(c) Raymond Mallentjer

Leestijd 4 — 7 minuten

Sitdown Comedy #2 Houthakken – COMP. MARIUS

Worden we nu beetgenomen, of niet? Aan het eind van een alweer snoeiharde afrekening met de hypocriete Weense cultuursociety van de vorige eeuw lijkt er even iets open te breken in Thomas Bernhards Houthakken. Iets van waarachtigheid, van menselijkheid, zowaar. Zou zoiets mogelijk zijn in het universum van de misantropische Oostenrijkse toneelschrijver (1931-1989)? Compagnie Marius laat het antwoord in het midden, en terecht.

Houthakken (Holzfällen, 1984) is de tweede Sitdown Comedy die Compagnie Marius brengt, en meteen de laatste op de wonderschone openluchttribune in het Middelheimmuseum: de overeenkomst tussen het gezelschap en het museum loopt af, tegen volgend jaar zit Marius op een nieuwe stek.

In Sitdown Comedy #1 kozen Kris Van Trier en ‘t Barre Land-acteur Vincent van den Berg voor Oude Meesters uit 1985. Houthakken werd een jaar vroeger gepubliceerd en is zeer vergelijkbaar: een roman die grotendeels opgebouwd is als een innerlijke monoloog van een schrijver-observator die genadeloos ‘de hel van het Weense wereldje’ fileert, zonder zichzelf daarbij overigens te sparen. Mislukte schrijvers, pedante theaterwetenschappers, zelfingenomen acteurs –  ze komen allemaal langs tijdens het ‘kunstzinnige’ avondmaal’ bij de Ausbergers, georganiseerd ter ere van een belangrijke acteur van het Burgtheater. Niet toevallig hangt over datzelfde mondaine gebeuren ook de schaduw van de dood, want de meeste genodigden zijn nog in rouwkostuum: dezelfde ochtend woonden ze de begrafenis bij van een voormalig lid van dat wereldje, dat zich van het leven benam. De dood als enige vorm van authenticiteit (en van vlucht), tegenover een leven bij gratie van schone schijn – de grondtoon van Houthakken is die van een voortdurend memento mori.

Van Trier en Van den Berg hanteren voor hun enscenering hetzelfde procedé als in Oude Meesters, en de leessleutel daarvoor reiken ze bij het begin van de voorstelling zelf aan. Of er iemand de pianomuziek kent die zachtjes opklinkt? Met de superieure minachting van Thomas Bernhard zelf vegen ze de (domme, domme!) suggesties uit het publiek van tafel – neen jongens, het gaat om de Zweistimmige Inventionen van Bach. Ze zullen de monoloog van Bernhard dan ook verdelen in twee stemmen en elkaar daarmee aanvullen, echoën, bevestigen, voortstuwen. Het splitsen van het vertellerspersonage is een betekenisvolle zet, waarmee Marius niet alleen het effect van het lege elkaar-na-praten thematiseert, maar ook de strijd om ‘het woord’ te krijgen fysiek gestalte geeft. Een van de meest prangende vragen bij het lezen van Bernhard is steevast ‘Wie zegt dit nu?’ Is het de auteur (Bernhard) zelf, is het zijn vertellers-alter-ego? Is het de acteur die deze verteller gestalte geeft? Is het een personage dat de verteller citeert? In Houthakken liggen bijvoorbeeld lange brokken ideologisch discours in de mond van de Burg-acteur – zo lang, dat we op den duur vergeten wie er aan het woord was, en de vertelperspectieven ineen vloeien. Daar gooit Marius dan nog eens zijn ontdubbeling bovenop.

In Bernhards werk staat het ‘toneelspel’ (bij uitstek in de sociale omgang) centraal. Het is geen toeval dat de belangrijkste figuur in Houthakken een acteur is. Er wordt toneelgespeeld op drie plaatsen: op de bühne van het Weense Burgtheater (waar de Burg-acteur een hoofdrol vertolkt in Ibsens Wilde Eend), in het salon van Ausbergers (waar het spel om sociaal aanzien bikkelhard is) en op het charmante houten podium in het Middelheimmuseum, waar Van Trier en Van den Berg zogezegd een deel van hun tekst overslaan en speels laveren tussen hun rol als acteur en die als personage.

