“Sneeuwwitje” – Foto Pan Sok

Leestijd 4 — 7 minuten

Sneeuwwitje, het slagwerkproject – Theater NJT / Goudlokje en de twee beren – Speeltheater (NL)

KRONIEK – IETS IN BEWEGING ZETTEN

Het is niet waar dat een eventuele toename van het aantal sprookjes als basistekst voor kinder- en jeugdtheaterprodukties zou leiden tot een verdringing van maatschappelijk relevante themata in dit theater. Zo er inderdaad sprake is van een statistische groei van het sprookje als tekstmateriaal, dan is dit zeker geen teken van escapisme. Het actuele kindertheater vlucht niet voor de werkelijkheid, het plaatst die werkelijkheid wel, zoals goed volwassenentheater ook doet, in een ander perspectief. Sprookjes, als eeuwenoude verhaalstof, zijn ook vertalingen, vervormingen van een werkelijkheid die tegelijk herkenbaar en verrassend wordt.

Twee recente Nederlandse produkties tonen dit opnieuw aan. Goudlokje en de twee beren (Speeltheater) en Sneeuwwitje (NJT) zijn, zowel qua doelgroep als qua theatrale vormgeving, nauwelijks met elkaar te vergelijken, maar beide voorstellingen tasten even voorzichtig, maar duidelijk genoeg, de grenzen af van het verhaal. Zij “testen” in welke mate en in hoever je de verhaalstof kan manipuleren en variëren, voordat de kinderen, vertrouwd als ze (meestal) zijn met de plot, protesteren of zich vervelen.

Het Sneeuwwitje-project van het NJT – de idee komt van regisseur Jeroen Rooijackers en slagwerkcomponist Louis Blonk – is op zich al heel bijzonder. Het bekende sprookje wordt min of meer keurig verteld, maar de omgeving waarin dit gebeurt is tegelijk een plastisch en een muzikaal decor: meer dan 300 zelfstandig (d.i. zonder trom) klinkende trommelvellen, gemonteerd op zigzag opgestelde wanden. In oorsprong staan deze trommelvellen voor de 381 spiegels die de Boze Koningin in haar paleis bezit, maar ze maken zich los van hun decorfunctie. Het onderscheid tussen geluid (klank, muziek zelfs) en beeld (als zo’n vel trilt, trilt het hele beeld) wordt vaag: een aparte sensatie. Vooral door de hoogst “materiële” ervaring van een scenografie, de visuele en auditieve trefkracht, vermijdt Sneeuwwitje het evidente euvel dat een prachtige vormgevingsidee de inhoudelijke ervaring of het verhaal verdringt resp. compromitteert. De bezetenheid van de Koningin, haar narcistische obsessie is duidelijk én inzichtelijk in de eerste, gewelddaddige “drumsolo”, het getimmer op de wangen door als haar alter ego geklede slagwerkers. De kabouters daartegenover spelen marimba en andere “natuurverbonden” percussie-instrumenten: hun geluid is hun werk, en Sneeuwwitje wordt opgenomen in hun wereld als ze de marimba doet klinken. Muziek, zowel het instrument als de klank, wordt een theatraal object, een element van de vertelling, en zeker geen vrijblijvende vondst.

Door dit anti-realistische maar sterk emotionele spelconcept, slaagt de voorstelling erin om de krachten die in het sprookje strijd leveren helder uit te tekenen. Sneeuwwitje zelf, een bij de eerste indruk nogal in zichzelf gekeerd personage, zal later vooral door haar eigenzinnigheid en zelfstandigheid opvallen. In zoverre zelfs dat zij Ferdinand Kloeck, die haar destijds het leven redde en haar opnieuw, als stralende prins, bevrijdt uit de vergiftigde slaap, afwijst bij diens aanzoek. Wat Sneeuwwitje onthoudt uit haar geschiedenis is de kracht om haar leven zelf te bestemmen, en dat dankbaarheid geen onderwerping mag betekenen. Ook aan de rol van de “jager” – in de NJT-versie de tamboermajoor – wordt een andere wending gegeven: hij is een wrede, domme militarist, onnozel verliefd op de Koningin. Vooral zijn met handen en voeten (en veel getrommel) vertelde verhaal over de verovering van de 382ste spiegel is dik in de verf gezet, té dik naar mijn oordeel: zo’n cabaretesk spel slaat heel snel om in kitsch en meligheid. Ook een mogelijke politieke duiding, op zich misschien zinvol, is hier niet bij gebaat. Desondanks weet regisseur Rooijackers de zwart-wit-tegenstelling die eigen is aan de sprookjesstructuur, te nuanceren: met name het onbehaaglijke einde, de afgewezen prins die niet beloond wordt, is opvallend.

