Eric De Kuyper

Leestijd 5 — 8 minuten

Sergej Diaghilev, een leven voor de kunst

Het staat bol van feiten en feitjes. Dat is het enige positieve dat je over het boek van Sjeng Scheijen kunt zeggen. Alle intriges rond het Russische hof alsook die uit de wereld van de Ballets Russes worden vlijtig uit de doeken gedaan. Voldoende is dat niet voor een biografie. Het feitenmateriaal wordt niet verwerkt tot een tableau van de Belle Epoque noch, daarna, van de naoorlogse jaren. Het groeit nooit uit tot een evocatie van een sfeer, het oproepen van een tijdgeest.

Erger nog is dat de figuur van Diaghilev zelf – hoewel vrij royaal uit zijn eigen ‘geschriften’ wordt geciteerd – nooit uit de verf komt. Natuurlijk is het een uitermate moeilijk te vatten figuur. Wat Matisse over hem zei, ‘(…) hij is even charmant als gekmakend – een echte slang, hij glipt door je vingers – en als het erop aankomt is er niets behalve hijzelf en zijn zaken dat voor hem telt’, wordt door alle incidentele of trouwe medewerkers in min of meer dezelfde bewoordingen gezegd. Reden te meer om, wanneer je je zet aan een biografie van deze hoogst eigenzinnige figuur, te proberen erachter te komen hoe hij als mens en creatief talent functioneerde. Scheijen behoort echter tot het type biografen dat het ‘hineininterprätieren’ weigert. ‘Geen psychologie alstublieft!’ In dit geval is dat, helaas, een houding die nergens toe leidt. Je had op zijn minst een zekere vorm van empathie verwacht. Het soort empathie dat bij goede biografen aanwezig is en dat bij de lezer een gevoel aan spijt oproept wanneer hij aan de laatste hoofdstukken begint: ‘Hoe jammer toch! Dat dit bijzondere wezen dat ik gedurende honderden pagina’s heb leren kennen, binnenkort moet sterven.’ Onverbiddelijk is het zover: bij de laatste paragrafen van het laatste hoofdstuk!

Onvatbare Diaghilev? De man achter Le Sacre du printemps, de inspirator van zovele danswerken die geschiedenis hebben geschreven, de man ook die Stravinsky ‘ontdekte’, naast zovele andere componisten, choreografen en decorontwerpers. Ik doe maar een poging. De sleutel is misschien te vinden in de ondertussen klassiek geworden uitroep van Diaghilev toen hij een opdracht gaf aan Jean Cocteau en daarbij zijn verwachting samenvatte als: ‘Etonnez-moi!’

Diaghilev was geen mecenas (hij was erdoor omringd) en ook geen producer, maar hij had die bijzondere gave en gedrevenheid om talent te ontdekken. Een nog onontgonnen talent fascineerde hem, prikkelde hem, en zette zijn eigen scheppingsdrang in gang. Daarbij ontstond zoiets als het botsen van talenten. Het ene talent deed het andere ontstaan. Een fantastisch mechanisme natuurlijk voor kunsten die afhankelijk zijn van samenwerking: de opvoeringkunsten. In meer hedendaagse bewoordingen denk je dan aan zoiets als onze ‘talentenjagers’. De statuur van Diaghilev is echter van een totaal andere omvang: het ontdekte talent wierp hij niet zomaar op de kunstmarkt (zoals onze talentenjagers), neen integendeel, hij koesterde het en vormde het om, kneedde en boetseerde het zodat het uiteindelijk paste in zijn gezelschap, zijn ‘huis’: de Ballets Russes. Zo ontdekte of gaf hij opdrachten aan nieuwkomers als (ik beperk me telkens tot drie namen), voor de choreografie: Nijinksy, Massine, Balanchine; voor de muziekcompositie: Stravinsky, Prokofiev, Ravel; voor het decorontwerp: Picasso, Benois, Bakst.

De reden waarom deze biograaf geen vat krijgt op de figuur van Diaghilev – afgezien van het feit dat Diaghilev, zoals gezegd, een uitermate complex mens was – heeft te maken met een zeer wezenlijke tekortkoming. Scheijen blijkt hoegenaamd niet in staat aan te voelen wat een scheppingsproces teweegbrengt en betekent. Uiteraard kennen we het clichébeeld van de hysterische, romantische, hypergevoelige, gedreven kunstenaar. Creatieve gedrevenheid heeft echter vele gezichten en maskers: naast de hysterische schepper heb je de koele, afstandelijke, desperate,… creatieve persoon. (Ikzelf behoor eerder tot de ‘nonchalante’ soort; een soort die niet minder gedreven is!) De gedrevenheid in het theatermilieu is bovendien complex, niet alleen omdat het om teamwerk gaat met de opvoering als eindproduct, maar ook omdat de grenzen tussen ‘werk’ en ‘alledaags leven’ bijzonder poreus zijn. Waar begint het ene, waar eindigt het andere? Wat is er in die kunst privé, en wat publiek? Dit alles wordt erg mooi gevat in een dialoog uit de film The Red Shoes van Michael Powell uit 1948, tussen de acteur die Diaghilev speelt en een actrice die de rol van een jonge danseres op zich neemt. Hij: ‘Why do you want to dance?’ Zij: ‘Why do you want to live!’

