Freek Vielen

Leestijd 13 — 16 minuten

State of the Youth

Theatermaker Freek Vielen sprak zijn State of the Youth uit op 4 september tijdens de opening van Het Theaterfestival in deSingel in Antwerpen.

1.

In het zesde leerjaar stierf een klasgenootje van mij

ik was twee jaar daarvoor verhuisd en in die twee jaar dat ik met hem in de klas had gezeten was hij weinig op school geweest

ik kende hem niet zo goed

ik wist dat hij eens op een schooldag naar Disneyland was gegaan en dat ik toen niet jaloers mocht zijn, maar waarom wist ik niet

toen de meester vertelde dat hij gestorven was voelde ik niets,

wist ik niet wat ik voelde, en speelde die dag door,

enigszins opgelucht doordat ik de spreekbeurt

die ik niet goed had voorbereid

niet hoefde te doen

ik heb niet gehuild, ben niet stil in een hoekje gaan zitten, heb geen bezorgde vragen gesteld aan mijn ouders.

de nacht voor zijn begrafenis waar we met de hele klas op de fiets naar toe zouden gaan, werd ik huilend wakker door een nachtmerrie.

Ik had gedroomd dat mijn broer gestorven was

en ik moest verschrikkelijk huilen.

Ik wist niet waarom, maar ik moest zo hard huilen

wat ik deed in mijn eentje in de badkamer

om niemand wakker te maken.

ik zou het toch niet kunnen uitleggen.

Ik weet nog goed dat ik nog nooit de gedachte had gehad

dat ik van mijn broer hield,

ik had nog nooit de angst gevoeld dat ik hem kwijt zou kunnen raken,

maar door die droom ervoer ik iets dat ik nog niet eerder had ervaren,

ik ervoer iets van wat dood zijn, dood gaan, achterblijven kan betekenen.

Als ik iets wil mijn komende leven,

hoe kort of lang dat ook moge duren

dan zou ik graag dat soort dromen en nachtmerries achterna jagen

om ze via repetitieruimtes, brainstormsessies en subsidiedossiers
om 20:30 in een theaterzaal, met open ogen, mee te kunnen maken

om te weten wat ik voel

om te voelen wat ik weet

om iets te voelen wat ik nog niet heb gevoeld

iets te weten wat ik nog niet wist.

2.

Goedenavond dames en heren,

mijn naam is Freek Vielen, ik ben 29 jaar en heb afgelopen jaar Heimat geregisseerd

ik ben zeer vereerd dat ze me voor deze State of the Youth gevraagd hebben.

nog maar tien jaar geleden deed ik auditie hier op de Singel

en nu zou ik jullie allemaal mogen toespreken

wat een eer

en ik zou in de zomer, zo had ik bedacht,

in alle rust, als de deadlines gehaald waren

en de dagen weer meer uren dan activiteiten zouden hebben,

dan zou ik deze speech gaan schrijven.

maar het werd een zomer waarin de komkommertijd nooit echt doorbrak,

waarin de beelden van Gaza, Oekraïne en Irak om en op de voorpagina vochten

met de onmenselijke beet van Luis Suarez

en ik dacht ‘wat is hier aan de hand’

‘waar stopt dit’ ‘hoe kan ik dit stoppen’

ik deed uiteindelijk de televisie uit en begon te schrijven

en begin augustus had ik mijn speech af,

te lang

-wat ik weet aan mijn jeugdig enthousiasme;

later, ooit, als ik oud ben,

zal ik wel in voetnoten en toevoegingen praten,

spreken met penselen om de laatste details te veranderen, zo dacht ik.

nu moet ik de blokkwast en de roller nog gebruiken-

te lang, deze speech, maar af.

en toen, begin augustus, terwijl Theater aan Zee nog bezig was,

en nog voor de boekhoudkundige mededeling

betreffende ons gezamenlijk budget kond was gedaan,

las ik op een rustige zomeravond de State of the Unions voor mij.

ik begon met één,

toen de volgende en tenslotte las ik ze allemaal.

En ik begon me zorgen te maken.

