‘If Pyramids were Square’ (Plan K)

Pol Arias

Leestijd 3 — 6 minuten

Spreken we niet eenzelfde taal ?

Jawel, ik ben een Vlaamse Brusselaar. Nog altijd geen Brusselse Vlaming. Misschien daarom dat ik minder last en moeite heb, zoals vele van mijn collega’s, met het binnenstappen van de deuren van Franse theaters in Brussel. Ik ga niet zeggen dat ik mij daar even thuis voel als in Vlaamse theaters. Maar ik ben er opvallend welkom.

Het had wel voordelen te studeren in een gebouw waar ook een Franstalige theaterschool (Insas) gehuisvest was. Dat leverde contacten en vriendschappen op die tot vandaag bleven voortbestaan. Achter dat welkom zijn zit veel meer dan toevalligheden. Er is de nieuwsgierigheid naar wat jij als Vlaming over hun werk vindt. Tegelijk word je uitgevraagd over wat er in het Vlaamse theater gebeurt. Want hoewel het Franstalige theater in België meer geld krijgt dan het Vlaamse kijken vooral acteurs jaloers op naar die Vlaamse gezelschappen waar spelers vast in dienst worden genomen. Dikwijls schrik ik op als ik in koopcentra een bekende acteurstem waren hoor aanprijzen via luidsprekers. Alle cumulaties zijn bitter welkom.

Het is ontroerend ze te horen vertellen over hun bewondering voor Vlaamse acteurs die ze kennen via films. En hoe ze maar al te graag in een stuk van Hugo Claus zouden willen spelen.

Brusselse hartsgeheimen

Het valt op dat je als Vlaming wel eens gemakkelijker in vertrouwen wordt genomen door theaterdirecteurs. Directeurs die soms opvallend lang op hun post blijven, zoals Roger Domani in het Théâtre de Poche of Claude Etienne in het Théâtre du Rideau, of tot voor kort Jacques Huisman in het Théâtre National. Ik zal nooit vergeten wat hij mij op een zachte zomeravond in Avignon vertelde over zijn verblijf in 1936 als beursstudent in de Sovjet-Unie. Hoe hij daar als ingenieur verliefd werd op Russisch kindertheater en hij gids mocht spelen voor André Gide. Pikante verhalen die, zo bleek achteraf, niemand van mijn Franstalige collega’s kende.

Af en toe word je zelfs opgebeld door regisseurs zonder werk of acteurs op zoek naar nieuwe stukken. Zij proberen zich zelf te programmeren. De jongste jaren werd hun vertwijfeling nog groter toen nieuwbakken directeur Jean-Claude Drouot in zijn Théâtre National net iets te veel acteurs binnenhaalde van over de Franse grens. Dan trad, nog sterker dan vroeger, de coöperatistische reflex op. Want het blijft één grote familie, die vroeger nog hechter was dan nu. Vroeger, toen ze hun eigen kroeg hadden, eerst in de Predikherenstraat, daarna in de Beenhouwerstraat. Daar werden rollen verdeeld, plannen gesmeed en als het moest critici dronken gevoerd zodra de tijd aanbrak dat deze met hun vereniging de nieuwe laureaten gingen kiezen voor hun Eves de Théâtre.

Groots verleden

Maar vandaag lijkt alles wat stiller. Het waren ook een paar prachtige decennia. Met het Théâtre 140 dat ons zowel het Living Théâtre leerde kennen als Serge Gainsbourg om het maar bij de beginjaren te houden. Hoe Vlamingen als Tone Brulin en Franz Marijnen het Théâtre Vicinal hielpen starten. Hoe we daarna door Frédéric Flamand de meest onverwachte theaterruimtes leerden kennen, van de Hallen van Schaarbeek tot de Raffinerie du Plan K. Hoe we in het Théâtre du Rideau de klassiekers leerden ontdekken en later dank zij regisseur Adrian Brine splinternieuw Engels werk zagen creëren. In het Théâtre de Poche mocht bij de 25ste verjaardag (wat is dat ook alweer lang geleden) Carlos Tindemans de academische rede uitspreken (in het Engels). In het Théâtre National maakten we, gezeten naast gastregisseur Walter Tillemans, de bezetting van de schouwburg in mei ’68 mee. Terwijl Victor Garcia aan het repeteren was, net nadat Ottomar Krecja ons zijn memorabele Drie Zusters getoond had.

In dat kleine café-theater in de Sint Annastraat startte de verfranste Vlaming, Philippe van Kessel, zijn reeks Duitse voorstellingen. Van Valentin tot Achternbusch via die onvergetelijke Exieldialoog van Brecht. Niet toevallig was ik hem al eens tegen het lijf gelopen in West-Berlijn. Maar ook bij het Théâtre Varia en bij het Nouveau Théâtre de Belgique was ik van begin af meer dan welkom. Alleen met het Théâtre du Parc heb ik het altijd wat moeilijker gehad. De eerste keer mocht ik er zelfs niet in omdat ik geen das aanhad.

Ook met collega’s was het prettig samenzijn op de jaarlijkse theaterbedevaart naar Spa. Niet toevallig zijn twee van de belangrijkste Franstalige critici Jacques de Decker en Jacques Franck van Vlaamse origine.

Zelfs tijdens de periode van de FDF-terreur bleven die Franstalige theaters opvallend open huizen. Daar heerst gezond verstand en overtuigd burgerschap. Toen al en nu nog. Gelukkig zijn de tegenstellingen Wallonië – Franstalig Brussel wat afgezwakt, ik heb die ruzies een paar keer met stomme verbazing moeten bijwonen.

Hier, in Brussel, is het mij duidelijk geworden dat theatermensen eenzelfde taal spreken, met een veelheid van klanken.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#26

15.06.1989

14.09.1989

Pol Arias

Pol Arias studeerde af als dramaturg en was een jaar verbonden aan de KNS. Jarenlang was hij theaterrecensent voor de openbare omroep. In 2007 ging hij met pensioen.