in hun eigen landschapsnota zelf een ander voorstel deed. Elke beoordelingscommissie schreef een landschapsnota die op de website van het Departement te vinden is.

Daarnaast heeft de minister negen negatief beoordeelde aanvragers ‘opgevist’ en ook een subsidie toegekend. Wie negatief beoordeeld was en vandaag gesubsidieerd werd, krijgt systematisch een vermindering van de bestaande subsidie met 18,1%. Die organisaties kunnen verder werken, maar met minder middelen. Dat is het geval voor bijvoorbeeld Toneelhuis en Needcompany. Dat zijn Jambons eigen politieke keuzes. 

Van die 236 organisaties zijn er 192 die nu al gesubsidieerd worden. Dat is vier vijfde van het totale aantal. Er zijn daarnaast 43 instromers. Dat zijn organisaties die vandaag niet structureel gesubsidieerd worden. Daarvan zijn er wel dertien herindieners, die voor 2017 al een meerjarige subsidie ontvingen, maar ze in de laatste periode verloren. Er zijn negentien uitstromers, organisaties die vanaf 2023 hun werkingssubsidie verliezen. Twee andere fuseren met nona, namelijk Abattoir Fermé en Jazzlab Series. Voor deze negentien uitstromers is de toekomst zeer donker. Opmerkelijk is de vaststelling dat het aantal instromers veel hoger ligt dan het aantal uitstromers.

Bij de negentien uitstromers zijn er een aantal opmerkelijke verliezers. Dat zijn onder meer Troubleyn van Jan Fabre, het jeugdtheater Ultima Thule, Jazz en Muziek (dat Gent Jazz en Jazz Middelheim organiseert), ChampdAction en Cohort, twee organisaties uit de hedendaagse klassieke muziek, Manoeuvre, die werkt aan een participatieve beeldende kunstenpraktijk en de beeldende kunstwerking Etablissement d’en face. De adviezen van de beoordelingscommissies zijn niet openbaar. Het is gissen naar de motieven waarom ze negatief werden geadviseerd. Maar dat sommigen een verlies betekenen voor het landschap, lijdt geen twijfel. Op die manier konden commissies en Jan Jambon wel 4,7 miljoen euro vrijmaken en aan andere indieners toekennen. 

Er zijn ook opvallende nieuwkomers. Te veel om ze allemaal op te noemen. We noteren onder meer Kunsthal Gent vzw, Not Standing (Alexander Vantournhout), FASO Danse Théâtre, FIEBRE (Mestizo Arts Platform), Casco Phil (klassieke muziek), Vincent Company (alternatief spreidingsbureau), de Batterie (participatieve kunstpraktijk), A Nocte Temporis (barokmuziek), muziekclub ‘T Ey, TransfoCollect, Kunstenwerkplaats Dommelhof, Platform K (opnieuw gesubsidieerd), net als Rataplan, Bryggen (klassieke muziek), Tristero en de Vaartkapoen.  

Opvallend daarbij is dat werkingen rond architectuur en vormgeving, een prioriteit uit de Visienota van de minister, en vooral transdisciplinaire en cross-sectorale kunsten sterk toenemen. Ook het theater blijft groeien. 

 

instromers uitstromers saldo totaal aantal organisaties subsidievolume in %
architectuur en vormgeving 4 0 +4 12 2.188.052 1,2%
audiovisuele kunsten, geluidskunst en experimentele mediakunst 0 0 sq 7 1.775.820 1,0%
beeldende kunsten 4 3 +1 19 6.032.198 3,4%
dans 5 0 sq 19 9.578.047 5,4%
multidisciplinaire kunsten (twee of meer hoofddisciplines) 2 2 sq 29 26.917.166 15,1%
klassieke muziek 6 2 +4 35 14.148.562 7,9%
pop, rock en alternative, hip-hop etc.  1 3 -2 15 5.253.864 2,9%
jazz en traditionele muziek 6 1 +5 19 4.064.572 2,3%
muziektheater 1 +1 6 3.496.690 2,0%
theater 5 3 +2 43 31.382.231 17,6%
transdisciplinaire en cross-sectorale kunsten 9 0 +9 21 5.643.921 3,2%
Kunstinstellingen & organ. met specifieke opdracht 0 0 0 11 67.982.030 38,1%
TOTAAL 43 17 24 236 178.463.153 100%

 

