Leestijd 14 — 17 minuten

Stadsschouwburg Amsterdam heeft zijn langverwachte vlakkevloertheater

Amsterdam en Brussel hebben er sinds kort twee theaterinfrastructuren bij. In Nederland opende ‘het eerste podium van het land’ met de Rabozaal zijn langverwachte vlakkevloertheater. Een eind bezuiden de Moerdijk kon afgelopen voorjaar het jeugdtheater Bronks na twintig jaar van omzwervingen eindelijk zijn eigen gebouw in gebruik nemen. Pieter T’Jonck zag de Rabozaal en wat er niet nog allemaal boven, onder en achter steekt. Koen Van Synghel bracht een bezoek aan Bronks.

De uitbreiding van de Stadsschouwburg in Amsterdam met een nieuwe vlakkevloerzaal voor om en bij de vijfhonderd toeschouwers is een huzarenstukje van belang. De oude schouwburg mag dan met zijn neoklassieke front wel parmantig het Leidseplein domineren, het gebouw is aan de zijkanten geprangd tussen de nauwe Marnixstraat links en de nog nauwere Lijnbaansgracht rechts en paalt aan de achterzijde aan The Max, de grote zaal van film- en muziekcomplex De Melkweg. Anders gezegd: er was nauwelijks ruimte voor uitbreiding. Het inpalmen van een deel van die Melkweg kwam zeker niet ter sprake, want ook dat huis zocht uitbreidingsmogelijkheden voor The Max. In 1963 was een stuk van de Lijnbaansgracht al overbouwd om extra productieruimte te bieden aan de Nederlandse opera (DNO) en Het Nationale Ballet (HNB), maar daarmee leek alle beschikbare ruimte zowat opgebruikt. Toch slaagden Jim Klinkhamer en Maaike Westinga van het Amersfoortse architectenbureau Jonkman Klinkhamer erin om naast het oude theater een grote nieuwe zaal (de ‘Rabozaal’), twee grote repetitieruimtes en een hele reeks dienstlokalen in te brengen. Bovendien verlengden zij The Max met 9 meter. Ze kwamen met hun voorstel op de valreep op de proppen: de plannen lagen al klaar om het beste te maken van de bestaande infrastructuur.

Een andere zaal voor een ander theater?
Met het vertrek in 1986 van DNO en HNB naar het nieuwe Muziektheater aan het Waterlooplein werd Toneelgroep Amsterdam, het grootste Nederlandse theatergezelschap, de belangrijkste gebruiker van het oude gebouw, dat een beschermd monument is. Uiteraard kwam er door het vertrek van twee grote gezelschappen ruimte vrij. Toch taalde Toneelgroep Amsterdam van bij zijn oprichting naar meer mogelijkheden dan de bestaande schouwburg kon bieden. De zaal ervan is gebouwd ‘à l’italienne’, met hoefijzervormige balkons rondom het parterre en een ‘engelenbak’ bovenin. Het sterk afhellende podium van het toneelhuis is voor een Vondel in negentiende-eeuwse stijl een droom. Voor een theatermaker die wil experimenteren met de verhouding tussen kijker en voorstelling is het echter de hel. Toneelgroep Amsterdam speelde dan ook vaak op alternatieve locaties, zoals de Westergasfabriek. Sinds hij in 2001 directeur en regisseur van het gezelschap werd, verlangde ook Ivo van Hove naar een tweede plateau: een flexibele vlakkevloerzaal, geschikt voor ‘groot’, hedendaags theater dat verrast door nieuwe dramatische en ruimtelijke oplossingen, niet door klatergoud en pluche.

