Leestijd 14 — 17 minuten

Stadstheaters in Duitsland

Ralph Bollmann nam twaalf jaar de tijd om alleeenentachtig (81!) operahuizen in Duitsland te bezoeken. Achteraf schreef hij er een boek over, Walküre in Detmold. Hoeveel operahuizen kan een land verdragen? De publicatie van een ander boek, Der Kulturinfarkt van Dieter Haselbach, Armin Klein, Pius Knüsel en Stephan Opitz, lokte dit jaar hevige controversen uit. De stelling van de auteurs: er is in het Duitse theaterlandschap teveel van hetzelfde. Eric de Kuyper las beide boeken en formuleert er zijn hoogstpersoonlijke bedenkingen bij.

Op een elegante manier wordt alles wat rond cultuur cirkelt ‘veld’ of‘landschap’ genoemd. Ik behoor – zoals overigens al mijn lezers vermoed ik – tot dit ‘veld’. Een gebied dat geen exacte grenzen kent en zich overal en nergens bevindt. Kritiek en zelfkritiek gebeuren achter gesloten deuren. Nestbevuiling dreigt. Een instelling aanvallen heeft als noodzakelijk gevolg dat de mogelijke verdwijning ervan onherstelbaar is. Dus zwijgen we liever. Naar buiten toe gebruiken we strategieën. Immers, we zijn erg kwetsbaar en afhankelijk van subsidies.

Geregeld of voortdurend worden we op het matje geroepen, door hen die over ons en onze werking een advies moeten uitbrengen. Een advies waar ons verdere bestaan in mindere of grote mate van afhangt. (Toen ik nog voor zo’n instelling werkte, moesten we om de haverklap ons beleid verantwoorden. Inderdaad in fleurig proza verdedigen. Mens, wat heb ik een hekel aan dat woord ‘beleid’!)

Toevallig lees ik samen met de polemische tekst van Klaas Tindemans over de Vlaamse stadstheaters in Etcetera (1) een boek van Ralph Bollmann, Walküre in Detmold (2). Hij heeft gerealiseerd waar ik al lang van droomde om ooit eens te kunnen doen: alle stadstheaters van Duitsland bezoeken, op z’n minst eenmaal, op een toevallige dag.

Het land waar de ‘stadstheaters’ bloeien is natuurlijk Duitsland… Voor het allergrootste deel verenigen ze zowel toneel, opera als dans. Dat noemen ze het Drei Sparten-systeem. Een politica van de Duitse Groenen stelde destijds voor om dit ‘systeem’ voor te dragen voor de lijst van UNESCO-cultuurerfgoed. Niet ten onrechte, want het is een uniek systeem.

In het verenigde Duitsland zijn er ongeveer evenveel operahuizen als in de rest van de wereld. Hun orkesten hebben in totaal meer dan 5000 vastbenoemde musici, de koren 3000 zangers, en 1300 solisten maken deel uit van vaste ensembles. Daar komt natuurlijk nog de grote groep – ook vastbenoemde – technici en de artistiek-administratieve stafbij.

Samen verzorgen ze meer dan 6000 opera-avonden per seizoen, waarvan zo’n 600 premières. Alle muziekgenres samen (opera, musical, operette, dans en concert) bereiken tien miljoen toeschouwers per jaar, ongeveer evenveel als wat de Bundesliga met haar voetbalwedstrijden jaarlijks aan toeschouwers bereikt. De theateropvoeringen tellen ongeveer evenveel toeschouwers. Al bij al worden er zo’n 20 miljoen kaartjes verkocht. De overheid subsidieert met 2,1 miljard euro; de inkomsten bedragen 400 miljoen.

Dat zijn de indrukwekkende cijfers. Hoe ziet de dagelijkse werkelijkheid er uit? Dat is waar het verslag van Bollmann (dat zich jammer genoeg tot opera beperkt) over gaat.

Nadat hij toevallig in Neustrelitz, een stad van 25.000 inwoners, een opvoering van Fidelio bij woont die veel indrukwekkender is dan wat hij te zien krijgt in zijn woonplaats Berlijn, met zijn drie operahuizen, neemt Bollmann het besluit om tenminste één opvoering bij te wonen in elkeen van de 81 operahuizen die Duitsland rijk is. Zijn onderneming neemt twaalf jaar in beslag. Bollmann is een gewone operaliefhebber, geen recensent. Wel een politiek journalist, bij de Frankfurter Allgemeine Zeitung. En het zal blijken dat het een bijzonder voordeel is dat hij ook historicus van opleiding is.