Waar zijn de 25 miljoen euro nieuwe middelen aan besteed? Er zijn 192 aanvragers die ook vandaag gesubsidieerd worden (ronde 2017-2022). Gemiddeld stijgt de subsidie voor deze organisaties met 17,8%. Let op met gemiddelden. Er zijn 52 organisaties die een verhoging krijgen van hun subsidie met tussen 5% en 25%, 34 die tussen 25% en 50% verhoging krijgen, 26 tussen 50% en 75%, negentien tussen 75% en 100% en twintig met meer dan 100%, meer dan een verdubbeling. Dat zijn vrij forse stijgingen die zelden of nooit vertoond zijn. Daarmee wordt de fair pay voor het bestaande werkvolume een pak haalbaarder. De nieuw gesubsidieerde organisaties, de instromers – ze zijn met 43 – zijn samen goed voor 8,7 miljoen euro nieuwe middelen. Eigenlijk vertegenwoordigen ze maar een bescheiden deel van de stijging van het budget met 25 miljoen euro. 

“Twintig van de 192 blijvers krijgen een lagere subsidie. De percentages van die dalingen variëren tussen 10% en 50%. Waarop zijn ze gebaseerd?”

Voor zeventien organisaties blijft de subsidie quasi gelijk. Maar twintig van de 192 blijvers krijgen een lagere subsidie. Omdat de adviezen niet openbaar gemaakt zijn, is het moeilijk om de rechtmatigheid van deze verlagingen te beoordelen. Daar zijn een aantal organisaties bij die ‘positief buiten budget’ als advies kregen, zoals Anima Eterna, de Roovers, Oxalys, enzovoort. Maar enkele dalers kregen wel ‘positief binnen budget’, zoals het zomers trefpunt Theater aan Zee, het onvolprezen Collegium Vocale Gent, tg STAN, Alamire Foundation en Kunst in Huis. De percentages van subsidiedalingen variëren tussen 10% en 50%. Waarop zijn die dalingen gebaseerd? Op de preadviezen? Hoe zijn ze gemotiveerd? Het is een bizarre operatie. 

De minister viste negen negatief geadviseerde organisaties op. Dat zijn het Huelgas Ensemble, Ictus, Terra Nova en Casco Phil, vier weliswaar zeer verschillende organisaties uit de klassieke muziek, drie uit het theater: Toneelhuis, 4Hoog Productiehuis en Needcompany, het multidisciplinaire Z33 en de (folk) muziekclub ‘T Ey. De minister volgde hier de beoordelingscommissies niet. Hij motiveert die keuze vanuit een goede landschapszorg. Dat is deels ook juist – dat geldt zeker voor sleutelorganisaties als Toneelhuis en Z33, ook voor gereputeerde ensembles als Ictus en Huelgas, zelfs voor een folkclub als ‘T Ey – maar de beslissing is toch ook deels ‘geforceerd’. Lees: gebaseerd op persoonlijke voorkeuren, politieke connecties, lobbying en afspraken binnen de meerderheid. 

De Landschapscommissie adviseerde – in een sterk onderbouwd advies  – om zestien ‘positief buiten budget’ geplaatste organisaties toch te subsidiëren, goed voor (amper) 4,5 miljoen euro, maar adviseerde ook om daarnaast drie organisaties te subsidiëren op grond van de ‘verantwoordelijkheid voor de politiek’. Het gaat om het Kaaitheater, Kunstencentrum nona en Kopergietery. Het is een legitieme vraag. De minister heeft dat advies gevolgd. 

Waar ik het nog niet over heb gehad, is de verhouding tussen de gevraagde subsidies en de toegekende subsidies. De 236 organisaties die nu samen 178,5 miljoen euro subsidie zullen krijgen, vroegen samen voor 213,3 miljoen euro aan. Zij krijgen dus gemiddeld 84,3% van wat ze vroegen. Als je daar ook de aanvragen bijtelt van zij die niet over de lat zijn geraakt, dan komt daar nog 13,7 miljoen bij en daalt het gemiddelde naar 78,6 procent. 

Een en ander roept toch vragen op. Het is een publiek geheim dat het kabinet van de minister in de voorbije maanden druk bezocht werd. Dat mensen hun belangen proberen te verdedigen, kan je hen niet kwalijk nemen. Fundamenteel kan je je echter wel afvragen of dat niet leidt tot een ongelijke behandeling van alle aanvragers. 