De relatie tussen het gebouw en het publiek, en in ruimere zin de stad, was ook om een andere reden aan herziening toe. Het oorspronkelijke ontwerp voorzag een plechtige inkom in het midden vooraan voor het publiek in eerste en tweede rang. Aan beide zijkanten van die hoofdingang bevonden zich kleinere ingangen voor het publiek in derde en vierde rang. Die ingangen waren strikt afgescheiden van de hoofdingang. Sobere trappen voerden dit publiek dadelijk naar hun balkons. Aan de pracht en praal van de hoofdfoyer had het geen deel. Na de Tweede Wereldoorlog leek die typisch burgerlijke scheiding van rang en stand niet langer wenselijk. Iedereen ging door de hoofdingang binnen. De zijingangen werden omgebouwd tot een uitbureau en de boekhandel International Theater and Film Books. Maar verder gebeurde hier het grootste deel van de dag niets. Naast het drukke uitgaansleven op het plein bleef de schouwburg een dode plek. Het balkon boven de inkom, met zijn prachtige uitzicht, bleef op een enkele receptie na leeg. Daar moest iets aan gebeuren. Maar hoe dat te rijmen viel met de bestaande functies lag niet voor de hand.

Het was in elk geval geen optie om elders een nieuw gebouw op te trekken. Dat zou de betekenis van de buurt als culturele hotspot – vlakbij liggen behalve de rocktempels Melkweg en Paradiso onder meer ook het nieuwe De La Mar Theater en het Theater Bellevue – uithollen. Dat wilde de stad te allen prijze vermijden. Daarom onderzocht ze hoe aan de beperkingen van de bestaande situatie een mouw kon worden gepast. Niet alleen nijpend plaatsgebrek, maar ook de argwaan van Monumentenzorg zorgde daarbij voor kopbrekers. Uiteindelijk kwam er midden jaren negentig een compromis uit de bus dat in zijn opzet verwant was aan de oplossing die Luc D’Hooghe en Rose Werkcx in diezelfde periode bedachten voor de Gentse Minardschouwburg. Zij breidden de podiumruimte fors uit naar achteren, zodat daar ruimte was voor een volwaardige tribune en een groot podium. Het publiek kan op die manier zowel in de oude zaal als op de nieuwe publiekstribune op het podium plaatsnemen, zonder dat er aan de oude zaal geraakt werd. Het nadeel is echter evident: je hebt zo theatraal wel meer mogelijkheden, maar nog steeds slechts één zaal ter beschikking. Je kan geen twee stukken tegelijk spelen, noch het decor voor een nieuwe voorstelling monteren terwijl de vorige nog loopt.

Een vreemde locatie voor een theater
Als je goed kijkt merk je dat de Amsterdamse Stadsschouwburg uit 1894 een eigenaardige inplanting heeft. Het gebouw neemt een hele hap weg uit het Leidseplein. Het drukke verkeer verknipt het plein nog meer tot een wat chaotische ruimte die in het niets lijkt op te lossen eens je voorbij het American Hotel richting Overtoom loopt. Toch is dat plein ooit bedacht als een duidelijk eindpunt van de Leidsestraat, zo blijkt uit de historische nota die Jonkman Klinkhamer opstelde. Het plein markeerde de grens van de vierde Stadsuitleg in 1672. Die stadsgrens werd afgezoomd door een gracht, de huidige Lijnbaansgracht, en een krans van bastions (de vorm van die bastions herken je nog steeds in het golvende verloop van de Nassau- en Stadhouderskade). Hier werd over de Baangracht heen een rechthoekig wagenplein aangelegd. Pal tegenover de Leidsestraat bevond zich de stadspoort richting Overtoom. Op dat plein, ter plaatse van de overwelving van de Baangracht, werd in 1774 voor het eerst een houten schouwburg gebouwd. Het gevolg was dat het plein zijn heldere rechthoekige vorm verloor en het perspectief van de Baangracht verdween. Het plein werd zo niet alleen minder leesbaar, maar ook minder bruikbaar. Later, in 1874, werd die eerste schouwburg omwille van brandgevaar met steen bekleed. Dat mocht niet baten, want in 1890 ging hij, na het verjaardagsfeest van Willem II, in vlammen op. Meteen werd op dezelfde plaats, naar een ontwerp van de gebroeders J.B. en J.L. Springer, overgegaan tot de bouw van een nieuwe schouwburg. Die staat er al sinds 1894.