Het reizen naar operahuizen wordt voor hem een reis door een onbekend Duitsland. ‘Een land vol tegenstrijdigheden, dat zich niet in eenvoudige tegenstellingen zoals metropool of provincie, oost of west, arm of rijk laat vatten. Een land dat zich ook tijdens mijn twaalfjarig reizen grondig wijzigt. Een land tussen crisis en opleving. Gelijktijdig werd het een reis doorheen de geschiedenis en de politiek.

Het mooie en het nuttige van het boek is dat Bollmann zijn tocht opvat als een cultuurtoerist. Hij evoceert telkens – soms met verwondering of bewondering, soms met afkeer en ergernis – de plekken die hij bezoekt. Ook al heeft de uitgever aan het begin en aan het eind van het boek landkaarten afgedrukt, ze volstaan helaas niet voor de niet-Duitse lezer die ik ben. Nu ik eindelijk zo’n beetje de verschillende Bundesländer kan situeren, met hun voornaamste steden, moet ik toch telkens opnieuw met een atlas de steden of stadjes gaan opzoeken die Bollmann aandoet. Soms raak ik in de war, want ik besef niet meteen dat Freiburg – een stad waar ik ooit een mooie wandeling heb gemaakt met M. – een andere stad is dan Freiberg, een stad die ik niet ken en niet kan situeren!

Met de historische achtergrond wordt het al helemaal ingewikkeld. En die achtergrond blijkt erg belangrijk te zijn, want al die stadstheaters zijn in feite de voortzetting van de voormalige hoftheaters. Je moet dus iets van de historische context kennen om te begrijpen waarom bijvoorbeeld Neustrelitz, met zijn 25.000 inwoners, en Meiningen (21.600 inwoners) over een operahuis beschikken. En waarom de het dichtst bij mijn woonplaats Kranenburg gelegen stad Kleve, die toch een 50.000 tal inwoners telt, geen stadstheater heeft. De reden? Een deel van zijn geschiedenis stond Kleve onder Nederlandse voogdij! En Hollanders hechten nu eenmaal minder belang aan opera dan Duitsers… Kleve heeft dus geen opera, maar Annaberg-Bucholtz (Waar mag zich dat bevinden? Hoe dan ook: 21.800 inwoners.), Rudolstadt (23.700 inwoners) of Radebeul (33.000 inwoners) hebben er wel een. Wiesbaden en Mainz hebben allebei een operahuis, hoewel ze amper dertig kilometer van elkaar liggen. Beide steden liggen dan nog eens op een boogscheut van Frankfurt, dat natuurlijk ook een opera heeft. De reden hiervoor is dat Wiesbaden de hoofdstad van Hessen is – en niet Frankfurt, dat eigenlijk niet (nooit) echt tot Hessen behoorde -, en Mainz de hoofdstad van Rheinland-Pfalz is. Het federale Duitsland wordt weliswaar niet door taalperikelen geteisterd, maar er bestaan daar heel wat equivalenten of varianten op BHV!

Als historicus is Bollmann een even prettige als onontbeerlijke gids. Blijkbaar is het voor Duitse lezers ook niet eenvoudig om inzicht te krijgen in hoe het er aan toe ging in een ander deel van dit – grote en ingewikkelde – land nu, maar vooral ook vroeger.

Daarbij komen dan nog de erg verschillende subsidiesystemen: nu eens worden theaters gesubsidieerd door de stad waar ze zich bevinden, dan weer door het ‘land’. En dan zijn er ook nog een paar ‘bijzonderheden’ waar ik, eerlijk gezegd, niet zoveel van snap…

Het nuchtere besluit van Bollmann is dat er tussen de Duitse stadstheaters en hun stedelijke context geen voorspelbaarheid valt te ontdekken. Er zijn steden die bloeien, terwijl hun opera’s aan het verloederen zijn. Omgekeerd bestaat ook: steden die pure ellende uitstralen, maar een fantastische operabedrijvigheid kennen. Er zijn steden die het goed stellen zonder opera, andere voor wie de opera als het ware de laatste culturele strohalm is. Kortom, Bollmann kan geen regels ontdekken… Dat is voor mij als lezer enigszins ontgoochelend: je zou zo graag weten hoe het nu staat met de stadstheaters. Duidelijk is wel – en dat bevestigt mijn eigen ervaring in en buiten Duitsland -dat bij opera, zowel als bij toneel, de kwaliteit van vele factoren afhangt. Dat een opvoering van Die Sache Makropulos van Janacek in Kaiserslautern veel boeiender blijkt te zijn dan wat je doorgaans aan de Wiener Staatsoper kunt zien, wil ik best geloven.