“Van de 236 organisaties zijn er 192 die nu al gesubsidieerd worden. Dat is vier vijfde van het totale aantal.”

Een landschap met kwetsbare biotopen

Uit de beslissingen kunnen we enkele tendensen destilleren. We zien een waardering voor folk en traditionele muziek. WESP en ‘T Ey versterken dit veld, waarop ook Dranouter, Muziekpublique, Sfinks en Moussem actief zijn. Het sociaal-artistiek werk boert goed. Hoewel het verspreid zit over de verschillende disciplines, blijft het stevig overeind, al missen we instromers. Het terrein van de architectuur en vormgeving groeit aan. Dat sluit aan bij de prioriteiten uit de Strategische Visienota van Jambon. Er komen vier nieuwe organisaties op de subsidielijst, weliswaar met lage bedragen. De culturele tijdschriften, Etcetera en rekto:verso, verdubbelen hun subsidie. Zo zetten kunstkritiek en -reflectie een volgende stap naar professionalisering en fair pay.

De hedendaagse dans vernieuwt. De pioniers uit de de Vlaamse golf verliezen nog niet aan kracht, al dringt transitie en verjonging zich op. Er zijn vijf nieuwkomers en geen uitstromers. Het theater blijft dominant en profiteert al decennia van het feit dat zij als eerste artistieke sector een eigen regeling, later het podiumkunstendecreet, hadden. Zij zijn goed voor 17,6% van de subsidiepot. In het muziektheater is weinig beweging te zien. Opmerkelijk is dat de commissie zelf schrijft dat musical en operette een noodzakelijke aanvulling en verbreding zijn, omdat ze een ander publiek aanspreken. De ingediende dossiers blijken niet sterk genoeg. Hopelijk komen zij terug via projectsubsidies. De commissie Jazz schrijft dan weer dat de opdeling van genres als jazz, traditioneel, pop en rock artificieel en achterhaald is. Het resulteert in een fragmentering van het veld. 

“De 236 organisaties die nu samen 178,5 miljoen euro subsidie zullen krijgen, vroegen samen voor 213,3 miljoen euro aan.”

De Vlaamse Kunstinstellingen dan, de chouchous van de minister? Ook zij gaan erop vooruit, globaal met 7,1%. Dat is lager dan de 226 andere kunstenorganisaties die globaal met 37,1% vooruitgaan. Bij de Kunstinstellingen is de AB de sterkste stijger, gevolgd door VIERNULVIER (Voo?uit) en het Concertgebouw Brugge. Het Antwerp Symphony Orchestra moet met een status quo genoegen nemen. De Landschapscommissie betreurt dat er een grote instelling voor architectuur en vormgeving ontbreekt. Zij stelt ook, en dat is hard, dat een deel van de kunstinstellingen performant en relevant is, maar vraagt zich bij anderen af of hun impact wel in verhouding is met het toegewezen budget. Sommige beoordelingen zijn erg kritisch, aldus de Landschapscommissie. Samen met de beoordelingscommissie Kunstinstellingen wijst ze ook op de nood om het orkestlandschap te herbekijken: ‘Dit gaat breder dan de kunstinstellingen met orkesten maar omhelst het volledige Vlaamse en nationale veld van de grote orkesten. Betere afstemming zowel inhoudelijk als organisatorisch moet daarbij het uitgangspunt zijn.’ De commissies Klassieke Muziek 1 en 2 schrijven dat de dossiers voor de gewone werkingssubsidies strenger beoordeeld worden dan de dossiers van de Kunstinstellingen. Liggen de kwaliteitseisen onterecht lager?

Zo’n genereuze subsidiebeslissing zou toch moeten vermijden dat er nog hiaten zijn in het kunstenlandschap. Maar toch. Vooral de hedendaagse klassieke muziek, vaak experimenteel, verliest van zijn pluimen, in tegenstelling tot de oudere klassieke muziek die nog groeit. Ook voor de jazz breken lastige tijden aan, al is de jazz ook een werkgebied van een aantal multidisciplinaire werkingen (KAAP, nona) en concertorganisatoren.

Het gebrek aan aandacht voor participatie blijft zorgwekkend. De minister heeft ook hier wat bijgesteld. Prima, maar deze functie blijft onderbelicht in het commissiewerk, mede door het ontbreken van voldoende expertise. 