Het blijft verbazend dat niet alleen in 1774 besloten werd tot een inplanting die het plein verminkte, maar dat deze ‘vergissing’ in 1894 nog eens klakkeloos overgedaan werd. Misschien omdat de barokke logica van zichtlijnen en pleinen de Nederlanders eerder vreemd is? Een prozaïscher antwoord is dat er toen al chronisch plaatsgebrek heerste in de stad. In de hele wijk rondom het plein was het vanaf de achttiende eeuw een drukte van belang. De buurt kende een erg hoge densiteit van woon- en werkruimtes. In het grachtengebied achter de schouwburg verrezen pakhuizen van suikerfabriek Granaatappel. Grote industriële schoorstenen vormden zo de achtergrond voor de schouwburg. De naam Melkweg is trouwens afgeleid van de melkfabriek die hier opende na de sluiting van de Granaatappel. Op en rond het plein zelf werden vele prestigieuze gebouwen opgericht, die de groezelige buurten rondom aan het zicht onttrokken. Aan geld was er geen gebrek: het American Hotel werd in 1882 een eerste keer opgericht naast de stadsschouwburg om twintig jaar later al vervangen te worden door het imposante eclectische gebouw van architecten Kromhout en Jansen. Tegenover dat hotel ligt het Hirsch Warenhuis, nu in gebruik als kantoren, maar tot de jaren vijftig de Amsterdamse evenknie van de Parijse ‘Grands Magasins’. Dat opende zijn deuren in 1894, maar slechts vijftien jaar later werd die eerste vestiging al drastisch uitgebreid tot het huidige, Parijs aandoende gebouw. (pt)

Het ei van Columbus
Op dit punt duikt Jim Klinkhamer op in het verhaal – op dat ogenblik huisarchitect van de Melkweg. Hij gaf directeur Cor Schlösser van de Melkweg ongezouten te kennen dat er wel wat beters te verzinnen viel dan het plan dat voorlag. Stad en schouwburgdirectie zagen er geen graten in dat hij een alternatief zou voorstellen, maar het zou hen wel ‘sterk moeten verbazen’ vooraleer ze de bestaande plannen overboord zouden gooien. Ze werden sterk verbaasd. Het plan van Klinkhamer is immers zowel simpel als doortastend. Als de Melkweg een tweede zaal in de weg staat, bouw dan een tweede zaal boven op de Melkweg, luidde zijn redenering. In de hoogte is er immers wel plaats, want The Max, een voormalig pakhuis, is zo laag dat het niet hoger komt dan het achtertoneel van de bestaande schouwburg. Klinkhamer kon aantonen dat dit idee geen ijle dagdroom was, en kreeg groen licht om zijn plannen verder uit te werken.

Het gebouwde resultaat van die plannenmakerij is een intrigerende verschijning. Als je het nieuwe gebouw vanaf de Leidsegracht in het noorden, langs de Melkweg, benadert, zie je een grote glazen doos die net boven het water zweeft. De Lijnbaansgracht werd hier immers, na de afbraak van de uitbreidingen van de schouwburg uit de jaren zestig, terug opengegooid. Tegen de oude stadsschouwburg aan is dat glas doorzichtig, naar de Melkweg toe hangt er een waas overheen, zodat je niet precies ziet wat er zich binnen afspeelt. Overdag kan je achter het heldere glas wel eens acteurs aan het werk zien. Soms verpozen ze ook op het rokersbalkonnetje net boven het wateroppervlak. Hier ligt inderdaad een grote repetitiezaal, met daarnaast allerlei dienstruimtes. Om de hoek van de doos loopt het glas verder door tot bijna tegen de gevel van The Max. Je ziet hoe de gevel van The Max daarachter gewoon van buiten naar binnen doorloopt. (Wat je niet merkt is dat die zaal achter de dienstlokalen verder uitgebreid werd: de uitbreiding van de zaal schuift in feite onder het nieuwe gebouw door.) Op de hoek van de doos is het glas onderaan vervangen door een zwart volume van wel een meter dik. Als er ’s avonds een concert is in de Melkweg merk je waar dat volume voor dient: het kan uitklappen naar buiten, als een ophaalbrug over het water. Achter die ophaalbrug ontwaar je een grote trappenpartij. Die dient als een vluchtweg voor de nieuwe zaal en als diensttrap. Op zowat 9 meter boven de grond, ongeveer ter hoogte van de dakrand van The Max, kraagt een vloer uit boven dat glas. Daarboven zie je nog meer glas, helder deze keer, in ramen die zowat één etage hoog zijn. Rond het aanvangsuur van een voorstelling passeert hier veel volk. Dit is immers de verbindingsgang tussen de oude schouwburg en de nieuwe zaal.

