Joe Mantegna en Faye Dunaway in: ‘Wait until Spring, Bandini’ – Dominique Deruddere

Willem Dauw

Leestijd 19 — 22 minuten

‘Star Quality’

‘Maria Callas droeg juwelen en Aafje Heynis sloop met haar sacoche het theater binnen. De ene had “star quality”, de andere niet.’ Willem Dauw in gesprek met acteurs Josse De Pauw en Dirk Roofthooft en regisseur Dominique Deruddere over sterren van bij ons.

Een ster, beweert van Dale, is een kunstenaar van de eerste rang. Of ook: een persoon die op een bepaald gebied schittert of uitblinkt. Zo bekeken kunnen we Josse De Pauw en Dirk Roofthooft alleen al op basis van hun vertolking in de film Hombres Complicados steracteurs noemen. Niét dat ze zich sterren wanen of als zodanig beschouwd willen worden. Dat stelden ze ook meteen toen we hen vroegen om samen met hun regisseur Dominique Deruddere aan een rondetafelgesprek over het ‘sterrendom’ deel te nemen. Ze zouden ook niet moeten pretenderen sterren te zijn, want alleen al het feit dat ze tijdig op de afspraak waren, zou hen ontmaskerd hebben. Een èchte ster laat toch graag op zich wachten en verplaatst zich nog het liefst in een limousine met privé-chauffeur. Maar Deruddere kwam te voet, De Pauw met de bus, en Roofthooft in een aftandse wagen. Sterren van bij ons: het heeft geen naam.

Josse De Pauw: De vraag is of het sterrendom in een klein taalgebied als het onze wel bestaat? Een ster: is dat niet iets Hollywoodachtigs, iets wat Vlaanderen en Nederland overstijgt? Iemand die zich hier als een ster gedraagt, wordt al gauw een beetje potsierlijk.

Etcetera: Hebben wij dan geen sterren?

Josse De Pauw: Er zijn mensen die ik heel erg bewonder en die voor mij dus een soort sterren zijn. Alleen koppel ik dat nooit aan sterrendom. Omdat een ster met ballast heeft te maken, met alles wat het omringt. Het is vaak een gedwongen situatie, iets wat gecreëerd en gecultiveerd wordt door mensen die met cinema veel geld willen verdienen. En dan kan ik ook weer bewondering hebben voor mensen die in zo’n situatie recht blijven. Een acteur als Jack Nicholson, bijvoorbeeld.

Etcetera: Jack Nicholson cultiveert toch ook een imago?

Josse De Pauw: Ja, maar dat imago kan ook een pantser zijn waarachter hij zich verbergt om nog een stuk voor zichzelf te houden. Indien Nicholson zich in alle omstandigheden zou laten fotograferen, zou hij helemaal publiek domein worden. Maar op deze manier snijdt het mes aan twee kanten. Promotie en publiciteit zijn met één of enkele beelden tevreden, en de ster zèlf is ermee gediend wanneer het zo decorachtig mogelijk blijft. Een decor waarachter hij zich kan verbergen. Maar bij ons is dat praktisch onmogelijk. Gewoon door onze manier van leven en werken. Wij zitten voortdurend op eikaars lippen, we zitten in vele omstandigheden op de schoot van het publiek. Denk je dat een ster zich met de bus verplaatst? Natuurlijk niet. Een èchte ster kan zich dat niet permitteren. Ik merk dat vaak genoeg. De mensen zijn heel erg ontgoocheld wanneer ze iemand die ze van de film kennen gewoon in de bus zien zitten.

Dominique Deruddere: Ik nam ooit het vliegtuig in New York, en in de vertrekhal waren er enkele mensen die me herkenden en een handtekening vroegen. Achteraf gingen die mensen in Business Class zitten, terwijl ik in Economy Class zat. Je had die mensen hun gezicht moeten zien. Die konden het nauwelijks geloven dat ik me geen Business Class kan veroorloven. Daar schrokken die heel erg van, ja.

Etcetera: Toen jij ‘Wait until Spring, Bandini’ draaide, heb je met sterren als Faye Dunaway, Ornella Muti en Joe Mantegna gewerkt. Zie je die op dat moment ook als sterren?

Dominique Deruddere: Neen, natuurlijk niet, het zijn acteurs. De mensen die hen omringen maken er sterren van, maar die hebben er ook alle voordeel bij. Zolang een agent de mythe in stand kan houden dat Faye Dunaway een ster is, kan hij voor elke rol die haar wordt aangeboden een aanzienlijk loon vragen. Haar sterrendom verzekert haar marktwaarde. Het is dus in zijn eigen belang dat ze als een ster wordt behandeld en op de set een trailer en een personal assistant krijgt.