Het is ook noodzakelijk om het gesprek aan te gaan met de lokale besturen, vooral uit de centrumsteden. De commissie Beeldende Kunsten schrijft, in het kader van de afwijzing van atelierwerkingen, dat het beschikbaar stellen van betaalbare permanente en tijdelijke werkruimtes noodzakelijk is met het oog op de grote uitstroom van de kunstopleidingen – zeer terecht trouwens – maar dat dit eerder een taak is voor de lokale overheden. Hmm, is dat wel zo? Is het geen gedeelde verantwoordelijkheid? 

Ik vermeld nog een opmerking van de Theatercommissie. ‘Het valt bij enkele organisaties op dat ze nog te weinig bezig zijn met de eigen buurt of de (stedelijke) omgeving waarbinnen ze opereren. (…) het is zelden gericht op de onmiddellijke (vaak multiculturele / diverse) realiteit van hun omgeving. Organisaties richten zich jammer genoeg vaak (bewust of onbewust) op een witte middenklasse en reflecteren de maatschappelijke context te weinig, of ze creëren voor eenzelfde publiek of een publiek van gelijkgezinden. Dit verdient meer aandacht.’ Mag ik deze opmerking projecteren op nog vele andere disciplines? 

Ten slotte kun je je afvragen hoe groot de druk door deze uitslag op de projectsubsidies wordt. Het beperkte aantal uitstromers, zeventien, zal die wellicht niet sterk vergroten. Maar er zijn natuurlijk ook nog 41 organisaties die geen subsidie te pakken krijgen en zich tot de projectenpot zullen wenden. Dat die nu vastligt op 12,5% van de totale subsidies aan de organisatie, dus 12,5% van 110 miljoen euro, zal hen wel behulpzaam zijn. Dat lijkt dus in de goede richting te gaan. 

“Voor de gehonoreerde organisaties die ook vandaag structureel ondersteund worden, stijgt de subsidie gemiddeld met 17,8%.”

De tieners

Voor het eerst werden ook subsidies voor twee beleidsperiodes, voor tien jaar uitgedeeld. Het is een categorie tussen de kunstinstellingen en het middenveld, de andere (en grootste) groep van organisaties. Gebaseerd op de culturele basisinfrastructuur in Nederland, maar bij ons een omstreden categorie. De Kerninstellingen op de schop: Heeft ons kunstenveld echt nog meer “gated communities” nodig?’, schreef Yasmina Boudia in Etcetera in december 2020.

Er zijn zestien organisaties die voor tien jaar gesubsidieerd zullen worden. Dat zijn twee van de drie stadstheaters (NTGent en KVS), drie keer jeugdtheater (hetpaleis, BRONKS en Kopergietery), zeven grote kunstencentra (Kaaitheater, STUK, KAAP, nona, CAMPO, BUDA, De Studio – Villanella), drie belangrijke actoren in de muziek, dans en beeldende kunsten (De Bijloke, Rosas en WIELS) en het op educatie en participatie gerichte Musica.

“De Landschapscommissie stelt dat een deel van de Kunstinstellingen performant en relevant is, maar vraagt zich bij anderen af of hun impact wel in verhouding is met het toegewezen budget.”

De Landschapscommissie gaf een advies over de kandidaten. Zij heeft twijfels over de invulling van de verplichte drie functies die zij moeten opnemen, functies die ze zelf mogen kiezen. Die zijn deels onvoldoende ingevuld. Maar zijn ze ook een voldoende meerwaarde? Drijven ze de organisaties niet weg van hun core business? Ik vraag me af hoe zinvol deze categorie is voor het landschap. Enkele huizen kunnen misschien beter Vlaamse Kunstinstelling worden, andere als vijfjarige gesubsidieerde actor beschouwd worden. Een en ander hangt ook af van de vraag hoe de beheersovereenkomsten die deze organisaties moeten afsluiten met de overheid worden ingevuld. Legt de overheid specifieke eisen op? Zijn de organisaties het daarmee eens? En hoe worden ze geëvalueerd? Dat is nog onduidelijk.

“Er zijn zestien organisaties die voor tien jaar gesubsidieerd zullen worden.”

En de kunstenaars?