Niet zozeer vanwege het feit ik er achter kwam dat bijvoorbeeld Oscar van Woensel 31 was toen hij de state van the Union deed, niet die van the Youth, maar die van de Union, Wayn Traub was 32, net als Sidi Larbi, waardoor even de gedachte kwam of ik met mijn 29 jaar wel zo blij zou moeten zijn met mijn jonge makers label, of de State of the Youth niet evengoed een pappen en nat houd pierenbadje is, omdat het zwembad simpelweg al jaren te vol is en zal overstromen met mijn aanwezigheid,

maar die gedachte ging gelukkig spoedig weer weg

omdat het uiteindelijk allemaal niet zo belangrijk is

ik schrok van het lezen van die speeches

omdat ze bijna zonder uitzondering hetzelfde verhaal vertelden

ze verdedigden de waarden van kunst

en ze waarschuwden voor het neoliberalisme

en de doodlopende weg van marktwerking

in de maatschappij in het algemeen

en in de kunst in het bijzonder

exact wat ik in mijn affe augustusspeech ook probeerde te doen

ik schrok omdat alles wat ik geschreven had

ook door anderen al gezegd was

en ik schrok omdat het dus blijkbaar niets geholpen had

ik schrok dat Srebrenica door Syrië is vervangen

en het dus blijkbaar niet geholpen heeft

zou ik dan nu datzelfde verhaal nog eens moeten doen?

dacht ik

of is zwijgen, eindelijk staken

gepaster?

maar als er één plek is waar oude verhalen opnieuw en opnieuw verteld mogen worden,

om telkens weer een andere alliantie met het moment, de dag, het jaar aan te gaan,

om steeds opnieuw te zoeken naar betekenis en uitzicht

dan is het, lijkt mij, deze plek.

dus hier –dan toch

mijn draai in de molen

mijn portie repetitieve boosheid

mijn oplossing voor dit alles

mijn geloof dat het weldegelijk zin heeft

om je uit te spreken

om jezelf te formuleren

3.

mijn moeder is ziek. In april kreeg ze te horen dat de kanker waar ze 10 jaar geleden van genezen leek, terug was gekomen.

die zin stond overigens in geen enkele ander State of the Union

maar dat is niet de reden dat ik het u vertel

ik zeg het slechts omdat het waar waar waar is

mijn moeder heeft een tumor in haar heup

zo gaat dat

ik weet dat er mensen zijn die vinden dat mijn generatie

te veel in hun navel ronddoolt

daar slechts tussen het pluis en opgedroogd zaad zit te wroeten.

mocht u nu behoren tot die categorie die die mening ten deel is gevallen

maar toch van deze tekst wil genieten

het is het begin van het seizoen, we gaan elkaar nog nodig hebben de komende jaren

heb ik een gratis tip:

gejat uit de eerste roman van Dave Eggers

‘doet u alsof het fictie is’

mijn vader belde me in april

of ik toch graag misschien even langs huis wou moest komen snel vandaag nu

omdat het terug was gekomen, omdat het op zo’n gekke plek zat, omdat het kanker was, was volgens de dokters de kans groot dat het al uitgezaaid – in haar organen zou zitten.

En na bijna een maand  geleefd te hebben met het idee dat mijn moeder misschien nog maar een maand te leven zou hebben, kregen we nieuws:

de tumor was niet uitgezaaid en was op dit moment niet levensbedreigend. Ze zou er dus niet aan doodgaan. Er was maar een minpunt: het is niet te genezen, ze kunnen het niet weghalen, en ze zal er dus aan doodgaan. Gelukkig niet meer direct, maar zeker wel ooit.

Ik was thuis, de dag na dat doktersbezoek.

Mijn vader werd gebeld en ik hoorde hem aan de telefoon tegen mijn tante zeggen:

‘hoe ik me voel?’

hij zuchtte, slikte wat woorden en tranen weg, en zei toen

‘daar zou eigenlijk eens een zeer goede schrijver een boek over moeten schrijven,

om te verwoorden wat ik nu allemaal voel’.

4.