Dirk Roofthooft: Zo bekeken hebben wij in Vlaanderen toch ook enkele sterren. Sterren in de zin dat ze een publiek naar de bioscoop lokken. Chris Van den Durpel, bijvoorbeeld, of Urbanus een paar jaar geleden. Ongeacht de kwaliteit van hun films kun je bijna met zekerheid stellen dat er volk zal op afkomen. Josse en ik vallen niet in die categorie. Ook omdat wij – zeker in het theater – nooit populaire of commerciële dingen doen. Als acteur kun je heel snel een soort ster of bekendheid worden wanneer je in Familie of Wittekerke speelt en dan ook nog aan allerhande tv-spelletjes deelneemt. Wij doen dat niet.

Josse De Pauw: Als we het over sterren hebben, gaat het dus om een gedrag en een promotie-image, en niét om de prestatie. Ik denk dat sterrendom en kwaliteit zelden samenvallen. Maar als het samenvalt, vind ik het toch wel straffe kost. Maria Callas, bijvoorbeeld. Dat was èn een ster èn een fantastische operazangeres.

Dirk Roofthooft: Maar in diezelfde periode was er ook een zekere Aafje Heynis, die minstens even veel kwaliteiten had. Ze was alleen veel bescheidener dan Callas. Wij beweren nu wel dat een ster gecultiveerd wordt, maar de persoon zèlf moet het ook nog willen.

Etcetera: In dat verband las ik onlangs een citaat van mannequin Elle McPherson, die zei: ‘Fotomodellen zijn de sterren van vandaag omdat ze glamour en glitter uitdragen. Actrices als Julia Roberts en Michelle Pfeiffer willen die glamour helemaal niet. Die willen in de eerste plaats goede actrices zijn.’

Dominique Deruddere: Daarom koppel ik het woord ‘ster’ ook aan leegheid. Omdat het zo geëvolueerd is. Maria Callas is een ster van vroeger; toen kon het misschien nog. Maar nu gaat het hoe langer hoe meer om het omhulsel. Een ster is iemand die glittert en mooi en onbereikbaar is. Prinses Diana, dat was een ster. En wat kon die? Niet veel, hé… Maar ze leidde een onbereikbaar leven, een prinsessenleven dat in de bladen werd uitvergroot.

Josse De Pauw: En aan dat leven zit ook nog een bepaalde tragiek vast. Dat hoort er altijd bij, kijk naar Callas en Marilyn Monroe. Blijkbaar is dat inherent aan het sterrendom: als je het ècht wilt optillen, moet er op een bepaald moment ook een menselijke factor bijkomen. En die zit dan vaak in het tragische gedeelte van zo’n leven.

Dirk Roofthooft: Of in het ontboezemen van kleine menselijke kantjes. Vaak hoor je de mensen toch zeggen: ‘Dat die zoiets durft toegeven! Voor zo’n grote ster te zijn!’ En dan wordt ze nog groter, die ster.

Dominique Deruddere: Om op die leegheid terug te komen. Jack Nicholson zou ik al bijna geen ster meer noemen, dat is veeleer een kwaliteitsacteur. De eigenlijke sterren van vandaag zijn Sylvester Stallone en Jean-Claude Van Damme. Iedereen weet dat die niet ècht goed kunnen acteren, en toch hangen hun posters overal aan de muur. Er zijn weinig mensen die een poster van Jack Nicholson of Robert de Niro aan de muur hangen.

Dirk Roofthooft: Neen, maar Nicholson is wel het soort ster waarop je een film kunt bouwen. Zoals Face/Off, de film van John Woo, op het sterrendom van John Travolta en Nicholas Cage is gebaseerd. Dat is dus een hele slechte film, blijkbaar gemaakt vanuit het idee: we nemen een scenario dat niet te veel kwaliteiten heeft, maar met die twee acteurs gaat het veel geld opbrengen.

Dominique Deruddere: Dat is heel juist bekeken. In Hollywood heb je een agentschap als CAA – Creative Artists Agency – dat de beste of zeg maar de duurste acteurs, regisseurs en scenaristen onder contract heeft. En daarmee stellen ze een ‘package’ samen, zo van: dié scenarist schrijft een film voor dié twee acteurs, met dié regisseur. Allemaal mensen die ze zèlf vertegenwoordigen en van wier salarissen ze tien tot vijftien percent opstrijken. Je zou hun kantoren eens moeten zien. Het geld stroomt daar nogal binnen.

