(A)

Evelyne Coussens

Leestijd 7 — 10 minuten

Schijngevecht met de schouwburg

Een kritiek op Infini 1-15 van scenograaf Jozef Wouters in de KVS-Bol

Voor Kunstenfestivaldesarts 2016 nodigde scenograaf Jozef Wouters een gevarieerde schare kunstenaars uit om het traditionele, monumentale decordoek te herdenken. Het doel leek om de gesloten architectuur van de schouwburg en het dwingende karakter van de scène open te breken. De uitdaging van Infini 1-15 blijkt evenwel interessanter dan het resultaat.

Voor scenograaf Jozef Wouters is scenografie de invulling van een verlangen, een ruimtelijk antwoord op een vraag die zich in een institutionele, sociale, ideologische context voordoet. De opeenvolging van onbepaalde lidwoorden – overigens mijn parafrase – zorgen ervoor dat deze definitie breed is, eigenlijk alleen maar potentie, wachtend op concrete invulling. Wie verlangt, wie stelt de vraag? Wat wordt verlangd? In welke context? Wouters streeft er naar eigen zeggen naar om deze vragen ‘leesbaar’ in te vullen: de ruimtes die hij ontwerpt (decors zou te beperkend zijn) moeten een helder en transparant antwoord bieden waarin tegelijk ook de vraag en de specificiteit van de context zichtbaar worden.

In voorgaande projecten werkte Wouters vaak buiten de theaterarchitectuur. In de Brusselse Modelwijk goot hij tijdens het stadsfestival Tok Toc Knock van KVS (2012) de verlangens van de appartementsbewoners in meer dan 40 maquettes, die hij in de ondergrondse parkeergarage van de sociale woonwijk tentoonstelde. Voor het Zoological Institute for Recently Extinct Species ging hij in op de (fictieve) vraag van het Natuurhistorisch Museum Brussel om het onafgewerkte gebouw te vervolledigen met een extra vleugel, waarin een ‘collectie’ vol ecologische issues werd tentoongesteld.

Soms balanceerde hij op de rand van binnen en buiten, zoals met het voetbalstadion dat werd aangelegd op het centrale grasplein van kunstencentrum deSingel (Stadium/Stadion, 2011). Recent nog trok hij met tg STAN helemaal de zaal in: voor de monoloog Alleen, waarin actrice Sara De Roo een interculturele dialoog aangaat met auteur Fikry El Azzouzi, ontwierp hij een landschap (je kunt het alweer geen decor noemen) dat zowel De Roo als het publiek in één beweging omarmt.

Voor een scenograaf die ‘luistert’ naar een locatie en naar de vraag die uitgaat van de plek en haar gebruikers, moet de klassieke schouwburgzaal à l’italienne een behoorlijke uitdaging zijn. Op weinig plekken zijn de verwachtingen van een specifieke gemeenschap op een bepaald historisch moment zo gebetonneerd als in de architectuur en de machinerie van de schouwburg. De ‘leesbaarheid’ van lijst en trekkensysteem is maximaal: ze streeft ernaar de blik van een burgerlijk publiek dwingend en collectief te richten naar één punt, waar vervolgens de verhalen worden verteld over wat deugdelijk en ondeugdelijk is in een ideale samenleving.

Of zoals Klaas Tindemans het uitdrukt, naar wat “een representatief beeld (is) van maatschappelijke verhoudingen en (…) een zekere (burgerlijke?) consensus (…)”. Het maakt van die historische zaal bezwaarlijk een plek van democratisch gesprek. Meer dan één gezichtspunt is niet mogelijk, ‘andersoortige’ verhalen liggen moeilijk.

Maar zoals gezegd: de oude vraag betrof een bepaalde gemeenschap in een bepaalde periode. Wat moeten we vandaag met deze stenen traditie, in een tijd waarin de maatschappelijke verhoudingen grondig verkleurd zijn, en de consensus over die ideale gemeenschap ver zoek? Het was de uitgangsvraag voor Infini 1-15, een groots locatieproject van het Decoratelier (Wouters & kompanen) in de Bol van de Brusselse KVS. Dit traditionele lijsttheater ging in 2006 na een grondige verbouwing weer open, voorzien van het allermodernste trekkensysteem. Maar in welke context bevindt de zaal zich vandaag? Welke verlangens worden erop geprojecteerd? Of, strikt scenografisch vertaald: welke infini’s – geschilderde decordoeken die in de schouwburg een ruimte verbeelden – heeft de Bol vandaag nodig?

Van burcht tot plein

Eigenlijk is het opvallend – en tekenend voor zijn generatie, die in netwerken denkt en werkt – dat Jozef Wouters de vraag meteen doorspeelde, of beter: breed deelde. Voor Infini 1-15 treedt hij op als scenograaf van het overkoepelende project, maar zijn naam verschijnt tijdens de voorstelling zelf niet in de lijst van makers – hij lijkt aanvankelijk zelf geen concreet voorstel gedaan te hebben.