De gebeurtenissen zelf uit Houthakken zijn snel samen te vatten (terwijl vooral het begin, door de door Bernhard kenmerkende herhalingen en uitweidingen, eindeloos vet wordt aangezet): de ik-verteller ontmoet op straat de door hem gehate Ausbergers, die hij twintig jaar niet meer heeft gezien, precies op de dag van de zelfmoord van een gemeenschappelijke kennis. Hij slaagt er door zijn ‘verfoeilijke sentimentaliteit’ niet in hun uitnodiging voor het ‘kunstzinnige maal’ af te wimpelen. Die avond observeert hij, gezeten in een oorfauteuil in een duister hoekje van het salon, het ‘wereldje’. Dat er een intermezzo van twintig jaar tussen de hernieuwde ontmoeting zit, maakt het thema van vergankelijkheid sterker: wat toen smaakvol was, is smakeloos geworden, de ooit zo gloedvolle stem van de gastvrouw is verpieterd, het aanzien van de gastheer aangetast door alcoholmisbruik. Of zoals de schrijver-verteller opmerkt: ‘We weten al jaren dat iemand die ons nastaat een lachwekkend figuur is, maar plots zien we het ook.’ In die twintig jaar is alles veranderd, maar ook niets: de sociale parasieten van vroeger (waartoe ook het vertellerspersonage zichzelf rekent) zijn dat nog steeds.

Eindelijk, wanneer iedereen zo ongeveer scheel ziet van de honger, arriveert de beroemde Burg-acteur, door het aanwezige gezelschap geliefd en afgunstig gehaat tegelijk. Er ontstaat een conflict met een van de aanwezigen: een schrijfster die zichzelf ‘de Weense Virginia Woolf waant’ durft hem een vraag te stellen die aan alle conventies voorbijgaat: ‘Denkt u dat wat u heel uw leven op het toneel hebt gedaan zin heeft?’

De vraag slaat in als een bom. Ze maakt de Burg-acteur totaal overstuur, en dan gebeurt het: er lijkt iets open te barsten, de acteur valt uit zijn rol. Hij drukt zijn afschuw uit over de schrijfster, een afschuw die rechtstreeks tegen Thomas Bernhard zelf lijkt gericht: ‘Ik haat mensen als deze persoon die er voortdurend op uit zijn alles en iedereen neer te sabelen!’ De maskers vallen, en in de plaats komt een oprechte (?) hunkering naar authenticiteit, naar de eerlijkheid van de natuur, door de Burg-acteur beknopt uitgestoten in drie merkwaardige woorden: ‘Bos, bomen, houthakken!’ Exit de Burg-acteur.

Het opmerkelijk is dat dit schijnbare moment van waarachtigheid zelfs de ik-verteller lijkt te toucheren, dat deze cynische, van mensenhaat doordrongen beschouwer geroerd lijkt door de plotse menselijkheid die door de façade heenpiept. Meer nog, de onvoorziene onderbreking van het sociale spel laat hem een kort moment anders kijken naar de Burg-acteur, en zelfs naar het leven. Wanneer hij na een gênant afscheid, waarbij hij zijn gastheren bedankt met de overdadige leugens die hij bij de andere gasten ook zo verafschuwt, de stad wil uitlopen – terug de isolatie in – trekt de stad hem de andere kant op, hij wordt de Innere Stadt ingezogen, bijna tegen zijn wil in. Zijn stad, zijn mensen. Ondanks alle haat en minachting is hij een van hen. Er schuilt een thuiskomen in.

Tenzij ook dat gevoel weer meesterlijk in scène is gezet, natuurlijk. Door Bernhard, door Van Trier en Van den Berg. De acteurs (die van Compagnie Marius en ‘t Barre Land) voegen alleszins geen knipoog toe. Maar misschien getuigt mijn teerhartige interpretatie van dit al te menselijke moment gewoon van mijn ‘verfoeilijke sentimentaliteit’ en was het breken van de Burg-acteur gewoon een ander toneelstukje – rol bovenop rol bovenop rol (zoals wanneer je een ui afpelt tot er niets overblijft). Zou het? Met Thomas Bernhard, met Compagnie Marius weet je maar nooit.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#168

15.05.2022

14.09.2022

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!