De doos op de glazen kast
Maar waar is die nieuwe zaal dan? Die bevindt zich boven die grote glazen doos. Als om het lot te tarten verrijst boven al dat glas een grote stalen doos. Langs de Lijnbaansgracht ligt de wand van die doos over een hoogte van zowat twee etages in hetzelfde vlak als de glazen uitkraging, om daarna terug te springen. Het volume gaat dan nog minstens tien meter verder de lucht in. De dwarse wand van deze stalen doos ligt in hetzelfde vlak als de glaswanden die uitkijken over de gracht in noordelijke richting. Uit die wand priemt echter een forse platte doos wel tien meter boven het water uit. De kop van die platte doos is alweer een glaswand, waarachter je ’s avonds tijdens de pauze mensen ziet genieten van het uitzicht, blijkbaar zonder dat ze zich ervan bewust zijn dat ze vervaarlijk in het luchtledige zweven.

Het is een wat onwezenlijk beeld: een gigantische gesloten doos die op niets dan glas lijkt te rusten, zelfs al bemerk je wel potige kolommen achter de glaswanden. Dat toverachtige wordt nog versterkt door de gevelbekleding. Ze wisselt voortdurend van uitzicht naargelang de stand van de zon en de hoek van waaruit je kijkt. Door dat wisselend uitzicht doet deze buitenhuid van het gebouw denken aan moiréstof. Daar haalden de architecten inderdaad hun inspiratie. De gevel bestaat uit twee boven elkaar gemonteerde geprofileerde metalen platen. De buitenste is grijzig van kleur en sterk geperforeerd. De plooien in de plaat lopen verticaal. De binnenste plaat is een sterk reflecterende aluminium golfplaat. De sinusgolven lopen horizontaal en werd en afgewerkt met een transparante, heloranje lak. De kruisende richting van de plaatprofilering werkt als schering en inslag bij textiel. De interferentie tussen die twee materialen creëert vreemde lichteffecten. Het is alsof je baksteengevels als die van de bestaande schouwburg zag, maar dan met een changeant effect.

Vanaf het Leidseplein gezien is het nieuwe gebouw even verrassend. De grote stalen doos nadert hier de toneeltoren van de oude stadsschouwburg tot zowat 1,5 m, maar terwijl je net daar een gesloten wand verwacht, blijkt die kopgevel helemaal in glas uitgevoerd te zijn. Dat glas werkt als een spiegel, die de versieringen op de topgevel van de oude toneeltoren weerkaatst. Als je geluk hebt kom je misschien op een avond dat er licht stroomt uit deze reusachtige glaswand. Achter het glas bevinden zich immers stalen roldeuren die weggeschoven kunnen worden zodat je binnen kan kijken in de zwevende stalen doos. Want de stalen doos is inderdaad – je vermoedde het al – het omhulsel van het nieuwe podium. In die zaal kijken de toeschouwers, als de stalen wand weggeschoven is, naar de achterwand van de oude schouwburg en de hemel.

