Charlotte Vandevyver

Leestijd 3 — 6 minuten

Spelen met de grenzen van het verlangen

A l’œil nu

Fin Novembre maakte voor Etcetera een beeldbijdraqe over het werkproces van de voorstelling A l’oeil nu Het collectief situeert zijn praktijk tussen film, theater, choreografie, compositie en hedendaagse kunst. Verschillende standpunten leveren verschillende observaties op. In het werkproces staan ze naast mekaar, in de voorstelling wordt de perceptie van de toeschouwer zelf onder vuur genomen. Charlotte Vandevyver begeleidde Fin Novembre als productieassistente tijdens hun residentie in het STUK en brengt verslag uit van de intenties en drijfveren in de uiteindelijke voorstelling.

Met welke verlangens stapt de gemiddelde toeschouwer een festival als KLAPSTUK #12 binnen? Een festival voor hedendaagse dans waarbij de grenzen van de discipline voortdurend worden opgerekt tot er amper nog dans of beweging te bespeuren valt? Het Franse collectief Fin Novembre, een los samenwerkingsverband van artiesten afkomstig uit verschillende disciplines dat in 1996 door Rachid Ouramdane en Julie Nioche werd opgericht, wist met A l’œil nu #4 de verwachtingspatronen van het publiek op een even ingenieuze als luchtige wijze te doorprikken.

A l’œil nu is opgevat als een cinematografische lezing van de STUK-gebouwen, een experiment dat het collectief onder meer al in de ‘Ménagerie de Verre’ (Parijs) aanging. Uitgangspunt van de makers is steevast het specifieke karakter van de gebouwen, in het geval van het STUK een combinatie van robuuste moderne architectuur en gerenoveerde universiteitsgebouwen. Deze concrete realiteit vormt het vertrekpunt om volgens het aloude principe van de montage, waarbij twee beelden naast elkaar gezet worden, een impliciete betekenislaag te creëren. Door het afwisselen van reële beelden met fragmenten uit het collectieve filmgeheugen maakt Fin Novembre een fictief document, een herlezing van de ruimten van het STUK.

Wat zich voor de ogen van de toeschouwer ontplooit, is een beeldenstroom die zich ontdubbelt in verschillende beeldschermen. Door het vermengen van de fysieke aanwezigheid van de performers met fictieve beelden, wordt de ervaring van de actuele ruimte, van het hier en nu, opengevouwen naar een oneindige virtuele ruimte, bevolkt door monstertjes, kung fu acteurs en onzichtbare mannen. De verbeelding wordt aangezwengeld en elke toeschouwer gaat als het ware op een individuele reis door de verschillende ruimten. De blik danst door de ruimte, geaffecteerd door bepaalde beelden, zoomt in en weer uit.

De Soetezaal van het STUK lijkt onbegrensd wanneer een performer met windels om het hoofd de scène op- en afwandelt. Telkens hij een deur achter zich sluit, krijgen we een labyrint van trappen en gangen op de schermen geprojecteerd. Tot slot wordt de verbeelding van de toeschouwer helemaal geactiveerd, wanneer het geluid van voetstappen suggereert dat de man onzichtbaar over het podium waart. Er doen zich voortdurend transformaties en fricties in je perceptie voor. Een scène uit Naked van Mike Leigh waarbij een wagen vertrekt wordt meermaals herhaald, telkens met een andere soundtrack, wat de connotatie uiteraard wijzigt.

A l’œil nu toont met dergelijke eenvoudige ingrepen aan dat het blote oog vaak bedriegt, dat het beeld veelal wordt bemiddeld door een persoonlijk verlangen. Of omgekeerd, dat ons verlangen wordt geconditioneerd door de kracht van het beeld. Na verloop van tijd geraken de verhaallijnen zodanig verstrengeld dat het nog maar moeilijk valt op te maken wat echt is en wat niet. Wanneer de gevel van het STUK-gebouw in beeld verschijnt, wordt er bijna ongemerkt een citaat uit Hitchcocks Rear Window ingeschoven, hét voorbeeld bij uitstek van suspense en het verlangen van de blik.

Naarmate de voorstelling vordert, krijgt het geheel meer spelallures. De scènes zijn erg onsamenhangend en de effectjes worden zeer vrijblijvend ingezet, waardoor de aanvankelijke spanningsboog verslapt. De opeenvolging van personages lijkt wel een maskerade: we zien een clown de revue passeren, en de verschijning van de ‘STUKausaurus’ gaat niet veel verder dan een spielerei. Vraagt het publiek om entertainment? Het zal het krijgen. Of wenst Fin Novembre ook de illusie van een mentale choreografie te doorprikken, het eigen opzet onderuit te halen en zodoende een parodie op zichzelf te installeren? De eindgeneriek lijkt deze stelling kracht bij te zetten: de talloze special effects worden toegelicht, waardoor de verbeelding helemaal afbrokkelt. De illusie ontsluierd.

De voorstelling is op zijn sterkst wanneer de makers op ingenieuze wijze een loopje nemen met de verbeeldingskracht van de toeschouwer, wanneer het imaginaire zijn werk begint te doen en je het gevoel krijgt dat de toeschouwersruimte waarin je je bevindt in verband staat met een bredere ervaringswereld. A l’œil nu levert zo een mooi commentaar op de mediëring van het beeld. En is dat nu net niet waar de hedendaagse dans tegenwoordig om draait? Om een representatie van de voorstelling die we van de wereld hebben?

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#99

15.12.2005

14.03.2006

Charlotte Vandevyver

artikel