Veel beoordelingscommissies wijzen op de precaire positie van kunstenaars. Meer dan terecht. Ze zijn de zwakste en de minst beschermde spelers, ondanks de nodige aandacht die gaat naar correcte vergoedingen en statuten. Hier moet de overheid een rol spelen: steekproefgewijze controle uitoefenen bij de organisaties, niet om meteen te bestraffen, maar om meer inzicht te krijgen in de mechanismen die leiden tot die situatie. De spanning tussen overheadkosten met vaste arbeidsovereenkomsten voor de leiding en de medewerkers, en tijdelijke overeenkomsten met kunstenaar, is significant. Het lijkt nog steeds zo dat de kunstenaars in de laagste schuif liggen, al zijn net zij de fundering en de steunpilaren van elke artistieke organisatie. Dat blijft een enorme uitdaging. Wie het geluk heeft een sterke subsidiestijging te krijgen, kan hier grondig over nadenken en de werking zo nodig bijsturen. Het is trouwens een van de prioriteiten in de Strategische Visienota van Jambon: ‘De individuele kunstenaar als hoeksteen van het landschap’. 

“Veel beoordelingscommissies wijzen op de precaire positie van kunstenaars. Meer dan terecht.”

Peers versus politiek

Na de bekendmaking van de preadviezen ontstond veel commotie. Mocht de minister de adviezen letterlijk gevolgd hebben en zich aan het initiële budget houden, dan zouden 41 organisaties (zeventien negatief, zeventien buiten budget, zeven negatief/opgevist) hun subsidies verloren zijn. Nu is dat beperkt tot zeventien in totaal. Die ondraaglijkheid is het gevolg van het te lage budget, wat door zowat elke beoordelingscommissie neergeschreven is in de landschapsnota, maar ook van het systeem van het gesloten budget dat aan elke beoordelingscommissie werd meegegeven. En dus werd, terecht, moord en brand geschreeuwd en aan de politiek met grote aandrang gevraagd om budget bij te zoeken en sterk politiek te interfereren bij de toewijzing van subsidies. Waar is de tijd dat de politiek bij voorkeur op afstand te bleef en vooral gedwee de adviezen volgde…  

Daarmee is eigenlijk een belangrijk basisprincipe van de wijze waarop subsidies worden toegekend, stevig ondergraven. Nog nooit heeft een minister van Cultuur zo drastisch wijzigingen aangebracht aan de adviezen van de beoordelingscommissies als Jan Jambon. Maar weinigen zullen dat erg vinden, er komt immers een pak geld bij. Leve de politieke besluitvorming? Nee. Maar het zou van een slechte wil getuigen om te stellen dat de wijze waarop Jan Jambon de procedure in elkaar zette, net de bedoeling had om op het eind van dit drama als messias op het toneel te verschijnen. A star is born. Nee, zo creatief zijn ze niet in de Vlaamse regering. 

Ja, Jambon greep politiek in, maar hij deed geen afbreuk aan de geest van de adviezen van de beoordelingscommissies. Dat mag ook gezegd worden. Al heeft hij de cijfers stevig naar zijn hand gezet. Hij viste pas de negatief geadviseerden op nadat hij alle positieven buiten budget subsidies toekende. Hij schaadde de belangen van de tweede groep dus niet. Maar of dat de beste werkwijze is, daar kan je veel bedenkingen bij maken. Ik vraag me af wat de individuele leden van de beoordelingscommissies daarvan vinden. Zelf zou ik gefrustreerd rondlopen. De minister zadelt mij op met een onhaalbare opdracht. Je krijgt een gesloten enveloppe waarin te weinig geld zit om een eerlijk oordeel uit te spreken over de kwaliteit van de aanvragende organisaties. Je moet uitwegen zoeken om (net iets minder) goede artistieke werkingen buiten budget of negatief te beoordelen. En als je klaar bent, komt de opdrachtgever met een dik gevulde enveloppe voor de dag die alle spanningen en problemen oplost. Had Jambon die budgetstijging niet eerder moeten bekend maken? Dan waren al die ellende, de lastige preadviezen, de boze replieken en de kwaadspraak overbodig. Hoeveel mensen hebben er niet tal van slapeloze nachten en stresserende dagen aan over gehouden? Niemand verwelkomt een ontslag of het afblazen van artistieke projecten. 