Josse De Pauw: Misschien moeten we een onderscheid maken tussen de podiumkunsten en alles wat met registratie heeft te maken, zoals film en muziek. In die wereld is het niet altijd duidelijk wat de prestatie van de artiest inhoudt; er zijn zelfs groepjes die niet eens op hun eigen platen zingen. Maar Callas kon niet anders dan ècht zingen in zo’n opera. En hetzelfde geldt voor acteurs die op de scène staan. Of voor een danser als Rudolf Noerejev. Bij die mensen weet men tenminste op welke prestatie hun sterrendom gebaseerd is.

Dirk Roofthooft: Maar de kwaliteit van hun werk is geen verzekering voor het sterrendom. Aafje Heynis en Maria Callas waren alletwee uitstekende zangeressen en uitstekende actrices, maar de ene had ‘star quality’ en de andere niet. Callas droeg juwelen, en Heynis sloop met haar sacoche het theater binnen en was bang om in het voetlicht te stappen. Noerejev droeg een pelsen frak en liet zich in een lange limousine naar het theater brengen.

Josse De Pauw: Het sterrendom van vandaag heeft veel te maken met hoe vaak iemand op televisie komt en hoe vaak hij in de boekjes staat. Dat is dan het sterrendom van de lege huls. Maar daarnaast heb je ook het sterrendom dat in de eerste plaats uit kwaliteit is ontstaan. Noerejev is als danser begonnen en als danser groot geworden. En dan kan hij blijkbaar het sterrendom aan in de zin dat hij in een pelsmantel en een limousine naar het theater gaat en het zich allemaal laat welgevallen. Maar hij moet natuurlijk nog altijd dansen. En hij moet geen drie avonden na mekaar op zijn gezicht vallen.

Dirk Roofthooft: Neen. Maar toch denk ik dat zijn gedrag en zijn verschijning van hem een ster maken. Of tenminste: een nog grotere ster.

Etcetera: Dirk, jij komt nu ook op televisie als Pietje de Leugenaar. Wellicht zal je nu vaak op straat herkend worden?

Dirk Roofthooft: Ja, maar dat gaat met pieken. Ik ben al eerder op televisie geweest, en uit ervaring weet ik dat ze me dan een tijdlang herkennen en na drie maanden alweer vergeten zijn. Zo heb ik het ook het liefst. Tussen de projecten door verdwijn ik liever uit de belangstelling. Ik kruip een tijdlang in mijn holletje, en kom dan vanuit de duisternis terug om de mensen met een nieuw project te verrassen. Maar die verrassingsfactor is er niet meer wanneer je jezelf als een ster cultiveert en te vaak in de media opduikt. Nu valt het natuurlijk allemaal heel erg samen. Ik zit met Pietje de Leugenaar op televisie, met Hombres Complicados in de bioscoop, en met De keizer van het verlies in het theater. De laatste weken heb ik niets anders dan interviews gedaan. Vroeger deed ik veel minder interviews, ook omdat ik er niet ècht goed in ben. Maar tegenwoordig vind ik het bijna mijn plicht om een project te helpen promoten. Niet alleen tegenover de geldschieters, maar ook tegenover de mensen van de technische ploeg. Ik merk dat het hen veel plezier doet wanneer hun werk gewaardeerd wordt en in de belangstelling komt te staan. Maar goed, ik heb nu wel genoeg interviews gedaan. Ze mogen me stilaan met rust laten.

Dominique Deruddere: Het is niet altijd makkelijk om het af te stoppen, want het ene brengt het andere mee. Als je één of twee talkshows doet, en je komt een beetje grappig uit de hoek, word je meteen ook voor andere programma’s gevraagd, en vaak voor de stomste dingen eerst. Zo werd ik onlangs gevraagd om in De Vlaamse Gaaien een ei te spelen. Ik dacht: ‘Zijn jullie op je hoofd gevallen?’ ‘Maar neen,’ zegden ze, ‘Het is eigenlijk zeer eenvoudig. Het decor is een vogelnest, je steekt je hoofd erdoor, je wordt geschminkt als een ei, en dan mag je ongezouten commentaar leveren op alles wat je wilt.’ Tja, als je daar aan meewerkt, beland je al gauw in een kringetje.