Ik wil het in deze speech niet hebben over mijn moeder, niet over de dood

ik wil het hebben over wat mijn vader zei aan de telefoon tegen mijn tante.

en waarin ik mijn vak -per ongeluk- begrepen en gewaardeerd voelde

en hoe goed dat voelde, dat mijn vak begrepen werd en belangrijk werd gevonden,

na twee jaar Nederlandse bezuinigingretoriek en aanverwante ellende

en met de Vlaamse bezuiniging en zijn zalvende retoriek in het verschiet

ik herkende in die woorden van mijn vader

mijn taak

als schrijver/theatermaker

over die taak wil ik het graag hebben

daar gaan we:

5.

ik heb een vriendin die dichter is en die mopperde dat mensen eigenlijk alleen dichtbundels kopen als ze super verliefd zijn of als er iemand sterft.

Als ik aan mijn vader denk,

die zonder woorden of beelden,

opgelucht, maar verslagen en vermoeid

op de bank zat,

kan ik alleen maar aan die dichter zeggen: wees blij.

Wees blij dat als er mensen zonder woorden zitten,

ze die woorden kunnen proberen te zoeken bij de woordenstamelaars,

bij de dichters. Dat is ons vak.

Zoals de wetenschapper op veldwerk gaat,

of nog eens op zijn rekenmachine kijkt ,

of nog maar eens twee artikelen van andere wetenschappers met elkaar vergelijkt,

om maar iets over de wereld te kunnen zeggen,

iets dat waar is,

iets dat door zijn collega’s wordt gereviewd in toonaangevende bladen

als waar

zo is het mijn vak om rond te kijken in deze wereld

dat te analyseren

en daar woorden, beelden, verhalen aan te geven

en die tot een ervaring te maken.

Zodat mensen als ze samen uit –bijvoorbeeld- een voorstelling komen

tegen hun partner kunnen zeggen:  kijk zo voel ik me,

dit probeer ik je al zo lang duidelijk te maken,

waarom verander je niet,

waarom verander je niet iets aan je leven?

kunst kan je gebruiken waar normale taal tekort schiet,

je kunt het gebruiken om te communiceren.

Door een concreet ‘iets’  te maken in de buitenwereld,

een ‘iets’ dat als waar wordt ervaren

‘iets’ dat door het publiek wordt gereviewd als waar

kan je naar dat ‘iets’ verwijzen

als je iets wilt mededelen over je binnenwereld.

Het verbreedt simpelweg het zegbare.

Maar het gaat natuurlijk nog verder.

Het heeft bij mij ook het voelbare, het denkbare en het kenbare verdiept.

En dit bedoel ik op de minst esoterische manier mogelijk:

Ik leende van een vriend On the Road en ik wist waarna ik al een paar jaar verlangde zonder dat ik wist, ik verlangde naar de wereld

ik las Bij Nader Inzien van JJ Voskuil en ik snapte mijn vrienden, mijn vriendschap beter

Ik las Salinger en voelde me begrepen

door mezelf

door Salinger begreep ik wat ik voelde en voelde ik wat ik begreep.

Kunst is een communicatiemiddel

waardoor je de wereld en jezelf beter kan leren kennen.

Het kan troosten of verontrusten,

het kan de wereld mooier maken en daarmee verbeteren

of lelijker waardoor je als toeschouwer zelf de wereld mooier wil maken.

Maar uiteindelijk is het een communicatie middel

om datgene

waar we volgens een Weense loopgraafsoldaat over moeten zwijgen in de wetenschap

zegbaar, kenbaar, voelbaar, denkbaar te maken.

Binnen een mens of van mens tot mens

of zelfs

van groep tot groep

en dat dwars door de eeuwen heen.

het lijkt me verre van overdreven te stellen

dat wij door ons vermogen tot het maken van kunst

steeds een diepgaander en genuanceerder gesprek zijn gaan voeren.

we kunnen het hebben over Kafkaprocesen,

we kunnen in opiniestukken verwijzen naar het Trumansyndroom

of de The Big Brother die meekijkt.

we kunnen waarschuwen voor plannen door de gevolgen in een kunstwerk tastbaar te maken zonder dat de plannen uit hoeven gevoerd te worden

we kunnen dromen over horizonnen die we zelf verzinnen

en die we vervolgens waar kunnen maken

we kunnen onze wereld inrichten

op basis van dingen die alleen bestaan doordat iemand dat bedacht heeft

het verbreedt niet alleen het zegbare,

maar verdiept ook het denkbare,

binnen een persoon

binnen een maatschappij.

