(c) Michiel Devijver

Leestijd 3 — 6 minuten

Stadstheater van het verleden

Naar aanleiding van het Ghent Manifesto 2.0

Daags na de première van Red, zijn laatste voorstelling in een reeks van drie geproduceerd door NTGent, dropte regisseur Luk Perceval een bommetje op de opiniepagina’s van De Standaard. Samen met acteurs Bert Luppes en Oscar van Rompay schreef hij, ongeveer vier jaar na de lancering van het Ghent Manifesto door NTGent na het aantreden van Milo Rau als artistiek leider, een eigen manifest ‘tegen de willekeur van Milo Rau’.

Nu is het perfect legitiem om kritiek te uiten op de uithuizigheid en leiderschapsstijl van een veelgevraagd regisseur. Dat debat leefde ook in de jaren onder Johan Simons. Het internationale prestige van een artistiek leider kan heel wat deuren openen, maar kan ook een nefaste impact hebben op de dagdagelijkse interne werking van een stadstheater.

Neoliberaal productiehuis

Je kan je de vraag stellen waarom zo’n leiderschapsdebat zo nodig open en bloot in de krant moet. Werd het NTGent-personeel, in het bijzonder de andere ‘artists in residence’ waarvoor Perceval en co. in hun tekst de indruk geven te spreken, wel geconsulteerd? In tegenstelling tot wat het trio (en ook Het Nieuwstedelijk vandaag in een reactie in De Standaard) doet uitschijnen, gaat het Gentse stadstheater wel degelijk meerjarige trajecten aan met kunstenaars als Lara Staal, Luanda Casella en Miet Warlop. Waarom ondertekenden zij dit manifest niet mee? Kan je hen zomaar ‘passanten’ noemen in een ‘productiehuis’ met ‘neoliberale’ trekken, ‘die – uit vrees voor de weinige kansen die ze krijgen – hun stem in huis nauwelijks durven laten horen’?

De drie auteurs haken ook in op een discussie rond precariteit onder podiumkunstenaars. De interesse en bezorgdheid voor hun minder fortuinlijke collega’s, waarvan er heel wat aanschurken tegen de armoedegrens, siert hen. Deze discussie is echter zo breed, raakt aan zoveel aspecten van het bestaande theaterbestel, dat de rol die één stadstheater daarbinnen kan spelen, relatief beperkt is. Zeker als het niet over de royale budgetten beschikt van zijn gemiddelde Duitse variant, die Perceval de voorbije decennia goed heeft leren kennen.  

Percevals Toneelhuis 2.0

Welk model schuift het trio dan zelf als alternatief naar voor? Dat lijkt, afgaand op hun eigen artistieke loopbanen, dat van het vaste spelersensemble te zijn, per productie aangestuurd door huisregisseurs. Toch blijft de effectieve tekst van hun manifest dubbelzinnig, niet in het minst omdat nu eens sprake is van ‘toneelspelers/makers’ en dan weer van ‘de positie van de toneelspeler’. Welk vast ensemble hebben de auteurs voor ogen: het spelersensemble van het Toneelhuis onder Perceval (1998-2005) of het makersensemble van het Toneelhuis onder Guy Cassiers (2006-2021)? 

Percevals Toneelhuis 2.0 lijkt alvast geen goed idee. Anno 2022 schiet het tekort als antwoord op de brede precariteit, omdat het dat probleem voor een aantal toneelspelers misschien wel zou oplossen, maar voor andere spelers én makers net mee zou vergroten: zij zouden namelijk nog minder kansen krijgen binnen de muren van een instelling als NTGent. Een acteur die doorheen het jaar verbonden is aan één huis past een Duits stadstheater trouwens stukken beter, omdat daar maand na maand dezelfde voorstellingen terugkeren op het repertoire. 

Achterhoedegevecht

Dat soort van repertoiresysteem bestaat in Vlaanderen niet, wat nadelen met zich meebrengt maar ook behoorlijk wat voordelen. Toneelspelers zijn er doorgaans net minder vaak louter ‘uitvoerders’ van de ideeën van makers (nog iets wat het trio Rau’s NTGent voor de voeten gooit). Voor vele jonge podiumkunstenaars – spelers én makers – valt een vast contract ook niet zomaar te rijmen met artistieke vrijheid, zoals blijkt uit een artikel dat daags na het manifest van Perceval en co. in De Standaard verscheen. 

De grotere artistieke en administratieve wendbaarheid zou Vlaamse stadstheaters bovendien gemakkelijker in staat moeten stellen om in te spelen op de groeiende vraag naar een grotere maatschappelijke representativiteit op hun podia op vlak van gender, taal, seksuele voorkeur en etnisch-culturele achtergrond. (In principe toch.) Velen maar bijlange niet iedereen voelt zich zomaar aangesproken door een podiumkunst gebaseerd op (1) regisseurstoneel, (2) het spelersensemble en (3) de repertoiretekst. Hoe ongemeen boeiend zo’n vorm van podiumkunst ook kan zijn. 

Perceval, Luppes en van Rompay hebben hun pennen geslepen voor een achterhoedegevecht. In hun manifest beweren ze dat Rau’s NTGent de eigen profilering als ‘stadstheater van de toekomst’ niet waarmaakt. Er valt zeker te discussiëren over de kloof tussen die overmoedige beeldspraak en de reële, dagdagelijkse praktijk. Zelf lijken de auteurs echter een stadstheatermodel te verdedigen dat tot het verleden behoort.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

opinie
Leestijd 3 — 6 minuten

#167

15.03.2022

14.05.2022

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is lid van de kleine redactie van Etcetera, schrijft over podiumkunsten en beeldende kunst, doceert in het KASK en en werkt als dramaturg en podiumkunstenaar.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!