Leestijd 8 — 11 minuten

Serratia marcescens

Een kortverhaal van Dominique De Groen

Nathan sjokt de gemeenschappelijke badkamer in, geeuwt en schopt zijn Spice Girls-slippers in het groezelige hoekje onder de wasbak. Hij heeft het slijmerige douchegordijn al vaker achter zich dichtgetrokken dan hem lief is, kromt zijn voeten iedere dag iets krampachtiger dan de vorige om de vierkante millimeters huid die contact maken met de glibberige roze film op de antislipmat te beperken tot het absolute minimum. In de loop der maanden heeft Nathan een ongewenste maar daarom niet minder intieme band opgebouwd met de bacteriekolonie die zich voedt met de zeepresten van de armoedigste backpackers en de precairste inwoners van de stad.

Het hostel ligt in een zijsteeg van een zijstraat van een grauwe boulevard, een monotone opeenvolging van tankstations en fastfoodketens in de sjofele periferie van de stad. Van buitenaf lijkt het op een woonhuis, haveloos en uitgeleefd als alle andere in de steeg, maar binnen zijn alle ruimtes omgebouwd tot slaapzalen – een labyrint van stapelbedden, zonder gangen of kamernummers, waarin je door de ene zaal moet sluipen om bij de volgende te komen, en die daarna, en die daarna, met je blote voeten op het vale tapis-plain om zeker geen slapers wakker te maken, zodat iedere gast van dit etablissement vertrouwd is met de huiveringwekkende sensatie van kruimels, afgeknipte teennagels en krakende korrels vuil van onbepaalde aard onder de voetzolen. Een nooit aflatende stroom lichamen trekt door deze ruimtes, aangetrokken door de lage prijzen als motten door de vlam, en laat ze telkens weer iets schraler, iets troostelozer achter – een iets dikkere laag smeer op de metalen trappen van de bedden, het kluwen haren in de afvoer weer een beetje gegroeid, goed op weg om binnenkort een bewustzijn te ontwikkelen …

De meeste bezoekers blijven niet langer dan een nacht, als ze het zo lang uithouden. Bij het eerste gloren van de dageraad haasten ze zich naar de voordeur, lopen ze zonder achterom te kijken naar de bushalte en dromen ze de hele rit naar hun volgende bestemming van de warme douche die al het vuil van hun plakkerige lijf zal spoelen. Aan het andere uiterste – er is geen tussenin – zijn er de vaste bewoners, die weken, vaak zelfs maanden vastzitten in dit vagevuur.

Kort nadat Nathan zijn intrek nam in dit mistroostige tussengebied, toen hij in zijn naïeve onschuld nog in staat was geshockeerd te zijn door de hygiënische toestand van het pand, leidde Google hem naar threads op Mumsnet.com, waar een virtueel koor van anonieme moeders hem vertelde dat deze bacterie, liefhebber van badkuipen en voegen tussen douchetegels, bekendstond als Serratia marcescens, of S. marcescens.

‘That’s my name’, fluistert de oranjeroze laag slijm hem op deze druilerige ochtend toe, ‘don’t wear it out…’

‘Eek!’ Het enige voordeel van het onchristelijke uur waarop Nathan zijn bed uit moest voor een onderbetaalde poetsklus in de bougie wijk aan de andere kant van de stad: hij kan er met een gerust hart van uitgaan dat zijn beschamende gilletje niet is doorgedrongen tot het bewustzijn van zijn slaapzaalgenoten, nog diep ondergedompeld in dromen over, wel, om het even welke plek die niet hier is, gokt Nathan… Hij zit ineengedoken in een hoekje van de douche, zijn viscerale afkeer van de ranzige, met lange kronkelige haren gedecoreerde muurtegels plots vergeten. Door zijn vingers kijkt hij naar de vale, verduurde antislipmat, die hier en daar begint af te brokkelen, te verkruimelen, en in minuscule schilfers de lange afdaling door het portaal van het afvoerputje aanvat… Hij trekt zijn ogen wijd open. De mat… beweegt? Wanneer hij zich behoedzaam vooroverbuigt om het fenomeen van naderbij te bestuderen, zijn nieuwsgierigheid voorlopig groter dan zijn afkeer, ziet hij dat het niet de mat zelf is, maar de glibberige bacteriële film die pulseert, pruttelt, uitzet en samentrekt in een hysterisch ritme dat Nathan, als aspirerend danser, onmogelijk koud kan laten.