Dat de minister het niet vroeger kon weten? Het is waar dat politieke akkoorden vaak pas op de valreep worden afgesloten. In De Standaard legt Jan Jambon uit waarom hij de extra middelen niet vroeger kon vrijmaken. En toch, hij zag dit probleem aankomen en had kunnen anticiperen. Hij ondergraaft de beoordelingssystematiek, zegt het vertrouwen op in expertise, toont aan de buitenwereld wie de echte baas is… Misschien, of is het wellicht, heeft Jan Jambon, en vooral zijn partij, nu toch wat meer vertrouwen gewonnen in kunstenland. Maar het vertrouwen van de leden van beoordelingscommissies zal er niet door gestegen zijn. Als je wilt dat dit systeem goed werkt, dan moet er een correct budget voor uitgetrokken worden, bij het begin van de procedure, niet op het eind.

Procedure kan beter

Is het wel een goed procédé om de commissies vooraf een gesloten budget te geven? Een van de ambities van dit kabinet was om te gaan naar een beheersbaar kunstendecreet (niet meer ‘laat duizend bloemen bloeien’) zonder de vraaggestuurde aanpak volledig overboord te gooien. Een gesloten budget was daar het instrument voor. Dat is vooral handig voor de overheid. Die schuift de lastige klus, hoe de schaarste te verdelen, door. De commissies moesten, wat de centen betreft, een rotklus uitvoeren. Ze kregen een mank budget toegewezen en moesten daarbinnen blijven. Dat veroorzaakt niet alleen harde subsidievoorstellen, maar ook veel problemen en spanningen. De commissie Klassieke Muziek 1 merkt op dat het werken met een gesloten enveloppe ertoe leidt dat een onbevangen artistieke beoordeling eigenlijk niet meer kan. Voor sommige commissies (die ongeveer de helft van de aanvragen beoordeelden) was er meer dan 100% van het huidige bedrag (binnen dat deel van het veld) beschikbaar. Bij Theater, Klassieke Muziek en Multidisciplinair was dat slechts 85 à 91%, waardoor die sectoren per definitie in een krimpscenario terechtkwamen. Tegelijk bleek dat de instroom van nieuwe aanvragers binnen die sectoren beperkt was in vergelijking met de andere sectoren.

Daarnaast blijkt dat de wijze waarop commissies de verdeling hebben gemaakt, onderling erg verschilt. Sommige gebruikten de kaasschaaf om zoveel mogelijk organisaties te honoreren, andere waren strenger en zetten organisaties buiten budget. Dat zorgt voor onevenwichtige subsidiebedragen. Die zijn deels door de politieke ingreep van de minister weggewerkt, maar het is niet duidelijk in welke mate dat is gebeurd. We hopen dat, waar de kaasschaaf gehanteerd werd, de bedragen zijn gecorrigeerd. Zo niet tast het vooral de mogelijkheden aan om faire praktijken te hanteren in de omgang met kunstenaars en andere medewerkers. 

Sommige commissies schoven zware dossiers (qua bedragen), waarrond artistieke twijfels bestonden, strategisch door naar de Landschapscommissie en de politici, zo werd her en der gesteld. Wel, die strategie … heeft gewerkt. Alleen moeten we ons afvragen of dat deontologisch een goede manier van werken is. 

“Sommige commissies schoven zware dossiers strategisch door naar de Landschapscommissie en de politici, zo werd her en der gesteld. Wel, die strategie … heeft gewerkt.”

Een ander probleem is dat commissies niet altijd een totaalbeeld hebben over de discipline waarin ze beoordelen, omdat er dan twee parallelle commissies zijn die onderling niet voldoende afstemmen, en omdat deze disciplines ook deel zijn van multidisciplinaire werkingen. Er moet een oplossing gezocht worden om het landschap in zijn totaliteit, zeker binnen disciplines, in beeld te krijgen. Misschien kan de Landschapscommissie dat doen, of kan het Departement een begeleidende rol opnemen.

Het werken met de functies raakt ingeburgerd, stelt de commissie Theater. Er zijn wel nog steeds dossiers die er mee worstelen. Dat is vooral zo bij de functies ontwikkeling en reflectie. Lezen de indieners de handleiding dan niet? Een andere commissie merkt op dat het hanteren van de fair practice-principes door verschillende organisaties anders wordt ingevuld. Er moet beter werk gemaakt worden van de beoordeling van de prioriteiten die de minister aangeeft in zijn Strategische Visienota Kunsten. Maar ook de minister moet helder zijn. 

De vraag of sociaal-artistieke organisaties niet beter door een eigen beoordelingscommissie binnen het Kunstendecreet worden beoordeeld, komt telkens terug. Nu ook weer. Nu zijn de organisaties verdeeld over verschillende beoordelingscommissies waar ze toch te vaak de vreemde eend in de bijt zijn, aldus de commissie Audiovisueel. 