Josse De Pauw: Het kringetje van de Bekende Vlamingen die in panels en spelletjes zitten en eender wat doen. En dan word je bekend en zijn er mensen die zeggen, ‘Die ken ik, dat is ene van de teevee’. Ook al kennen ze je naam niet.

Dirk Roofthooft: Ja, dat is me ook al overkomen. Mensen die me herkennen en heel ongewoon beginnen te doen, en dan zeggen: ‘Ik ken u van teevee, maar van waar?’. Die adoratie is er al zonder dat ze u zelfs maar kunnen plaatsen. Je zou voor hen evengoed een nieuwslezer als een sportjournalist of een acteur kunnen zijn.

Josse De Pauw: Ik speelde ooit in Zonderlinge zielen, een tv-film van Jean-Pierre De Decker. Die film werd op kerstavond uitgezonden, en die avond zat ik met mijn vrouw in een hotelletje aan zee. We besloten eerst naar de film te kijken en nadien te gaan eten. Wel, je had het gezicht van de portier moeten zien toen ik uit de lift stapte. Die had ook zèlf naar Zonderlinge zielen zitten kijken en dacht ècht waar dat hij een geest zag. Op zo’n momenten voel je hoezeer de televisie als een andere wereld wordt beschouwd, en als die dan plots vlakbij komt, kan men die niet meer plaatsen… Het moet een onbereikbare wereld blijven, een wereld waarop mensen hun dromen projecteren. Als iemand in een pelsmantel in een limousine stapt en dan wegrijdt, waarna het beeld stopt, dan kan men altijd nog fantaseren wat er nadien zal gebeuren.

Dirk Roofthooft: Eigenlijk moet je er uitzien zoals de mensen je van het scherm kennen. Zo herinner ik me een interview met een actrice die in een soapserie een zwanger personage speelde. Wanneer die naar een pensenkermis ging waren de mensen altijd heel erg ontgoocheld omdat ze in het echt niét zwanger bleek te zijn. De mensen wilden haar vragen hoe het met haar kindje was, maar dat kon niet, omdat ze niet echt zwanger was. En dat werd zo erg dat ze in het vervolg alleen nog vermomd als een zwangere vrouw naar feesten en pensenkermissen ging. Dat is het Mister Bean-effect, hé. Rowan Atkinson moet ook niet als zichzelf naar een première gaan. Als hij niet eventjes Mister Beanspeelt, zijn de mensen niet tevreden. Ze zullen het ook niet plezant vinden wanneer Loes Van den Heuvel als Loes Van den Heuvel verschijnt. Neen, ze moet als Carmen uit FC De Kampioenen gaan. Met pruik en al.

Dominique Deruddere: Nu we het toch over adoratie van televisiesterren hebben, de grootste ster waarmee ik ooit heb gewerkt was niet Faye Dunawayof Ornella Muti, maar Antonie Kamerling. Toen ik met hem naar de première van Suite 16 in Holland ging, stonden daar honderden meisjes achter de dranghekken en die riepen en joelden: ‘Oh, Tonie, ‘k hou van jou, ‘k hou van jou’. Daar stonden flikken om die tegen te houden, ik dacht dat ik met The Beatles op stap was. En dat kwam gewoon omdat die toen ook in een soap speelde. Fotomodellen en soapacteurs, dat zijn de sterren van vandaag.

Etcetera: Toch wil ik nog even op ‘Bandini’ terugkomen. Was het werken met Faye Dunaway anders dan met Ornella Muti?

Dominique Deruddere: Ja, omdat we in Amerika draaiden en Faye Dunaway op haar eigen terrein was. Ornella Muti kon rustig met haar kind rondwandelen en ergens gaan eten. In Italië moet ze dat niet proberen, want dan heeft ze prijs, maar ginds kende niemand haar. Faye daarentegen kon het hotel niet verlaten. Nouja, ze kwam wel eens buiten, maar dan zonder make-up, met vettige haren, en in een jeans en een slobbertrui. Dat je dacht: wat een onmogelijk wijfke. Haar vermomming bestond erin dat ze zich niet soigneerde. En als ze wilde herkend worden, maakte ze zich op als de Faye Dunaway die we kennen. Er was dus een heel groot verschil tussen beiden, ook op de set. Faye Dunaway was heel professioneel en wilde alles weten over de techniek, het licht, de klank en de montage. Terwijl Ornella Muti bij wijze van spreken niet eens geïnteresseerd was of er pellicule in de camera zat. Die vertrouwde volkomen op de regisseur, zo van: ‘Zeg wat je wilt, en ik doe het’.