‘Niet slecht, S.’, mompelt hij met een afgemeten maar gemeend knikje, ‘niet slecht.’ Hij rilt, zijn natte huid plakt onaangenaam tegen de glibberige koude tegels, maar hij maakt geen aanstalten om recht te staan en zich af te drogen. Door zijn perfect gemanicuurde vingers, door zijn lange natte wimpers heeft hij een glimp opgevangen van de verborgen krachten, onderstromen, mechanismen die schuilgaan

achter S. marcescens’ vrolijke kleurenpalet, en wat hij heeft gezien laat hem niet meer los. Onder dit spectrum van pastelroze tot feloranje ontvouwen zich chemische reacties in een choreografie zo complex en betoverend als die van Nathans vroege held Busby Berkeley.

Voor altijd zal hij zich het moment herinneren waarop hij, in de duisterste dieptes van zijn lamlendige middelbare schooljaren, op YouTube per toeval op het clipje ‘By A Waterfall’ uit de musicalfilm Footlight Parade stuitte. Hij moet er honderden, nee, duizenden keren naar gekeken hebben, in zijn slaapkamer en in de toiletten op school tijdens eenzame lunchpauzes, een clandestiene talisman tegen zijn kwelgeesten, hun wrede iele stemmetjes en hun steeds subtielere vernederingen – een toegangspoort naar een geheime wereld waarvan alleen hij over de sleutel beschikte en waar zich een extravagant waterballet ontvouwde, lichamen die steeds uitvoeriger en sierlijker patronen vormden, steeds complexere geometrieën creëerden, zich arrangeerden in florale tableaus, watervallen, slagroomtaarten… Lichamen gedemonteerd tot hun meest elementaire componenten – beweging, vorm, interactie – en vervolgens gehercombineerd tot een nieuwe, haast mystieke eenheid… En als een lichaam zulke dingen kon doen, zoveel extatische schoonheid kon creëren, kon hij dan niet leren houden van dít lichaam – dit weke, mollige lichaam, dat hij nooit eerder als iets anders dan een obstakel had gezien, iets waartoe hij was veroordeeld maar dat niet echt van hém was, als een beschamend afdankertje waarin hij bij gebrek aan andere kleren dag na dag de wereld moest trotseren?

Met zweet en tranen heeft hij het sterk en lenig gemaakt, dit lichaam dat nu in de hoek van de douche hurkt, ieder spiertje gespannen. De antislipmat is verdwenen, onzichtbaar onder vloeibare kaleidoscopische patronen in alle tinten roze en oranje. Nathan fluit.

“Holy shit, S. Waar heb jij zo leren dansen?”

Hoewel de vormen aanvankelijk abstract lijken te zijn, meent Nathan na enkele minuten (uren? Dagen? Who’s counting?) een structuur te kunnen ontwaren – misschien zelfs een narratief, al wil hij nu ook weer niet voorbarig zijn…