Wel stelde hij aan veertien correspondenten, overwegend van de eigen generatie maar van diverse afkomst, de vraag welk landschap ze vandaag in de schouwburgzaal wilden tonen. De groep schrijvers, theatermakers, choreografen en architecten diende hem in brieven, tekeningen, gesprekken en concepten van antwoord. Wouters ging met zijn Decoratelier aan de slag om die verlangens om te zetten in ruimtes.

Sommige infini’s resulteerden, wars van de traditionele betekenis, in tekst of zuiver auditief materiaal. Architect Wim Cuyvers liet het publiek in stilte een tekst lezen die vooraan op de scène werd afgerold; schrijver Chris Keulemans stuurde hoofdtelefoons de zaal in, waarmee de toeschouwers gesprekken met nieuwkomers konden beluisteren. Andere infini’s entten zich wel op de traditionele betekenis van ‘decordoek’, zoals het beeld van de Antwerpse haven dat schrijver Sis Matthé gebruikte, of een schijnbaar eindeloze zuilengang, een trompe-l’oeil van toneelschrijfster Remah Jabr.

Alleen theatermaker Thomas Bellinck ging, wat decor betreft, voor the full monty: een gedetailleerde reconstructie van de controlekamer van het Europese grensbewakingsagentschap Frontex. Een eerste gulp infini’s werd gepresenteerd in 2015; de volledige reeks van 15 scenografieën (Wouters voegde er à la limite zelf toch nog eentje toe) ging in première op het Kunstenfestivaldesarts 2016.  

De uitkomst van de reeks is sowieso interessant, omdat de infini’s zich laten lezen als een voorstel op basis waarvan een jonge generatie – op twee uitzonderingen na geboren tussen 1980 en 1990 – de invulling van de schouwburgzaal herdenkt. Bij nogal wat correspondenten bleek het verlangen groot om de actualiteit zichtbaar of hoorbaar te maken. ‘Het’ politieke, de bredere kwesties die een gemeenschap aangaan, waren altijd al aan de orde in de schouwburgzaal, zij het zonder anekdotisch tijds- en ruimtekader. Maar de infini’s van choreograaf Arkadi Zaides (#1), van Thomas Bellinck (#7), van kunstenares Anna Rispoli (#9) en Chris Keulemans (#2) haken allemaal, hoe verschillend ook in vorm, expliciet aan bij een concreet, actueel probleem: de huidige migratieproblematiek. Remah Jabr (#5) brengt dan weer de Palestijnse kwestie voor het licht.

Een tweede reeks correspondenten koos er juist vrij radicaal voor om de schouwburgzaal te zien als een ruimte waar het persoonlijke, het conceptuele of het esthetische kan ontstaan. De verschijningsvormen van deze infini’s zijn minstens even uiteenlopend, maar Sis Matthé (#6), theatermaker Michiel Soete (#3), kunstenaar Jisun Kim (#11), acteur Benny Claessens (#15), Wim Cuyvers (#8), schrijver Rebekka de Wit (#13) en choreografen Begüm Erciyas (#10), Michiel Vandevelde (#4) en Rodrigo Sobarzo (#14) nemen de ruimte van de Bol allemaal als een plek van autonome verbeelding, eerder dan van verbeelde actualiteit.

Individueel beschouwd zijn niet alle infini’s even sterk. De kwaliteit zwiept als een sinusfunctie op en neer: vrijblijvende of pamflettistische schetsen worden gevolgd door doordachte en gelaagde voorstellen, maar in wezen doet de evaluatie van de afzonderlijke creaties er minder toe dan de betekenis van het geheel. Dat laat zich van op afstand lezen als één grote, verwoede poging om – Wouters’ termen gebruikend – van de schouw-‘burg’ een plein te maken, om iets open te gooien en bespreekbaar te maken binnen de dikke muren van de Bol. De gastheer geeft daar zelf de eerste aanzet toe, door de manier waarop hij zijn publiek in de zaal ontvangt en daarbij alle codes van de schouwburg op hun kop zet.

Wouters laat ons binnenkomen via de achterscène, we mogen plaatsnemen in de zaal waar we willen en we worden ertoe aangespoord om tussen de infini’s in even de benen te strekken, wat water te halen en een ander gezichtspunt uit te kiezen. Alleen is dat nu juist het punt: er is geen ander perspectief. De hele inrichting van de toeschouwersruimte zuigt de blik naar een centraal punt op de scène, of je nu links of rechts, op de parterre of het balkon zit.

