‘De koning sterft’ (NTG) – foto Luc Monsaert

Leestijd 5 — 8 minuten

SEIZOEN 1984-1985

De opdracht: evalueer het voorbije seizoen op max. 1 kopijpagina. Het resultaat: Pol Arias, Jef De Roeck, Klaas Tindemans, Johan Thielemans, Luk Van den Dries, Marianne Van Kerkhoven, schrapen hun mooiste herinneringen bij elkaar.

Pol Arias

Voorkeurlijstje (naar Duits model/ Theater Heute) van geziene produkties in 84-85.

Beste Nederlandstalig stuk: Wolfson, de talenstudent (Gerardjan Rijnders/Globe)

Beste buitenlands stuk: Hollywood, Hollywood (Christopher Hampton/Thêatre National de Belgique)

Mahabharata (Jean-Claude Carrière)

Beste regie:

Jan Fabre (De macht der theaterlijke dwaasheden/ eigen produktie) Franz Marijnen (De koning sterft/ NTG)

Peter Brook (Mahabharata/Festival Avignon)

Georg Tabori (M/Münchner Kammer-spiele)

Beste decor en kostumes:

Karl Ernst Herrmann (Don Giovanni/ Nationale Opera)

Santiago del Coral en Mechtild

Schwienhorst (De koning sterft/NTG)

Beste actrice: Tania Van der Sanden

(Het Park/De Mannen van den Dam)

Beste acteur: Herman Gilis (Een poppenhuis/Arca)

Slechtste produktie:

Romeo en Julia (Valéry Panov/Koninklijk Ballet van Vlaanderen)

Het optreden van de Raad van Advies.

Jef De Roeck

Als theater een feest moet zijn, was de voorstelling van De macht der theaterlijke dwaasheden van Jan Fabre in de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel voor mij het theaterfeest bij uitstek van het afgelopen seizoen. Het gebeuren op het plateau stond daar zo haaks op het kader van eerbiedwaardigheid en traditie, dat deze kunsttempel is, dat de ontmaskering van de dwaasheden er werd tot een viering van theaterlijke macht.

Johan Thielemans

Het afgelopen seizoen is vrij ontgoochelend gebleken: de KNS is verder weggezakt in het onbenullige, de KVS heeft zelfs boulevardkomedies verknald. Het NTG had een zeer ambitieus programma aangekondigd waarbij allerlei buitenlandse regisseurs werden ingezet, maar dat is achteraf, helaas, niet lonend gebleken: alleen de regie van Franz Marijnen in Ionesco’s De koning sterft stimuleerde de troep tot betere prestaties. Misschien was de afwezigheid van een duidelijke lijn bij de keuze reeds een veeg teken aan de wand dat het hier toch niet om een artistiek sterk project ging. Het seizoen laat het NTG dus wat radeloos achter.

Twee voorstellingen hebben op mij een grote indruk gemaakt: Het Park van Botho Strauss, omdat het nog weken later in de geest bleef rondspoken. Deze kwaliteit had het zowel aan de tekst als aan de regie van Sam Bogaerts te danken. Een andere memorabele avond was te beleven bij Arca-Gent, waar Pol Dehert een verrassende Ibsen deed. Zijn Nora, een Poppenhuis zou, wegens de eigenzinnige lezing en de sterke prestaties van acteurs als Carmen Jonckheere, Jappe Claes en Herman Gilis, in het buitenland tot gepassioneerde discussies aanleiding geven. Bij ons echter vindt het publiek de weg naar de Arca-schouwburg niet, en bij de kwaliteit van zulk een spektakel maakt me dat erg triest.

Eindelijk arriveerde Jan Fabres Theaterlijke Dwaasheden in Vlaanderen, en ik kwam sterk onder de indruk van de consequente uitwerking en de ritualistische kracht, die de morele bezwaren het zwijgen oplegden: dit was de meest theatrale vertoning van het seizoen.

Uit dit seizoen onthoud ik ook enkele uitzonderlijke acteursprestaties: José van Dam als Don Giovanni en Malcolm King als Leporello, Dale Duesing als Beckmesser in de Meistersinger, Michel Picolli in Chéreaus Marivaux en Michel Raskine in Une Station Service in Tourcoing. De kunst van het spelen heeft men duidelijk nog niet verleerd.

Klaas Tindemans

Een binnenlands lijstje: Kwartet (Muller – De Witte Kraai – Sam Bogaerts), Elena’s Aria (Rosas – Anne Teresa De Keersmaeker), Lucio Silla (Mozart – Nationale Opera – Patrice Chéreau), In het kasteel (Shakespeare -HTP – Jan Decorte). Een buitenlands lijstje: The Philanderer (Shaw – Maatschappij Discordia), Nu (Wohmann -Onafhankelijk Toneel), Wolfson, de talenstudent (Globe – Gerardjan Rijnders), La fausse suivante (Marivaux -Théâtre des Amandiers – Patrice Chéreau), le Mahabharata (Centre International de Création Théâtrale -Peter Brook/Jean-Claude Carrière).