De biografie dient ook verder doorgedreven te worden in een register dat meestal wordt verzwegen: wat is de rol van de verliefdheid in de creativiteit? En omgekeerd: hoe zit het met de creativiteit opgewekt door verliefdheid? Zo blijven de half privé-, half professionele liefdesaffaires van Diaghilev met onder meer Nijinksy en Serge Lifar op een onbevredigende manier behandeld.

Geregeld ook krijg ik de indruk dat de schrijver niet goed beseft wie of wat de randfiguren waren die Diaghilevs levenspad kruisten. Zo bijvoorbeeld Graf Harry Kessler, die ‘vanaf 1911 een vaste verschijning werd in Diaghilevs kringen’. Het volstaat niet deze hoogst fascinerende persoon kort te situeren. Hij wordt omschreven als ‘een jonge Duitse diplomaat’ (jong? Kessler is in 1911 43 jaar en in de jaren twintig dus een vijftiger) en een kosmopolitische kunstliefhebber die zeer goed op de hoogte was van de nieuwste trends in de beeldende kunst, dans, literatuur en muziek. Hij was hecht bevriend met Hugo von Hoffmansthal en kende Richard Strauss goed. Hij was kind aan huis bij de beeldhouwers Maillol en Rodin, net als bij Edward Munch, die een spectaculair portret ten voeten uit van hem schilderde. Hij bezat een grote kunstverzameling en cultiveerde een zeer progressieve smaak: nog voor 1900 bezat hij werken van Van Gogh, Cézanne, Signac en Seurat. Hij had een passie voor moderne dans. Hij had Isadora Duncan zien dansen, maar was vooral in de ban geraakt van een andere Amerikaanse danseres, Ruth St. Denis. Dit geldt misschien als een bruikbare introductie voor Wikipedia, maar het is onvoldoende om de sfeer te scheppen waarbinnen de Ballets Russes konden functioneren, namelijk niet enkel door de kracht van spilfiguur Diaghilev, maar ook door alle professionele en niet-professionele gedrevenen errond.

Tot tweemaal toe wordt ook Tajrov even vermeld. Wie weet wat deze Sovjetregisseur heeft betekend voor het theater in deze jaren (en voor de geschiedenis van de twintigste-eeuwse regie), kan zich erover verbazen dat Scheijen zich, in een passage waarin Diaghilev een voorstelling van het Tajrov-gezelschap in Parijs heeft bijgewoond, beperkt tot de nietszeggende opmerking dat het de baas van de Ballets Russes ‘aan het denken zette’.

Nog teleurstellender – opnieuw een voorbeeld uit de theatersfeer – worden de paar ontmoetingen afgedaan die Diaghilev had met Meyerhold (toch de grote theaterman van dat moment!): even zuinig. Meyerhold meets Diaghilev! Diaghilev meets Meyerhold! Zet dat niet aan tot fantaseren? Onze biograaf blijft er koel bij… Beseft hij wel wie Meyerhold was?

Het grootste bezwaar tegen deze biografie heb ik tot het laatst bewaard. Nergens wordt een poging gedaan om de talloze grote danscreaties die Diaghilev voor de Ballets Russes produceerde, te evoceren. Niet alleen wordt hun receptie karig omschreven (iets wat Scheijen nochtans ligt: het gaat immers om droge feiten die je uit kranten en tijdschriften kunt halen), ook wordt nergens geprobeerd om iets van het kenmerkende van een danswerk te schetsen. Dat dit op een eenvoudige en beknopte wijze kan, bewijst nochtans het recente werkje van Natalia Smirnova, dat een aantal balletten mooi plaatst, en hun eigenheid kenmerkt. Is het toeval dat er enkel een personenregister werd opgenomen in het boek van Scheijen en geen register van de ‘besproken’ werken? Dat maakt het boek voor verder gebruik dan oppervlakkige lectuur uiteraard onbruikbaar.

Dat het werk bovendien enkel wordt geïllustreerd met schetsen, tekeningen en portretten in (oorspronkelijk) zwart-wit, en niet ook met kleurrijke afbeeldingen van de mooie decor- en kostuumontwerpen van de creaties van de Russische Balletten, is te betreuren. Nu zijn deze ontwerpen wel degelijk elders in groten getale te vinden en sieren ze ook het kleine (maar te dure!) boekje van Smirnova.

Sjeng Scheijen, Sergej Diaghilev, een leven voor de kunst, Bert Bakker, Amsterdam, 2009. Natalia Smirnova, La Compagnie des Ballets Russes, cnrs, Parijs, 2009.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

boeken
Leestijd 5 — 8 minuten

#119

01.12.2009

30.06.2008

Eric De Kuyper