Etcetera: Heb je wel eens meegemaakt wat mensen sterrenkapsones noemen: sterren die het hoog in hun ster hebben?

Dominique Deruddere: Wel, Faye Dunaway eiste dat Tom Luddy, één van de producenten, op de trappen van haar trailer ging zitten. De andere producenten moesten uit de buurt blijven, Luddy was de enige die ze duldde. Hij zat er de hele dag zijn krant te lezen. En als ze heel luid ‘Tóóóóóóóóóm!’ riep, sprong hij recht als een knipmes, vloog naar binnen, regelde het probleem dat aan de orde was, en kwam terug buiten om verder zijn krant te lezen. Dat vond ik redelijk sterk.

Etcetera: Een acteur die zich op een rol concentreert is eventueel wat lastiger dan gewoonlijk. Wordt dat soms niet misbegrepen als: hij hangt de ster uit?

Dirk Roofthooft: Absoluut. Maar dat is de inkleuring van de mensen, hé. Als onbekend acteur zou ik precies dezelfde concentratie vragen. Maar nu denkt men: ‘Hij heeft al in die film of die serie gespeeld, hij denkt dat hij een vedette is en begint zich anders te gedragen.’ Maar ik gedraag me niet anders. Ik heb altijd dezelfde bezorgdheid gehad om iets goeds te willen maken.

Dominique Deruddere: Het probleem is dat Vlaamse filmploegen van de acteurs een soort sfeertje van toffe jongens onder elkaar verwachten. En in Holland is dat nog erger. Dat heeft me het belang van een trailer doen inzien. Vroeger dacht ik: dat is iets voor sterren, zo’n trailer. Maar eigenlijk is het een plaats waar acteurs zich kunnen afzonderen om zich op hun rol voor te bereiden.

Josse De Pauw: Toch is het zo dat ieder zijn eigen geplogenheden heeft om zich te concentreren en dat je kribbig kunt worden wanneer je daarin gestoord wordt. Met kapsones of sterallures heeft dat niets te maken. Wel met het feit dat sommige mensen zich niet kunnen indenken wat je nodig hebt om daar dan straks anderhalf uur op een scène te staan. Een uur vóór ik begin te spelen wil ik bijvoorbeeld de zaal en de scène hebben. En dan moet daar niemand meer binnen komen of ik word lastig.

Etcetera: Dirk, ben jij ook wel eens het slachtoffer van zo’n misvatting?

Dirk Roofthooft: Het overkomt me zelfs op café. Hoe bekender je wordt, hoe meer je lastig wordt gevallen door totaal onbekende mensen die je allerhande verwijten naar het hoofd slingeren. Dat je arrogant bent en zo. Ik sta daar gewoon te staan, niet anders dan anders, en mensen komen ongevraagd naar me toe en beginnen me aan te klampen op een toon van: ‘Wat is er jongen? Denk je dat je ‘t bent, misschien?’. Ik weet een café waar Jan Fabre nooit meer binnengaat omdat hij daar altijd door onbekenden lastig wordt gevallen. Ze roepen er ‘dikke nek’ en dat soort dingen. Gewoon omdat het Jan Fabre is. Maar Jan Fabre is niet veranderd. Ik ben niet veranderd. Het zijn de mensen die je anders benaderen van zodra je bekender wordt. En wat die concentratie betreft, ik ben daarin nog erger dan Josse. Ik word zelfs al lastig wanneer er tijdens de repetities gepraat wordt. Omdat ik me moeilijk kan concentreren. Ik word heel vlug afgeleid, maar toen ik twintig was, was dat niet anders.

Etcetera: Het sterrendom heeft ook vaak met ijdelheid te maken, zeker bij mensen die zich als sterren voordoen. Maar heeft acteren van nature al niet met ijdelheid te maken?

Dirk Roofthooft: We hebben natuurlijk de pretentie dat we iets interessants te vertellen hebben, anders gaan we niet op die scène staan. En misschien is het voor sommige mensen niet zo evident dat je zegt: luister nu eens allemaal, ik ga hier iets interessants vertellen, en jullie moeten er ook nog 450 frank voor betalen. Dat heeft misschien een zekere pretentie, ja.