Terloops merkt Bollmann op dat regisseurs van wie hij belofte volle regies zag in de provincie, minder creatief zijn wanneer ze doorbreken en in de grote steden op de grote bühnes gaan ensceneren. Want al hebben de schouwburgen uit de provinciesteden uiteraard minder middelen, ze bieden meer flexibiliteit. Ook al moet juist daar natuurlijk – in principe – meer rekening worden gehouden met een conservatiever publiek. En al even terloops merkt de schrijver op dat de provin-cieschouwburgen erg afhankelijk zijn van de lokale pers. Immers, de grote landelijke dagbladen kunnen onmogelijk de actualiteit van de provincie bijhouden. Heb je het ongeluk dat de lokale operarecensent een onbekwaam iemand is, ja dan… heeft dat een weerslag op de politiek, die voor de subsidie instaat!

Want natuurlijk heeft Duitsland in het algemeen en hebben de Duitse steden en gemeenten in het bijzonder te kampen met de crisis. Veel steden staan aan de rand van het faillissement, omdat wat in Duitsland het equivalent is van onze federale regering veel lasten op de steden heeft afgewimpeld, en volgens het Duitse systeem de Bundesländer verantwoordelijk zijn voor cultuur.

Hierbij moet er nog even aan herinnerd worden dat bijna alle Duitse schouwburgen functioneren volgens het ‘repertoiresysteem’. Een systeem dat buiten Duitsland zo goed als onbekend is. Het houdt in dat elke avond een andere opvoering wordt gehouden uit het Repertoire’ dat het seizoen te bieden heeft. Dat repertoire bestaat uit oudere zowel als nieuwe producties. Het vooronderstelt dat er een vast acteurs- of zangersensemble is. Het houdt het gevaar in dat opvoeringen er na een tijdje stoffig gaan uitzien. Maar dat ligt niet aan het systeem, enkel aan de specifieke invulling van het systeem! En het biedt het enorme voordeel dat – zeker bij de opera – jonge zangers en dirigenten het metier kunnen leren en ervaring kunnen opdoen. Onder enorme druk, dat wel. Maar zonder de druk van agenten en van het reizen van de ene opvoering naar de andere, zo kenmerkend voor de zangers uit de vrije sector. Je kunt ook stellen dat de kleinere provincieschouwburgen werken aan de opleiding van de kunstenaars die dan elders, wereldwijd, het vervolg van hun loopbaan afleggen.

Zoals een beetje overal, rammelt en rommelt het in de cultuur. Zo denkt de opera van Bonn eraan om een koppeling aan te gaan met Keulen. Op zijn beurt denkt Keulen er vaag aan om een alliantie aan te gaan met de eeuwige rivaalstad Düsseldorf. Want het decenniaoude huwelijk tussen het rijke Düsseldorf en het arme Duisburg staat (stond) op barsten.

Schouwburgen worden gesaneerd, terwijl gelijktijdig theaterbegrotingen worden afgeschaft: Wuppertal is hier een treurig voorbeeld van. In Keulen weigerde de succesvolle intendant Karin Beier moedig en daadkrachtig de sanering van haar schouwburg; dit uit de gegronde angst dat ze achteraf de rekening ervan voorgeschoteld zou krijgen onder de vorm van een permanente korting op haar werkingsbe-groting. Ze haalde haar slag thuis en verwisselt nu – uitgeput vermoed ik – Keulen voor Hamburg. Haar collega bij de opera dreigde met ontslag, en kreeg zijn ontslag… Ondertussen wordt de zaal wel omgebouwd en vernieuwd. Kortom: ja, het prestigieuze systeem vertoont barsten.

Voor heel wat opschudding zorgde onlangs het feit dat de wedden van het technisch en administratief personeel met zes procent werden verhoogd. Zes procent die de schouwburgen natuurlijk van hun begroting moeten zien te betalen. Deze ambtenaren, waartoe ook het koor behoort, verdienen doorgaans beter dan de acteurs uit het ensemble, die bovendien contracten hebben van beperkte duur. Zo gaat tachtig procent naar ‘der Apparat’ en blijft er maar twintig over voor de eigenlijke productie. Een voorbeeld: aan het Drei Sparten-theater van Stuttgart zijn 35 zangers, 230 acteurs en 61 dansers verbonden. Daartegenover staan 510 technici en administratieve krachten!