6.

ik heb soms zelfs het gevoel dat wetenschappers en kunstenaars niet alleen de realiteit blootleggen maar zelfs uitbreiden. Als je iets echts goeds hoort of leest dan lijkt het vaak alsof die waarheidsvinders simpelweg de Mijnen der Waarheid zijn ingedoken om daar Waarheid te delven, om mee naar boven te nemen om het trots aan ons te laten zien,

terwijl we nooit kunnen weten of het niet eigenlijk waarheidsalchemisten zijn.

Mensen die uit blubber goud hebben gemaakt.

Mensen die door iets bedacht te hebben de werkelijkheid uitbreiden.

7.

Neem nu als voorbeeld het onderscheid

tussen burgers en consumenten

een onderscheid, ooit onder woorden gebracht door een filosoof,

en later door andere mensen zo vaak gebruikt

dat we het nu kunnen hanteren

ieder individu –zo ontdekte of bedacht hij-  heeft een burger en een consument in zichzelf

de burger kijkt naar wat hij denkt dat goed is voor ons allen,

de consument kijkt naar wat goed is voor hem,

de burger focust zich op wat hij verlangt voor het land,

de consument op waar hij zin in heeft voor zichzelf.

De burger kiest in het stemhokje, de consument in de Carrefour.

Ik moest aan dit onderscheid denken

dat onderscheid dat misschien alleen als idee bestaat,

toen ik vorige week over straat liep

ik liep over straat

en ik stond naast een stoplicht

met daarin een tikapparaat voor blinden.

Dat tikapparaat dat langzaam tikt als het stoplicht op rood staat

en snel tikt als het op groen springt.

Ik dacht daar niet zoveel over

tot ik doorliep en bij het volgende stoplicht weer zo’n tikapparaat hoorde

en  ik dacht, wat goed.

Wat goed van ons, dat we in alle stoplichten zo’n tikapparaat stoppen.

Hoeveel zou dat wel niet kosten? En hoeveel is dat dan per blinde, dacht ik.

Maar dat maakt niet uit, dacht ik toen,

want ik, als burger, vind het goed en vanzelfsprekend

dat we dat gezamenlijk betalen voor onze blinde medemens.

Omdat iedereen zo veel mogelijk geholpen moet worden om zelfstandig over straat te kunnen gaan en zijn leven te ontplooien, zijn talenten waar te maken.

Natuurlijk moeten we dus doorgaan met in alle stoplichten een tikapparaat te stoppen.   Daar betaal ik graag aan mee via belastingen.

Geen probleem.

Daar hoef ik heus geen ‘dank je wel’ voor.

Of een kaartje met kerst, ‘bedankt namens de blinde gemeenschap’, natuurlijk niet.

Ik vind het vanzelfsprekend dat we dat collectief regelen,

zelfs al heb ik er als redelijk perfect ziend persoon niets aan.

Zelfs al vind ik dat luide getik soms zelfs, dat geef ik toe, een beetje irritant.

Geen punt.

en dat vind ik echt

maar

dacht ik toen ik verder liep

stel nou

dat er voor mij 2 potjes zouden staan,

een potje waarbij zou staan ‘doneer hier uw 2 euro om de tikapparaten mee te financieren’

en het andere potje waarbij zou staan

‘ruil hier uw twee euro in voor een warm saucijzenbroodje’

dan zou ik

als ik eerlijk ben

als ik echt eerlijk ben

die twee euro vanzelfsprekend

in dat potje voor dat tikapparaat stoppen.

Natuurlijk, ik leg net uit hoe goed ik het vind dat die tikapparaten bestaan.

 

Ik denk dat ik alleen en enkel de ene twee euromunt,

mijn eigen zuurverdiende, door hard, hard werken, verdiende twee euro munt, in dat potje voor dat saucijzenbroodje zou stoppen

als ik op dat moment toevallig net honger had. Of zin in een saucijzenbroodje. Of gewoon iets warms. Voor in mijn maag. Een lekker tussendoortje.