Josse De Pauw: Ach, die ijdelheid. Hou ouder ik word, hoe meer ik vermoed dat het een vlucht voorwaarts is. Ik ken niet één acteur die niet bang is uitgevallen. Allemaal hebben ze angsten die heel fundamenteel zijn. En dan denk ik: kruip je niet in dat licht van die scène omdat daar minder volk dan in de zaal is? Ze willen niet in die massa verdwijnen, ze willen daar van weg, en dan moeten ze ook zorgen dat ze daar kunnen blijven staan. Dus moeten ze beginnen werken en schaven om het recht op die geprivilegieerde positie te behouden… Er wordt vaak gezegd dat acteurs heel timide mensen zijn, ook al lijkt het niet zo. Ik denk dat het waar is. Ik ben ook zèlf een timide mens. Ja, ik hoor het me zeggen. Maar als ik niet op mijn geëigende plekken ben, zijnde café Le Coq, of thuis of bij bepaalde vrienden, voel ik me ongemakkelijk. Als ik in een café in het buitenland een garçon wenk, voel ik al meteen een bevroren glimlach op mijn gezicht, zo van: niet slaan, asjeblieft niet slaan, ik wil alleen maar een tasje koffie. In een café zal je me zelden horen roepen, behalve in Le Coq, omdat dat mijn huiskamer is geworden. Acteurs hebben een angst. En die angst is de motor om op de scène te kruipen. Veel meer dan ijdelheid, denk ik. Anders zou je ook meer gebruik maken van het feit dat je met je gezicht op televisie komt. Als Dirk Pietje de Leugenaar speelt, en het is hem om ijdelheid te doen, dan koopt hij met zijn laatste geld een schoon kostuum, huurt af en toe een Porsche, en laat zich bewonderen op alle places to be. Maar dat doet hij dus niet. Sommige mensen doen het wèl. Maar zelden of nooit de mensen die ik hoog schat.

Etcetera: Veel acteurs zijn timide, Dirk? Herken je jezelf daarin?

Dirk Roofthooft: Ik ben een binnenvetter, absoluut. De èchte dingen hou ik liefst voor mezelf. Daarom ben ik ook zo blij dat ik mag spelen. Omdat andermans teksten vertolken het ideale alibi is om het over jezelf te hebben. Ik kan in zo’n tekst heel veel van mezelf leggen, maar tegelijk is die tekst ook mijn dekmantel. Goed acteren houdt in dat ik een deel van Dirk Roofthooft laat zien. Maar de mensen kunnen altijd nog denken dat ik niet mijn eigen emoties vertolk, maar die van de schrijver of van het personage. Daarom kan ik mezelf ook makkelijker blootgeven in het theater dan in een interview. In een interview word ik al gauw verlegen. Ik hoorde onlangs de bandopname van een radio-interview terug, en het viel me op dat ik achter elke zin een kort lachje laat volgen. Terwijl er helemaal niets te lachen valt. Het is pure gêne. En wat die angst betreft, ja, die overvalt me ook. Twintig minuten vóór ik moet opgaan, begint het. En dan wens ik mezelf een ander beroep toe. Maar die angst overwin ik, anders wordt het een slechte voorstelling. Een andere angst bestaat erin dat je niet kan bepalen wat ‘goed acteren’ betekent. Je mislukt daar vaak in, en je mislukt altijd in volle publiek. Voor elk goed schilderij dat een schilder aan de openbaarheid prijsgeeft, heeft hij er twintig andere in de prullenbak gegooid die niemand heeft gezien. Maar wij gaan af terwijl iedereen getuige is.

Josse De Pauw: Het voordeel is dan weer dat van zodra een voorstelling voorbij is, ze ook niet meer bestaat. Als een schilder een schilderij maakt dat hij goed vindt, en hij vindt het tien jaar later slècht, bestaat er een grote kans dat hij het intussen heeft verkocht en dat het blijft hangen. Om die reden stond ik in het begin zo wantrouwig tegenover films. Wegens het definitieve karakter van dat medium. Het feit dat iemand zo’n film twintig jaar later uit een blik kan halen om hem opnieuw te tonen. Ik heb die angst verdrongen door een soort je m’en foutisme te cultiveren. Maar ik blijf toch opletten in welk soort projecten ik stap.

Etcetera: Jullie komen ook zelf wel eens met sterren en beroemdheden in contact. Hoe groot is het ontzag op zo’n momenten?

Josse De Pauw: In Bandini speelde ik een kleine scène met Ornella Muti. Ik zat naast haar in de schminkkamer, en de schrik sloeg me om het hart. Het kwam louter door haar, je vraagt je af waarom? Ik kende die mevrouw niet, en ik heb wel eens vaker in een schminkkamer gezeten met een acteur die ik nooit eerder heb gezien en met wie ik vervolgens een scènetje speel. Maar de naam Ornella Muti vervulde mij met angst en respect. Een respect dat ze gelukkig meteen ondermijnde door te zeggen dat ze ook zèlf bang was om daar te spelen. Het was ook heel indrukwekkend. Ik kan je verzekeren dat ik al voor minder volk theater heb gespeeld als er daar tijdens de repetities op de set stond.