‘De kunstenaars komen en gaan, het apparaat blijft,’ schreef Gerhard Stadelmaier in wat misschien wel het venijnigste, pittigste en grappigste boek is dat ooit over de Duitse stadstheaters is verschenen. Letzte Vorstellung (in de niet meer bestaande prestigieuze reeks van Hans Magnus Enzensberger, ‘Die Andere Bibliothek’) (3). De auteur is theaterrecensent van de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Een tijdje geleden, tijdens een opvoering van een Ionesco-stuk, ging een van de acteurs hem te lijf! Nu, in zijn boek worden recensenten al evenmin gespaard als regisseurs, intendanten, dramaturgen, decorontwerpers, technici, spelers,… Zelfs het buffet en de abonnees ontsnappen niet aan zijn spot. Satire op niveau, die uiteindelijk toch niet in staat blijkt de theatergedrevenheid van Stadelmaier te doen vergeten.

Ik las het boek van Stadelmaier opnieuw, met veel genoegen – of met nog meer genoegen dan de eerste keer – naast het schandaal-boek van het jaar, Der Kulturinfarkt van Dieter Haselbach, Armin Klein, Pius Knüsel en Stephan Opitz (4).

Geen wonder dat een boek als Der Kulturinfarkt uitgerekend nu verschijnt. Het zorgde voor enorme opwinding. In mijn huiskrant, de Süddeutsche Zeitung, kreeg ik niet minder dan een half dozijn artikelen te lezen, die zich alle erg negatief uitlieten over dit polemische boek.

De ondertitel van het boek geeft het programma van de auteurs aan: ‘von Allem zu viel und überall das Gleiche’. De schrijvers pleiten voor een halvering van de culturele instellingen – bij eenzelfde subsidiebedrag? Het antwoord op die vraag wordt terzijde gelaten. Er wordt gepleit voor een betere afstemming van het aanbod op de vraag.

(Het vreemde van dit polemische geschrift is dat het pretendeert over de culturele sector -het veld – te gaan, maar toch voornamelijk cirkelt rond theater. Voor mij opnieuw het bewijs hoe symbolisch het theater voor Duitsland is.)

Het centrale thema is dat er in het Duitse theaterlandschap te veel van hetzelfde is. Dat klopt gedeeltelijk, en het heeft voornamelijk te maken met het feit dat de stadstheaters het tot hun plicht rekenen het repertoire op te voeren. En inderdaad: de logge structuur zorgt ervoor dat er weinig kan worden geëxperimenteerd.

Maar klopt dat eigenlijk wel? En hoeveel is te veel? Dat is allemaal relatief natuurlijk. Duitsland geeft evenveel uit aan cultuur als aan de openbare omroep. En kijk, als ik dit neerschrijf, lijkt het meteen alsof ik tegen de openbare omroep zou zijn! Terwijl ik er alleen maar wil mee zeggen dat Veel’ een relatief begrip is.

Te veel van hetzelfde? Als ik in mijn supermarkt ronddwaal, zie ik een overvloed aan soorten yoghurt… Nivea probeerde onlangs de 93ste deodorant voor mannen op de markt te krijgen. Te veel van hetzelfde. Te veel politici ook, zegt E. En de landbouwbegroting van de Europese Unie – veertig percent van het totale budget -, is dat niet een beetje veel? Te veel slechte en middelmatige boeken… zoals ook dit Kulturinfarkt

Ik verwachtte een pleidooi voor een meer marktgerichte cultuur, zoals in Subsidiëring van podiumkunsten: beschaving of verslaving? (5). Los en onafhankelijk van de subsidiekranen van de overheid. Je kent dat soort illusie… Geregeld onderstrepen de auteurs dat het culturele veld niet gelijkgesteld – of geschakeld – mag worden met de marktmechanismen. Maar tegelijkertijd flirten ze er op los met allerlei markteconomische hulp(?)middeltjes. Dat het aanbod moet inspelen op de vraag, is hun leidmotief.

Der Kulturinfarkt rammelt aan alle kanten – op enkele af en toe inderdaad zinnige opmerkingen en bevindingen na, zoals de kritiek op de overdadige bouw van nieuwe musea en bibliotheken. De reden dat de auteurs van het boek zeer voorzichtig omspringen met het vrijemarktdiscours – zo besefte ik bij de lectuur – heeft wellicht te maken met het feit dat ze alle drie zelf tot het (gesubsidieerde) cultuurveld behoren. Drie zijn universiteitsprofessoren: de Zwitserse medewerker is directeur van Pro Helvetia. God spaar ons van de cultuurmanagers!