Goudlokje en de twee beren van het Speeltheater (NL) is een voorstelling van een heel andere aard: Saskia Janse, geregisseerd door ex-Werktheater-acteur Frank Groothof, speelt Dora, een kleuter. Haar vader is bijna altijd op reis, en dus vertelt ze zichzelf maar het verhaal van Goudlokje en de drie beren – bij Dora zijn het er maar twee, evenveel als ze er zelf ter beschikking heeft, in pluche – en zij verzint er haar eigen varianten op. Waar Goudlokje “normaal” een harmonisch berengezinnetje aantreft in het bos waarin ze is verdwaalt, blijkt nu de vader verdwenen te zijn, en met het berekind gaat ze hem zoeken, tot in de buik van een krokodil. Saskia Janse laat het verhaal van (rosse) Dora en Goudlokje steeds meer samenvallen, tot ze niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. In tegenstelling tot de akoestisch-visuele spitstechnologie in Sneeuwwitje, hanteert Goudlokje een uiterste eenvoud: geen decor, enkel functionele objecten. De twee teddyberen, een kraai (een handpop) en negen blokken-uit-de-blokkendoos, dat is alles. Door de blokken te verschuiven, tovert Dora zes verschillende “landschappen” te voorschijn, kinderlijk geschilderd, met verrassende effecten, zoals b.v. het opduiken van de krokodil op het tropische eiland waar Dora en het beertje zijn geland. Janse en Groothof hebben de oorspronkelijke stof van het Goudlokje-sprookje omgebogen tot een verhaal over de “charmes van de eenzaamheid”, over hoe een kind met haast niets om handen (cfr. de aanwezige rekwisieten) zijn verbeelding scherpt en een nu eens perverse dan weer romantisch-intieme fantasiewereld creëert. De bitterheid om de voortdurend afwezige vader klinkt tegelijk scherp door. Goudlokje en de twee beren is ook een riskante voorstelling, de kleuters kunnen het moeilijk krijgen als het verhaal kantelt en de personages van Dora en Goudlokje samenvloeien. De zoekende intimiteit eist een hoge concentratie, die niet makkelijk op te brengen is, maar waarop de routinier Saskia Janse na enige tijd wel zal weten in te spelen. Tegelijk maakt dit bewuste risico, dit tasten naar gevoelige plekjes van de toeschouwer, de spannende charme van de voorstelling uit.

 

SNEEUWWITJE (HET SLAGWERKPROJECT) idee: Jeroen Rooijackers en Louis Blonk; gezelschap: NJT; regie: Jeroen Rooijackers; spelers: Lisette Van Dommelen, Benno Van Leer, Bart Paulissen, Nora Romanesco, Marjan Swart; muziekcomposities/slagwerkers: John May, Louis Blonk, Murk Jiskoot; decorontwerp: Marco Köller; kostuumontwerp: Marrit Van der Burght.

Gezien: Beursschouwburg, 18 oktober 1987

“GOUDLOKJE” EN DE TWEE BEREN
gezelschap: Het Speeltheater (NL); spel, decor en poppen: Saskia Janse; regie: Frank Groothof.

Gezien: Beursschouwburg, 25 oktober 1987

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#20

15.12.1987

14.03.1988

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!