In dat geval weet ik zeker dat het me echt geen enkele moeite zou kosten

om een reden te bedenken

waardoor ik het perfect,

voor de duur van het verorberen van dat saucijzenbroodje,

voor mezelf zou kunnen rechtvaardigen om niet mee te betalen aan de tikapparaten.

“mijn buurman betaalt vast wel voor dat tikapparaat”

“mijn buurman betaalt toch ook niet voor dat tikapparaat”

“als er voldoende vraag naar tikapparaten is dan komen die tikapparaten er vanzelf wel”

“kunnen die blinden dat niet zelf bij elkaar crowdfunden”

“kunnen ze geen maatschappelijke partner zoeken”

“in de middeleeuwen hadden de stoplichten toch ook geen tikapparaatjes”

8.

om deze reden,

omdat ik mezelf een beetje ken,

deel ik ook niet het enthousiasme over onze nieuwe minister

die minister mag dan misschien slim zijn (jeeh) of geïnteresseerd in cultuur (jeeh)

hij maakt deel uit van een minister ploeg die voornamelijk bezig is met het overhevelen van macht.

Van federaal naar gemeenschap, van gemeenschap naar gemeente, van gemeente naar ondernemer en vooral van burger naar consument.

en omdat ik zelf ook consument ben,

veel vaker dan burger,

kan ik alleen maar zeggen

stop daarmee.

Alsjeblieft.

Stop met het geven van die verantwoordelijkheid aan de consument.

De consument in mezelf kan die verantwoordelijkheid niet aan.

Ik wil niet met haast en honger in de Carrefour moeten beslissen

of de tonijn mag uitsterven of niet.

Ik wil niet dat de consument mag beslissen

hoe we om willen gaan met het eten dat eens dier was.

Daar moeten wij rustig als burgers over nadenken.

Net zoals je de consument met een stijve en een rood hoofd van schaamte

niet laat bepalen wat wel en wat net geen vrouwenuitbuiting is in het red light district

wil ik ook niet dat de consument, de hardwerkende ondernemer in eigenbelang,

verantwoordelijk wordt gemaakt voor de opwarming van de aarde,

de uitbuiting van kinderen in verre landen, van vrouwen, van dieren.

Ik wil daar niet over moeten nadenken op het moment dat ik hongerig, of moe, of angstig ben. Of ben gemaakt.

Daar is het te belangrijk voor.

Ik wil dat dat over wordt gelaten aan de burgers.

Dus nee, natuurlijk moeten we geen ziekenhuizen privatiseren, geen gevangenissen, geen scholen, niet de dierenrechten, niet de natuur, niet het milieu, niet de lucht, niet de wegen, niet de kunst.

Het is toch inmiddels wel duidelijk dat maximaal geld verdienen als enige beslissingsfactor, niet de fijnste wereld oplevert?

wanneer stoppen we met dit desastreuze verhaal te vertellen

waarin  het logisch en zelfs natuurlijk lijkt om de consument onze wereld te laten inrichten.

Laten wij burgers onder elkaar de macht terugvragen.

Laten wij, burgers, de wereld weer in richten.

9.

De vraag of kunst gesubsidieerd zou moeten worden

en hoeveel dan,

mag dan ook niet meer zijn

dan de vraag:

willen wij het zegbare proberen te vergroten

willen wij de wereld beter leren kennen

willen wij het inwendige nog beter uitwendig kunnen maken

het onuitspreekbare bespreekbaar

het ondenkbare denkbaar

het onkenbare kenbaar

willen wij investeren in de kwaliteit van onze dialoog

van ons gesprek

de kwantiteit van het zegbare.