Dirk Roofthooft: Tegenover beroemde acteurs heb ik weinig gêne. Als ik Robert De Niro zou zien, zou ik denken: die is in hetzelfde bedje ziek als ik. Maar sportmannen! Die hebben zo’n uitstraling dat ik altijd onder de indruk ben, ook al ben ik er geen supporter van. Ooit nam ik met de Needcompany het vliegtuig van Barcelona naar Sevilla. Plotseling stapte daar de hele ploeg van F.C. Barcelona binnen. Iedereen begon abnormaal te doen. Mensen wuifden naar hun vrouw achteraan in het vliegtuig, terwijl daar niemand zat. De piloot kwam vanalles nakijken, zo van ‘just checkin’ the walls’, dat soort dingen. Zèlf had ik me voorgenomen om ze allemaal met rust te laten. Maar toen kwam Brian Laudrup links van mij zitten, en Johan Cruyff rechts van mij. Ik zat in het midden van die twee, en mijn adem stokte. Ik dacht: ik laat ze met rust, ik doe alsof ik ze niet ken, ik spreek er geen woord tegen. Maar het was een vlucht van drie uren. Na een uur stond ik recht, zei tegen Cruyff – in het Spaans tegen een Hollander – ‘Perdona me’, en liep naar het toilet. Ik moest niet eens plassen, ik deed maar alsof. En wanneer ik terugkeerde, zei ik: ‘Gracias’. En een uur later precies hetzelfde. Maar verder geen woord. Stel je voor dat ik had gezegd: ‘Ik ken u. Jij bent Johan Cruyff.’ En dat hij had geantwoord: ‘Ja, en wie ben jij?’ – ‘Ik? Ik ben Dirk Roofthooft, acteur bij de Needcompany.’ Hoe schamel zou ik dan niet zijn geweest? Cruyff was een absolute superster.

Dominique Deruddere: Het vreemde is dat ze dat zèlf heel anders zien. Zo werd ik ooit na een wedstrijd van Club Brugge in de bar van de spelers uitgenodigd. Ze waren er allemaal: Ceulemans, Van Der Elst, al die grote mannen. Ik begon er vol ontzag en respect mee te praten, en toen zegden die: ‘Jamaar, Dominique, jij hebt een film in Amerika gedraaid, dat is toch fantastisch. Jij hebt tenminste een ècht beroep, jij creëert dingen, en wij zijn maar gewone voetballertjes.’ Die draaiden dat helemaal om.

Dirk Roofthooft: Onlangs zag ik in een café John Hiatt. Ik draaide me om, en hij keek me recht in de ogen en knikte. Die stond daar helemaal alleen. Op zo’n moment zou je naar hem toe moeten lopen en zeggen: ‘Ik vind je platen fantastisch, ik bewonder je werk.’ Maar je doet het niet, want je denkt: ‘Wat zal hij van me denken? Dat ik een dikkenek ben? Of een flemer, een elleboogwrijver of een groupie?’ Dat speelt allemaal door je hoofd, hé. En dan blokkeer je en begin je heel kunstmatig te doen. Het blokkeert je spontaneïteit.

Dominique Deruddere: Met vrouwen is het nog erger. Na de première van Bandini in Amerika zat ik met Madonna aan tafel. Maar ik heb toen de hele avond met Sean Penn en Charles Bukowski zitten praten. Madonna probeerde enkele keren een gesprek aan te knopen. Ze klopte op mijn schouder, en zei: ‘I really like your movie’. Ik zei dan, ‘Thank you’, keek meteen de andere richting uit, en zei: ‘Oh, yes, Charles…’ Madonna was niet alleen een ster, maar ook nog een vrouw, en dan is het blijkbaar toch nog makkelijker om met een mannelijke ster te praten. Madonna zal me wellicht een boer gevonden hebben. Ik hing daar de hele tijd over die tafel om met Bukowski te praten.

Etcetera: Nu we het toch over vrouwen en schoonheden hebben: het sterrendom heeft vaak ook met het uiterlijk te maken. Wanneer Faye Dunaway zich met de belichting bemoeit, doet ze dat dan vanuit haar rol of vanuit haar ijdelheid?