Wat uitleg: heel weinig, enkel bevestigingen bij relatief gereputeerde of zelfs ‘oeroude’ theatermakers. Chéreau was voor mij persoonlijk een ontdekking, Brook was meer een belevenis dan een mijlpaal in de theatervernieuwing, en ook de Discordia/O.T./ Globe-connectie diende zich afgelopen seizoen in eerste instantie aan als een betrouwbare zekerheid, waarin enkel Rijnders’ Wolfson een reëel zichtbare ommekeer betekende, weg van de narratieve duidelijkheid. Het criterium is, in deze periode van wereldwijde laagconjunctuur, een constante kwaliteit met een minimum aan provocatie en uitdaging. Als theatermakers daarbij hun eigen esthetische veiligheid laten varen voor een even indrukwekkende, even persoonlijke nieuwe beeldentaal, kan ik spreken over een hoogtepunt. In die zin was Elena’s Aria verreweg de belangrijkste produktie van het afgelopen seizoen. Anne Teresa De Keersmaeker liet de abstract-onaanraakbare schema’s uit haar vorige produkties los om een voorstelling te tonen die pijnlijk kwetsbaar morele en esthetische twijfels blootlegde, die gevaarlijke clichés uit de neo-expressionistische school (Bausch) en uit het dramaturgisch dilettantisme (Décorte) tegemoet trad maar door een gedurfde maar finaal ijzersterke structuur de doorzichtigheid daarvan ontweek. De enigen die even ongenuanceerd voor dit soort radicaliteit blijven kiezen zijn Jan Decorte – na het vooral programmatisch interessante Kleur is alles bleek In het kasteel, naar Hamlet, een prachtstaaltje van dramaturgisch minimalisme en van regie-vakkundigheid – en het Epigonentheater, dat hier weinig deed met Incident (op een impressionante openingsscène na) maar elders, in het buitenland, blijkbaar veel brokken maakt, met een herwerkte versie van deze produktie.

Maar nieuwe gezichten zag ik niet, en de meest bekende namen zijn ofwel gewoon degelijk bezig (zie het lijstje) ofwel af te schrijven. Uit de grote instituten, nog steeds geen nieuws, te verwaarlozen.

Luk Van den Dries

Het overgrote deel van het Vlaams decreettheater heb ik niet gezien. De voorspelbaarheid ervan kon mijn nieuwsgierigheid niet prikkelen. Slechts een tiental gezelschappen heb ik min of meer trouw gevolgd. Daarnaast wat buitenlands theater gezien en op avontuur gegaan bij allerhande kleinere produkties.

Wat blijft er van dit seizoen hangen? Erg weinig uiteindelijk, een paar momenten en fragmenten: een intelligente tekst, een mooie belichting, een ingenieus speldispositief. Maar met al die onderdelen maak je natuurlijk nog geen goeie assemblage, laat staan dat er een toneelbeweging of een stijl uit te monteren valt.

Slechts af en toe zijn produkties als geheel interessant, krijgt de samenwerking van deelfactoren een meerwaarde. Dat is dan voornamelijk het geval bij de ensceneringen van Sam Bogaerts en het duo Gilis-Dehert. Bogaerts bevestigde met twee zeer verschillende produkties zijn enorm theaterinstinct: Kwartet van Muller en Het Park van Botho Strauss. Gilis-Dehert bewezen ook zonder mekaar te kunnen. Gilis met Door de liefde verrast van Marivaux, Dehert met Müller en Ibsen.

Opvallend dit seizoen was de inbreng van enkele scenografen: Niek Kortekaas (Schrebers Moestuin, Brialmont), Marc Cnops (Door de liefde verrast, NTG); Les Mystères de l’Amour, Arca) en Johan Daenen (Julius Caesar, ‘t Stuc) lossen de al lang op routine gevallen Ivaneanu af. Ten slotte nog enkele prijzen: Jef Demedts die zichzelf overtrof in De koning sterft (NTG); Arlette Weygers (Kwartet, De Witte Kraai), Tania Van Der Sanden (Het Park, De Mannen van den Dam) en Els Olaerts (Les Mystères de l’Amour, Arca) als grootste verrassingen; het Brialmonttheater voor het consequente dramaturgisch onderzoek. Het meest gelachen heb ik met La Cité Radieuse van François Sikivie, het meest gelachen en geweend met Adio van het Werkteater.

Marianne Van Kerkhoven

Geen briljant theaterjaar, dat seizoen 84-85? Ik heb niet zo’n behoefte aan het uitdelen van prijzen. Wat betekenen superlatieven in een tijd: waarin -meestal – absolute dieptepunten verijdeld worden door handigheid en maakwerk; waarin – meestal – absolute hoogtepunten verhinderd worden door gebrek aan eigenzinnige visie of aan controle op de gebruikte artistieke middelen. Toch blijft men beide in superlatieven beschrijven. Wat écht goed is en integer moet daarom op een andere wijze benoemd worden dan in een of andere overtreffende trap. Meesterwerken lijken vandaag zo onbelangrijk. Mijlpalen liggen vaak tussen twee produkties van een auteur (regisseur, choreograaf), in plaats van in een werk.

Wat blijft er na maanden over van de indrukken die je tijdens een voorstelling opdoet? De belangrijkheid van sommige produkties is vanaf het eerste moment evident; andere overwinnen je pas na lange maanden. Wat ook hun uitwerking is, hoe die ook verloopt: sommige voorstellingen zijn je om een of andere vreemde reden erg lief. Sprokkelend door een bos van indrukken, kom je altijd weer bij hen terecht. Ze tellen.

De Wolfson van Gérardjan Rijnders, bij voorbeeld, of Elena’s Aria van Anne Teresa De Keersmaeker. Geen vrolijke voorstellingen, maar produkties die door een creatieve verwerking van wat men misschien niet-hoop zou kunnen noemen, opnieuw kracht geven.

‘Ondanks die onherroepelijke zekerheid dat het menselijke leven nooit had mogen ontstaan’ (Wolfson). ‘Quelle chose terrible et effrayante que l’absence’ (Elena).

Decorte (om zijn diepgang en intelligentie) en Fabre (om de kracht van zijn beeld- en tijdsgebruik), Rijnders en De Keersmaeker: hun werk blijft boeien. Hun produkties rijgen zich aan mekaar tot een œuvre. Een discours over deze tijd.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!