het is niet de vraag  ‘wat is een rechtvaardige ratio tussen één euro kunst subsidie en aantal publiek van het liefst vermoeide hardwerkende ondernemers’

het is niet de vraag  ‘hoeveel maatschappelijk nut kan je kopen voor een euro kunstsubsidie’

want als we die weg opgaan,

zelfs al is het maar voor een klein beetje,

als aanvulling,

als symbool,

dan is de dag niet zo ondenkbaar,

de dag waarop iemand kijkt naar het theaterlandschap en denkt ‘weet je wat efficiënt zou zijn;  als er gewoon een paar grote instellingen zijn die alles gaan doen, die het jongwerk, het komisch werk, het klassiek werk, het experimenteel werk… en als er dan één in Gent, één in Antwerpen en één in Brussel zou zijn, dan geven we die drie gewoon een zak geld en dan is het klaar. Zou dat niet verschrikkelijk efficiënt zijn?’

ja misschien wel, ik weet het niet, maar dat is misschien wel uit te rekenen.

maar we weten ook

dankzij de nutteloze waarheidszoekers

uit de evolutiebiologie

dat je

als je als soort wilt overleven

je zo divers mogelijk moet zijn,

zoveel mogelijk variatie moet hebben,

zodat als de omstandigheden plots veranderen

de kans zo groot mogelijk is dat er individuen overleven,

waarna ook die weer zo divers mogelijk  worden

om op de volgende veranderende omstandigheden te anticiperen.

Survival of the fittest gaat niet over het best mogelijke superindividu,

maar over de soort die zo divers mogelijk moet zijn

met de grootst mogelijke variatie.

Dus investeer niet in de best mogelijke superindividuen,

maar in de grootst mogelijk diversiteit binnen de groep

en het is denk ik door datzelfde consumenten denken dat recensenten en programmeurs soms naar theater lijken te kijken als naar een dienst waar voor betaald is.

Een dienst die nu dus iets moet leveren. Een oplossing bijvoorbeeld

voor een maatschappelijk vraagstuk –

de opwarming van de aarde

of discriminatie of het democratisch tekort.

Of ze vragen je een programma te maken van driekwartier

in het kader van de anti-racisme dag.

Maar kunstsubsidie is geen geld waarmee je een product kunt kopen.

ik vind het soms zorgelijk dat zelfs de controlerende macht van de theaterwereld, de programmeurs en recensenten, soms mee lijkt te gaan in die consumenten houding

en theatermakers afrekent op nuttigheid.

het geeft alleen maar aan dat het voor iedereen moeilijk, zo niet onmogelijk is om uit het huidige verhaal te stappen waar deze regering uiteindelijk een gevolg van is

(en natuurlijk niet de oorzaak)

maar toch moeten we denk ik dat blijven  proberen

de komende 1000 jaar

proberen elkaar niet af te rekenen op nuttigheid

maar proberen te schatten op waarde

want als iets waarde heeft, dan is het uiteindelijk

ooit

voor iemand

vanzelf

nuttig

zoals de evolutiebiologie

die uiteindelijk toch nog nuttig blijkt te zijn als goedkloppende metafoor,

zoals die keer dat een koppel van 40 na Heimat naar ons toe kwam

en zei: ‘we hadden ruzie voor dat we naar binnen gingen,

maar nu hebben we geen ruzie meer,’

of die keer dat we een kaartje kregen van iemand die na afloop van onze voorstelling een hele nacht met zijn ouders had gepraat, voor het eerst een echt gesprek met hen had gevoerd, zo schreef hij.

nuttig

nuttige bijvangst,

nuttige gelukkige bijvangst,

maar dat betekent niet dat theater gefinancierd of gerechtvaardigd moet worden

als relatie of familie therapie.

nee

het zegbare vergroten

het denkbare verdiepen

het kenbare verbreden

dat is het enige

dat is het enige

dat er misschien voor kan zorgen dat over 1000 jaar mensen geen bommen meer nodig hebben, maar het afkunnen met woorden.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 13 — 16 minuten

#138

15.09.2014

14.12.2014

Freek Vielen

Freek Vielen (Utrecht, 1985) is samen met Rebekka de Wit en Suzanne Grotenhuis artistiek leider van het Antwerpse theatergezelschap De Nwe Tijd. Hij studeerde in 2007 af aan de opleiding Woordkunst in Antwerpen en is aan die opleiding nu verbonden als docent.