Dominique Deruddere: Het paste bij haar rol. Ze moest een soort mythische Amerikaanse vrouw spelen, ze moést mooi zijn. Maar Amerikaanse acteurs zijn natuurlijk heel erg met hun uiterlijk bezig, dat is eigen aan de Amerikaanse maatschappij. Mensen doen er met kerstdag hun moeder een facelift cadeau, en hun dochter een borstimplantatie. Ze willen er mooi uitzien, ook de acteurs. Faye Dunaway heeft bijvoorbeeld niets liever dan dat je haar benen filmt. Ze vindt van zichzelf dat ze mooie benen heeft, en van zodra ze de kans krijgt laat ze die zien. In Barfly zie je ze de godganse tijd.

Josse De Pauw: Je leest ook vaak verhalen over sterren die geen lelijke personages willen spelen omdat het hun sterrendom kan beschadigen. Tja, dan komt dat sterrendom heel erg in de weg te zitten. Het is vanuit dat sterrendom dat je wilt dat je personage sympathiek blijft en dat het er ‘s ochtends mooi uit ziet, ook al heeft het een hele nacht slecht geslapen. Het is vanuit dat sterrendom dat je bepaalde personages speelt, en andere niet. Wie het accent op het spelen legt en zijn speelterrein zo breed mogelijk wil houden, is dus gebaat dat sterrendom zo ver mogelijk van zich weg te houden. Maar nogmaals: als het samen gaat, vind ik het toch wel indrukwekkend. Er zijn acteurs die sterren zijn en toch nog geregeld mooie dingen presteren. Dat ze in zo’n systeem recht kunnen blijven, vind ik straffe kost, want daar kruipt volgens mij onnoemelijk veel energie in. Nicholson kan dat. En Faye Dunaway ook. Ik heb die nog mooie dingen zien doen, terwijl ze eigenlijk al een zogenaamde ster was.

Etcetera: Dominique, is het jou bij de casting van films al overkomen dat acteurs afhaakten omdat ze hun personage onvoldoende aantrekkelijk vonden?

Dominique Deruddere: Jawel, één keer. De rol van Ornella Muti in Bandini zou oorspronkelijk door Isabella Rossellini worden gespeeld. Ze kreeg het scenario toegestuurd, en om één of andere reden dacht ze dat ze voor de rol van Faye Dunaway werd gevraagd. Toen ik er met haar over sprak, zei ik: ‘Men heeft je verkeerd ingelicht, ik wilde je voor die andere rol.’ ‘Oh,’ zei ze, ‘Die huisvrouw, die lelijke.’ Ik zei: ‘Ze hoeft niet noodzakelijk lelijk te zijn.’ Maar ik zag al meteen aan haar blik dat het ‘njet’ zou worden. Ze wilde een mooie, mythische Amerikaanse vrouw spelen. In een arm vrouwtje had ze geen zin.

Dirk Roofthooft: Met dat soort dingen zijn wij toch niet bezig. Hoe vaak hoorde ik niet dat de personages uit Hombres Complicados zo’n lelijke mensen zijn? Of dat je er geen sympathie voor kunt opbrengen. So what? Waarom zou ik altijd sympathieke personages moeten spelen? Dat heeft toch alleen maar met ijdelheid te maken. Ik herinner me dat ik in een Vlaamse serie speelde. Er was een actrice die een wat verwaterd vrouwtje moest vertolken en om de haverklap zei: ‘Ik dúrf dat! Ik durf zonder make-up te spelen.’ Alsof dat een prestatie zou zijn. Waarom zou een vrouw er in een film niet slecht mogen uitzien? Het is ijdelheid. Ofwel de vrees dat het publiek het onderscheid tussen de acteur en het personage niet zal kunnen maken. Zo ken ik trouwens ook nog een aantal actrices die niet willen dat hun kont wordt gefilmd. Een geklede kont, hé.

Josse De Pauw: Dat kan natuurlijk verrassend zijn. Zo herinner ik me mijn eerste film. Ik kwam uit het theater en was dus gewend alleen aan de voorkant te denken. Maar toen zag ik me in die film het beeld uitlopen, en ik dacht: het is niet te geloven. Ik had nog nooit mijn kont gezien.

Dirk Roofthooft: En ga je daarom een volgend keer zeggen dat ze die niet meer mogen filmen?

Josse De Pauw: Neen, maar ik schrok wel. Het is toch zeer avondvullend, zo’n kont.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 19 — 22 minuten

#62

15.12.1997

14.03.1998

Willem Dauw