Te veel van hetzelfde? Inderdaad: als men de programma-aanbiedingen van de Duitse stadstheaters bekijkt, treft men onvermijdelijk in overgrote meerderheid de grote namen en titels uit de canon aan. De meest opgevoerde opera vorig seizoen was weer maar eens Die Zauberflöte. Bij het gesproken toneel was dat de onvermijdelijke Faust.

Het heet dan snel dat de stadstheaters geen risico’s nemen… Dat ze bovendien de commerciële sector concurrentie aandoen met oneerlijke middelen (subsidies), enzovoort. Je kent dit soort argumenten.

En toch, ook hier zijn weer nuances aan te brengen. Een voorbeeld uit eigen ervaring.

De musical Strike Up the Band van Ira en George Gershwin uit 1930 is een totaal vergeten werk. Ten onrechte, want het bevat prachtige songs en bezit een erg origineel libretto van George Kaufmann, wat voor een musical eerder een zeldzaamheid is (6). Het verhaal gaat als volgt: de Amerikaanse kaasindustrie zit in moeilijkheden. Veroorzaakt door de concurrentie op de markt van: de emmentaler! Er wordt dus beslist om Zwitserland te bezetten en daar ter plekke de kaasindustrie naar eigen hand te zetten. Dat gebeurt, met onvoorzienbare en uitermate grappige gevolgen. Vooral dan omdat de Zwitsers niet reageren zoals onze Yankees hadden verwacht. ‘There is work to be done, to be done / there is a war to be won, to be won…’

Een paar jaren geleden zag ik een opvoering van Strike Up the Band met erg goede zangers en dansers, in een eenvoudige maar efficiënte enscenering. Waar? Op Broadway of op West End? Op Off-Broadway of op de een of andere Amerikaanse campus? Neen, in Gelsenkirchen, of all places. De stad – die tot de meest armlastige steden van het Ruhrgebied behoort – bezit een mooi operahuis (met een muurschildering van Yves Klein in het foyer), ‘Musiktheater im Revier’ geheten en – zoals in elk stadstheater – dient er op het programma jaarlijks een publiekstrekker te staan. Meestal is dat een klassieke operette zoals Die Fledermaus of Die Lustige Witwe. Maar de vorige intendant wilde – met zijn meer dan beperkte middelen, maar met een sterk artistiek ensemble – elk jaar op z’n programma ook een musical hebben. Vandaar de herontdekking van Strike Up the Band... met een bezetting die helemaal uit eigen zangers van het ensemble bestond. En naast de Traviata’s en de Madama Butterflies was het een jaarlijkse gewoonte om een grand opéra te brengen. Zo werden in Gelsenkirchen, lang voor De Munt op het idee kwam, enkele werken van Meyerbeer opgevoerd.

Onvoorspelbaar Duits stadstheater.

(1) Klaas Tindemans, De ruïnes van het burgerlijk theater. Naar een radicale herdefinitie van stadstheaters in Vlaanderen, Etcetera 126 (september 2011)

(2) Ralph Bollmann, Walküre in Detmold. Eine Entdeckungsreise durch die deutsche Provinz, Klett-Cotta, Stuttgart, 2011

(3) Gerhard Stadelmaier, Letzte Vorstellung, Eichborn Verlag, Frankfurt am Main, 1993

(4) Dieter Haselbach, Armin Klein, Pius Knüsel, Stephan Opitz, Der Kulturinfarkt, Albert Knaus Verlag, München, 2012

(5) Arjan van den Born, Pim van Klink en Arjen van Witteloostuijn, Subsidiëring van podiumkunsten: beschaving of verslaving?, Politea, Brussel, 2012

(6) De gelijknamige film uit 1940 met Judy Garland en Mickey Rooney heeft behalve de titelsong niets met de oorspronkelijke Broadway-musical te maken.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

boeken
Leestijd 14 — 17 minuten

#130

01.10.2012

30.11.2012

Eric De Kuyper

Eric de Kuyper (1942) is de auteur van talloze artikelen over dans, opera en film, en van een reeks autobiografische boeken, waaronder Bruxelles, here I come (1993). In 2007 verscheen Het teruggevonden kind.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!