Van oud naar nieuw
Het is pas binnen in het gebouw dat je ten volle begrijpt hoe de vork aan de steel zit. Bezoekers van de nieuwe zaal komen nog altijd binnen via de vroegere centrale kassahal en bijhorende trapzalen. Wie de schouwburg al lang niet meer bezocht, wacht daar echter een grote verrassing. De vroegere wanden tussen de ingangen links en rechts voor de derde en vierde rang en de centrale kassahal vooraan werden opengebroken, zodat plots een grote, vloeiende ruimte is ontstaan op de gelijkvloerse verdieping. Die ruimte blijkt nu ook een grand café, een ‘Stadsfoyer’ te huisvesten. Het is een vrij toegankelijke ruimte die doorgang geeft naar de kassa’s die zich nu rechts van het gebouw bevinden. Ook in de salons op de etages kan je nu eten en drinken. Het balkon boven de hoofdingang bruist dan ook van leven. Ook de deuren van de uitbouw aan het Leidseplein, en de tegenoverliggende deuren aan de Marnixstraat, waar vroeger geen kat op lette, zijn geopend. Je kan dit ‘Stadsfoyer’ nu vanaf de straat in alle richtingen doorkruisen, dag en nacht. Zo werd het ook mogelijk om de theaterboekhandel dieper in het gebouw te plaatsen. De toegangen tot de bestaande zaal zijn ongeveer intact bewaard. Wil je daarentegen naar de nieuwe zaal, dan moet je de grote trappenpartij aan de rechterzijde van het gebouw nemen. Op het ‘Gijsbregtbordes’ werd daar een grote opening gemaakt, precies op de plaats waar vroeger al een grote poort gesuggereerd werd in het pleisterwerk. Je passeert hier een grens die vroeger heilig was: voorbij deze opening loop je naast het toneelhuis van de oude schouwburg, waar het publiek vroeger nooit kwam, om via een grote trap te belanden in een lange gang met zijdelingse ramen. Dit is de overkragende glaswand langs de Lijnbaansgracht boven het repetitielokaal. Nog ben je dan niet ter bestemming, want je moet nog een forse stalen trap hoger om aan te komen in de ruimte rond de publiekstribune van de nieuwe zaal.

De sfeer wijzigt hier dramatisch. Terwijl de stad de oude gangen en de foyer van de schouwburg overspoelt, en je op je wandeling naar de nieuwe zaal tot dan toe ruim zicht had op de straat, kom je plots in een intiemere ruimte, met nauwelijks uitzicht. De materialen zijn hier grijzig, haast industrieel. Hier merk je duidelijk dat de nieuwe constructie een staalstructuur is, want balken, kolommen en stalen vloerplaten werden niet verstopt. Een schuin vlak in de ruimte herken je meteen als de onderzijde van de publiekstribune, de lichtende box die eronder geschoven werd is onmiskenbaar de buitenwand van het sanitair blok maar functioneert vooral als een efficiënte lichtbron. Je moet nog een etage hoger, met nog zo’n forse stalen trap, om aan te komen in de foyer. Die beloont je klim met een prachtig uitzicht door een bandraam op de stad. De zaal zelf, die je op twee niveaus kan betreden, kent dezelfde eenvoud van opbouw en uitrusting. In wezen is het een schoendoos, een ‘black box’, al is er dan die glazen achterwand tegenover het toneelhuis van de oude schouwburg. Aan de publiekszijde loopt de vloer echter schuin omhoog voor een vaste tribune. Boven de tribune is het plafond een fors stuk lager dan boven het podium. Die uitsnijding uit het volume van de schoendoos liet toe om boven de publieksruimte nog een repetitiezaal – met een magnifiek terras – en een ventilatiegroep te plaatsen. Het gewicht daarvan verklaart de forse spanten boven de tribune, maar die blijken meteen ook nuttig als vaste lichtbruggen. Aan beide zijden van die tribune werd nog een hap weggenomen uit het volume om circulatie rond en toegang tot de zaal mogelijk te maken. Licht kan ook opgesteld worden achter de decoratieve wentelbare panelen die zich bevinden in het verlengde van het bordes waar de toeschouwers de zaal betreden. Dat maakt dat het podium aan beide zijden enkele meters breder is dan de publieksruimte, en een gigantische opening van zowat twintig meter heeft.Dat levert een breed stoelenplan op, met 34 stoelen per licht gebogen rij. Door die breedte zijn er slechts 17 rijen nodig voor 500 plaatsen, zodat iedere kijker dicht bij het podium te zit. Boven het podium bevindt zich nog de rollenzolder, en er is zelfs een ondertoneel.