Dan is er de problematiek van de af- en aanwezige kennis en expertise in de beoordelingscommissies. Cruciale aandachtspunten zijn een betere screening van kandidaten, een goede begeleiding door het Departement, een goede mix van ervaring en nieuwe mensen, voldoende grote commissies om de objectiviteit te verzekeren… Zo vraagt een commissie zich af of instromende commissieleden onmiddellijk bij werkingssubsidies kunnen worden ingezet, of zij niet beter eerst ervaring opdoen bij beoordelingen van projectsubsidies.

Het systeem van de hoorzittingen voldoet niet aan de verwachtingen, noch van de commissieleden, noch van de aanvragers. Er is geen enkele dialoog mogelijk en de tijd is erg beperkt. Oppervlakkigheid troef. Het kan veel beter. 

“Ja, Jambon greep politiek in, maar hij deed geen afbreuk aan de geest van de adviezen van de beoordelingscommissies.”

Er zijn ook bedenkingen bij het financieel luik van het KIOSK-model. Het biedt onvoldoende inzicht, met als gevolg dat de optionele toelichting die iedereen gebruikt, niet meer transparant is, aldus de commissie Muziektheater. Transparantie is inderdaad één van de pijlers van fair practice. De commissie Audiovisueel schrijft dat steunpunten nieuwe indieners moeten begeleiden in het traject naar indiening van een dossier met de juiste verwachtingen. Grote organisaties hebben vaak de middelen om hun dossiers te laten schrijven door externe experten, dat is veelal niet het geval bij de kleinere organisaties, wat leidt tot een discrepantie in de kwaliteit van de ingediende dossiers, schrijven meerdere commissies. 

En de toekomst van de uitstromers, hoe zit dat? Is er nood aan een beleid ter zake, zoals de Landschapscommissie schrijft, samen met drie andere commissies? Die stelt voor de subsidie-exit te herdenken en getrapt te laten verlopen. 

Ik zou de overheid willen aanbevelen een wetenschappelijke (kwalitatieve) studie uit te voeren naar de kwaliteit van het beoordelingswerk… Doe dat op tijd zodat het een goede invloed kan hebben op de volgende ronde, binnen vijf jaar.

Ten slotte blijft de regionale spreiding een bekommernis. De centrumsteden evolueren in de goede richting met ‘stevig verankerde instellingen’. Limburg blijft een probleem. De weinige actoren aldaar, slechts negen op 236, zijn welwillend bejegend door de minister. Dat is goed, De schaarse aanvragen kunstenorganisaties in Limburg varen er wel bij, maar er moet wel werk gemaakt worden van een oplossing ten gronde. Hoe minder kandidaten, hoe groter de opbrengst. Er is in Limburg ook geen Vlaamse Kunstinstelling. Dat wordt wellicht dé uitdaging voor Z33.

De liefde van de kunstensector afgekocht?

Hoe is Jan Jambon erin geslaagd om dat ruime en onverwachte extra budget bij elkaar te krijgen? Wat heeft de Vlaamse regering als tegenprestatie beloofd aan de andere regeringspartners? Wat heeft CD&V en Open VLD bewogen om akkoord te gaan? Zou het uit liefde kunstensector zijn? Omwille van het belang van cultuurbeleid? Wie weet…

“Was het nodig om eerst angst en stress te organiseren, tussen januari en eind juni, om dan vervolgens als ambulancier op te treden?”

In ieder geval heeft Jan Jambon zijn misstap van het begin van zijn ambtsperiode als minister van Cultuur – het tijdelijk schrappen van de helft van de projectsubsidies – gepoogd goed te maken. De kunstenwereld waardeert ongetwijfeld zijn straffe subsidieverhoging. Maar toch zal er een unheimlich gevoel blijven hangen: was het nodig om eerst angst en stress te organiseren, tussen januari en eind juni, om dan vervolgens als ambulancier op te treden? Niettemin, bedankt Jan. En aan de volgende minister van Cultuur: gelieve dit de volgende keer toch netter, transparanter en deontologisch correct aan te pakken. Dank bij voorbaat.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

opinie
Leestijd 16 — 19 minuten

#168

15.05.2022

14.09.2022

Bart Caron

Bart Caron was Vlaams Parlementslid voor Groen. Hij publiceert regelmatig opinies over Vlaams cultuurbeleid.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!