De afmeting en de inrichting van de zaal nodigen bovendien niet uit tot een gesprek maar tot stille reflectie, en daar helpt het aanlaten van de zaallichten weinig aan. Voor de meerstemmige versnippering, voor de democratische twijfel, voor de postmoderne poging is zo’n schouwburgzaal gewoonweg niet ontworpen. Veel van de infini’s, hoewel technisch gezien gemaakt op maat van de Bol, zouden omwille van hun hang naar gesprek met het publiek dan ook beter een plaats krijgen in een zwarte doos, of op een andere, ‘flexibelere’ locatie, waar de theaterarchitectuur neutraler en dus minder dwingend het kijken bepaalt.

Verlangen naar een verhaal

De architectuur van de zaal blijkt een hardnekkige barrière in de poging om een andere manier van kijken te installeren. Maar er speelt nog een ander obstakel, dat niet bij het verlangen van de ‘opdrachtgevers’ (KVS, Wouters, de correspondenten) zit, maar bij dat van de gemeenschap, het publiek, de toeschouwer, dat van mij. Alle infini’s zijn het resultaat van de wil van een kunstenaar om de ruimte zo vorm te geven dat precies die inhoud ontstaat. De vraag of het wel ‘klopt’ dat al deze infini’s in de schouwburgzaal te zien zijn, is dus zinledig vanuit het standpunt van de makers. Maar wat verwacht ik, als particuliere toeschouwer, te zien op deze plek?

Het feit dat ik me die vraag stel, is vanuit theaterwetenschappelijk oogpunt boeiend genoeg om het project te valideren. Maar ik moet na de voorstelling op het KFDA toegeven dat ik als kijker onbevredigd achterblijf. Wouters en zijn correspondenten verwachten van mij een actieve en geëngageerde kijkhouding, terwijl ik merk dat ik in deze ruimte misschien eens niet deelgenoot gemaakt wil worden van een gesprek, een onderhandeling of een vorm van twijfel. Ik vind het juist heerlijk dat in de schouwburg de sprekers gescheiden zijn van de luisteraars. Waar ik naar verlang bij het achteroverleunen in deze comfortabele zeteltjes is een verhaal. Sterker nog: ik verlang ernaar om me te verliezen in een verhaal – daarom geen narratief met begin, midden en einde, maar wel een gebeuren dat groter is dan mezelf, dat me weghaalt uit mijn zelfbewuste ik. O cultuurhistorisch conservatisme, o vastgeroeste blik.

Helaas voor mij is Jozef Wouters niet geïnteresseerd in verhalen. Toch niet in verhalen die geschreven worden door één auteur. In Infini 1-15 voel je niet de hand van een leidende figuur, die eenheid in de verscheidenheid brengt. ‘In dit proces geven we de hele tijd vragen aan elkaar door’, vertelde Wouters aan dramaturg Jeroen Peeters, en dat procedé laat zich voelen. Wouters lijkt vooral initiatiefnemer en facilitator, maar zijn eigen artistieke stempel is moeilijk te traceren. Zo’n dienende rol is ongewoon voor een ‘regisseur’ in de grote zaal van een schouwburg, maar met het concept van de correspondenten en de dwingende verhouding tot de theatertechniek heeft de scenograaf het zichzelf dan ook niet makkelijk gemaakt.

Van een coherente inhoudelijke spanningsboog kan, gezien de uiteenlopende invulling van de vraag door de verschillende kunstenaars, nauwelijks sprake zijn. De dominante logica achter de volgorde van de infini’s is een technische: welk tableau kan verschijnen na een ander, welke changementen zijn haalbaar? Wouters is zich daarvan bewust en probeert van die beperking een artistieke keuze te maken, door onder meer zijn technici – de enige levende wezens op scène – in te zetten als performers. Maar inhoudelijk blijven de verschillende infini’s op zichzelf staande schetsen, die zelden in dialoog gaan met elkaar, en dus nooit tot een verhaal komen. In het Decoratelier van Wouters moet ruimte zijn voor twijfel, maar is dat in de schouwburgzaal ook zo? Moet de regisseur niet met vaste hand en scherpe blik vormgeven? Mag de vorm zelf eigenlijk wel twijfelen?

Als experiment, als oefening is Infini 1-15 meer dan geslaagd. En het is voor een stadstheater als de KVS een sterk en gedurfd statement om dit soort creaties in zijn Bol(werk) toe te laten. De grootste waarde van Infini 1-15 schuilt echter in het feit dat het bewijst dat de stenen en mentale codes die het gebruik van de schouwburgzaal bepalen zich nog niet zo makkelijk laten slechten. De uitdaging van Infini 1-15 bleek uiteindelijk spannender dan het resultaat. Maar laat dat geen reden zijn om geen nieuwe poging te doen.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#146

15.09.2016

14.12.2016

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!