Lowtech
Ondanks de lagere plafondhoogte, de spanten en de zijpanelen in de publieksruimte ervaar je podium en tribune toch als één ruimte, die werkt als een echte vlakkevloerzaal. Het oogt allemaal netjes en verzorgd, maar net als in de gangen en de foyer valt hier nauwelijks één tierlantijntje te bespeuren. Het grijs van de naakte constructie domineert ook hier. Een echte black box, waar alles verdwijnt onder een laag zwarte verf, is dit dus niet. Door die lichtere kleur kan je integendeel alle technische voorzieningen onderscheiden. Die zijn eerder bescheiden. Terwijl hightecharchitecten van de technische installaties en constructies steevast zo’n ingewikkelde vertoning maken dat je niet meer begrijpt wat je ziet, schreeuwen die hier niet om aandacht, maar tonen ze wel op een beheerste manier hoe de theatermachine werkt. Lowtech noemt Jim Klinkhamer die aanpak, maar door de royale afmetingen van het podium dienen zich hier toch zonder twijfel grote mogelijkheden aan voor een inventieve regisseur of scenograaf. Dit gebrek aan nadrukkelijk ‘design’ creëert een ontspannen sfeer. Hedendaagse zalen handelen dan wel niet meer in klatergoud en pluche, maar kunnen even excessief decoratief zijn als de aankleding of de techniek te opzichtig worden. Dat leidt niet zelden de aandacht af van het podium naar de zaal en het publiek, dat graag de exuberantie van de vormentaal op zich laat afstralen of erdoor overdonderd wordt. De informele soberheid van deze zaal vermijdt die val. De dingen doen wat ze moeten doen, niet meer, niet minder. IJdel vertoon zou hier uit de toon vallen. Dat laat de kijkers toe zich maximaal te concentreren op wat het podium biedt. De zichtlijnen zijn trouwens erg goed, waar je ook zit.

Als toeschouwer heb je er niet veel aan, maar het ontwerp heeft voor de professionele gebruiker nog enkele aardige verrassingen in petto. Aan de Marnixstraat, waar de Melkweg al een aantal woningen gebruikte als café, kantoren en dienstlokalen, werd een extra woning aangekocht. De achterzijde van dat rijtje woningen, dat slechts door een smalle inham afgescheiden is van de stadsschouwburg, werd volgens een rechte lijn afgebroken. Terwijl de straatzijde intact bleef werd aan de achterzijde een nieuwe constructie voorzien: een smalle strook van twee parallelle trappenhuizen geflankeerd door een aantal werklokalen en kantoren, die een buffer vormen tussen de oude huizen en het nieuwe vlakkevloertheater. Die dubbele reeks trappen kwam er omwille van brandweervoorschriften, maar de architecten gebruikten die verplichting als voorwendsel om een fantasierijk spel op te zetten van in tegengestelde richting lopende trappen die elkaar soms onverwacht kruisen. Dat creëert ook licht en lucht in deze backstageplekken, die maar al te vaak de naargeestigheid zelf zijn. Het is langs deze weg dat je belandt in de repetitieruimte boven de nieuwe zaal. Die geniet van een fabuleus uitzicht vanaf het terras. De theatertechnici werden dan weer bedacht met twee brandnieuwe schaarliften die toelaten om hele vrachtwagens zowel bij de oude als de nieuwe zaal tot op het niveau van het podium te hijsen.