De jonge Nathan, dromerig, slordig en nalatig, was een chronisch middelmatige student, maar tot ieders verbazing bleek hij plots te beschikken over een onverhoopt talent voor scheikunde. In de reacties van koolwaterstoffen had hij een abstract maar onmiskenbaar equivalent bespeurd van Busby Berkeleys klassieke choreografieën op het moleculaire niveau. Lineaire alkanen transformeerden voor zijn geestesoog tot gedisciplineerde rijen dansende meisjes, hun outfits fonkelend in de schaduw van de destillatietorens en raffinaderijen die dag en nacht hun gassen uitbraakten boven het stadje waarin hij was opgegroeid – glinsterend in de krochten van de grotesk kronkelende buizen en pijpleidingen, euforisch swingend in de onheilspellende petrochemische waakvlammen die de horizon domineerden… Plots droegen de dreigende torens een stralende, haast magische belofte in hun geheimzinnige metalen ingewanden. Cycloalkanen voerden duizelingwekkende rondedansen uit, aromatische koolwaterstoffen met hun benzeenringen vormden minutieuze choreografieën van cirkels en lijnen. Achter het grijze oppervlak van het zichtbare openbaarde zich aan de jonge Nathan een getransformeerde wereld, en telkens wanneer hij danste, voelde hij diep vanbinnen de atomen trillen, dartelen, buitelen…

Nu, voorovergebogen over de antislipmat, voelt hij de atomendans niet, hij zíét hem. Een ongewone, asymmetrische maar toch harmonieuze structuur: drie rondtollende vijfringen, twee rechtstreeks aan elkaar gelinkt, de derde aan hen verbonden met een uit wervelende atomen opgetrokken metheenbrug… En deze multicomponentreactie vormt – Nathan zit inmiddels voorovergebogen boven de antislipmat, zijn oogbal net niet vastgelijmd aan de laag-bij-de-grondse maar daarom niet minder virtuoze choreografie – een decor zo fabelachtig, zo schitterend, zo vervuld van stralende levensvreugde dat hij zonder enige pijn in het hart, en zelfs met oprecht plezier, kan toegeven dat het zijn grootste voorbeelden moeiteloos overklast: de feeërieke trappen

in ‘Shadow Waltz’ in Gold Diggers of 1933, de Yellow Brick Road in The Wizard of Oz, de buitenaardse architectuur in Britney Spears’ ‘Oops!… I Did It Again’, de jungletempel in Destiny’s Childs ‘Survivor’, het felroze zwembad in Nicki Minaj’ ‘Superbass’, de suikerspinnen wolken en zuurstokbomen in Katy Perry’s ‘California Gurls’… Een stad van schitterende piramidevormige kristallen, sommige fel magenta, andere donkerrood met een diepgroene glans.

Intuïtief begrijpt Nathan dat het deze dans is, deze chemische reactie, die goede oude S. marcescens zijn kleur geeft – en hoe perfect, denkt hij, plots geëmotioneerd, aangezien dans ook is wat zíjn leven kleur geeft… Een enkele traan rolt langs zijn wang naar beneden en landt middenin de rode kristallen stad. Tussen de minuscule dansers groeit een magenta golf, een snel aanzwellende vortex die nu zijn voeten raakt, aan zijn kuiten trekt, speels rond zijn dijen schuimt.

In de zak van Nathans oversized grijze pyjamabroek, achteloos over de rand van de douchecabine gedrapeerd, rinkelt het deuntje van Clean’r, de Uber-achtige poetsapp waarmee hij tot zijn danscarrière van de grond komt zijn stapelbed en Cheerios betaalt – het riedeltje, vermoedt hij, bewust irritant en onaangenaam om de precaire schoonmaaklieden bij iedere melding nog eens extra op hun plaats te zetten.

Nu bereikt het geluid hem echter nauwelijks. Het lijkt van ver te komen – een andere wereld, een andere kosmos, melkwegstelsels van hem verwijderd en onzichtbaar achter de dichte oranjeroze sluiers die rond hem wolken als interplanetaire nevels, terwijl hij danst tussen de kristallen geometrieën, de fantastische structuren van kolkende atomen…

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#171

15.03.2023

31.05.2023

Dominique De Groen

Dominique De Groen is dichter, schrijver en beeldend kunstenaar. Haar werk werd gepubliceerd in Deus Ex Machina, Kluger Hans, Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift en op Samplekanon en hard//hoofd. Bij het balanseer verscheen haar debuutbundel Shop Girl (2017), Sticky Drama (2019), offerlam (2020) en Slangen (2022). Ze post poëzie en beeldend werk op www.vulpix91.be.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!