Rare kronkels
Het mag na het voorgaande wat vreemd lijken, maar toch overtuigt dit ontwerp, als architectuur, niet helemaal. Met de zaal heeft dat weinig te maken: die doet uitstekend wat ze moet doen, en de glazen achterwand van het podium biedt boeiende extra mogelijkheden. Die lowtechbenadering van de detaillering is in het nieuwe gebouw ook consequent doorgevoerd. Het ontwerp telt bovendien geestige vondsten, zoals de repetitiezaal aan het water op straatniveau. Stel je maar voor hoe voorbijgangers zich hier vergapen aan de beroemdheden die vlakbij, maar toch onbereikbaar, dag in dag uit te kijk staan (en dat blijkbaar ook graag doen). Een evidente reden waarom het ontwerp echter geen topwerk werd, is dat hier zo met ruimte gewoekerd werd dat het een beetje van het goede te veel is. Hoe slim het gebouw aan de Lijnbaansgracht ook is, de omvang ervan raakt aan de grens van wat dit al bij al smalle straatje hebben kan. Een grandioze geste als de ver uitstekende foyer (15 meter boven de straat) wordt zo bijna schreeuwerig. De nadrukkelijke kromming van het dak van de zaal met uitstekende ribben vormt ook een nogal bizar contrast met de hoekigheid die de rest van de nieuwbouw kenmerkt. Dat is echter detailkritiek, vooral als je bedenkt dat hier met verhoudingsgewijs erg bescheiden financiële middelen gewerkt moest worden.

Het ontwerp kent vooral een bizarre conceptuele verwarring. De bestaande foyer en de trapzaal zijn in de huidige toestand nog nauwelijks als dusdanig te herkennen. Foyers zijn intrinsiek overgangsruimtes tussen de drukte en de competitie van de straat en de formele ruimte van het theater, waar het gedrag en de activiteit strikt geregeld is. Van die sfeer blijft nauwelijks iets over. De drukte van de straat leeft hier de ruimte volkomen overgenomen. Een deel van de foyer is zelfs een open restaurantkeuken. Hier heerst de sfeer van een brasserie, niet van een foyer. De overgang naar de nieuwe zaal vormt een plotse en radicale breuk. Ze gebeurt langs een doorgang die, eens je de ‘poort’ en de trap op het Gijsbregtbordes voorbij bent, haast een sluipweg is, zo krap bemeten is de gang. Je tuimelt zo quasi per toeval van de luidruchtige oude foyer in een sfeer die verwant is aan het experimentele theater van enkele decennia geleden, toen vaak in achterafzaaltjes en verbouwde loodsen opgetreden werd. In de doorgang kijk je trouwens uit op voormalige pakhuizen aan de overkant van de straat. Als je dan twee etages hoger in de nieuwe foyer komt, krijg je door het uitzicht op de drukte rond de Melkweg 15 meter lager weer een andere sfeer. Hier neem je als theaterbezoeker niet alleen afstand van het rumoer buiten, maar kijk je er letterlijk op neer. Als positie is dat weer heel erg ‘ouderwets’, ondanks de sobere aankleding van de ruimte. Het ontwerp gooit zo verschillende opvattingen over theater door elkaar. Is het een aanleiding voor een avondje uit (de oude foyer, nieuwe stijl), is het een verstilde plek voor de cultus van de Kunst met grote K (de gangen rond de zaal) of is het een plek waar de burger zich affirmeert tegenover het volk op de straat (de nieuwe foyer). Het is vooral het eerste geworden. Of dat nu hindert, in dit tijdperk van ijverig consumerende bobo’s, bourgeois-bohémiens? Misschien niet. Theater was altijd een wat verward samenraapsel van het gore en het verhevene, het volkse en het plechtige. Waarom zou het nu anders zijn? Toch stoort dat gebrek aan een scherpe keuze in de publieksruimtes wat. En het is vooral verdomd lang lopen om aan die nieuwe zaal te geraken.

www.stadsschouwburgamsterdam.nl
www.jonkman.klinkhamer.com

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 14 — 17 minuten

#118

01.09.2009

30.11.2009

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis. Hij richtte recensieplatform Pzazz op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!