Josse De Pauw

Leestijd 6 — 9 minuten

Van saters en eiknimfen

Brussel heeft Josse De Pauw als kunstenaar gevormd. Aan hem de eer om in dit ‘stadsnummer’ een tekst te kiezen en in te leiden.

Van wat ik net niet gezien heb en waar ik toch over wil vertellen. Van het koortsige geritsel in het struikgewas, het snelle wegwezen, het nazinderen. Van de lichtflits aan de nachtelijke hemel (te snel voor een vliegtuig en in ufo’s geloof ik niet). Saters en eiknimfen: over angst en hoop en de onzinnigheid als pleisterplek.

De zinnigheid is vanzelfsprekend regelgevend. Heeft een doel en bij het doel horen de geheiligde middelen. De dag heeft zin. Onzinnig is de nacht. Menselijke hoogmoed laat ons denken dat de nacht ons de slaap gunt. De nacht gunt ons niets. De nacht beangstigt ons, we kruipen ervoor weg, diep onder de dekens, alles op dubbel slot. Want in het donker valt geen gelijk te halen. Het is blind tasten, struikelen en stoten. Maar met grote aandacht: zinnelijk.

(Zinnig, onzinnig, zinnelijk: zie hoe het woord zich in bochten wringt)

Ik wandel graag en veel door Brussel: mijn bos.

Echte wandelaars met kniebroeken en rugzakken zullen wat ik doe, slenteren noemen. Het is mij al goed. Zolang ik maar geen doel moet hebben, de gedane kilometers niet moet bijhouden, de namen van belangrijke plaatsen mag vergeten.

Ik zet voet voor voet en soms even terug omdat er iets in het struikgewas bewoog. Het leven slentert in mijn ritme aan mij voorbij en in elke etalage maak ik er even deel van uit. Straks valt de nacht en alles wat niet kan of wil slapen slentert voort, ‘t Is al nieuwsgierigheid in het donker. De ruzies worden heftiger, het liefhebben ook. En er worden vragen gesteld. De antwoorden zijn voor morgen, in het daglicht, als er door anderen weer volop klaar gekeken wordt.

Josse De Pauw

De zondvloed

Ook de Griekse zondvloed was de bestraffing van een menselijk geslacht, dat de eerbied voor de goden verloren had. Het is bekend, dat de aarde daarna weer bevolkt werd door bepaalde stenen te werpen.

Gesprek tussen een satyr en een hamadryade

Hamadryade: Ik vraag me af wat de stervelingen van al dit water zeggen.

Satyr: Wat weten zij ervan? Zij aanvaarden het. Sommigen hopen misschien op een betere oogst.

Hamadryade: Op dit ogenblik begint het overstromen van de rivieren de planten te ontwortelen. De regen valt nu overal op water.

Satyr: Zij zitten opgesloten in de grotten en de hutten op de bergen. Zij luisteren naar de regen. Zij denken aan de mensen die in de valleien tegen het water vechten en zij koesteren ijdele hoop.

Hamadryade: Zolang de nacht duurt koesteren zij die hoop. Maar wanneer zij morgen, in het angstaanjagend licht, een zee van water zullen zien tot aan de hemel en de lager lijkende bergen, zullen zij hun grotten niet meer binnengaan. Zij zullen blijven kijken. Zij zullen een zak over hun hoofd gooien en blijven kijken.

Satyr: Je verwart hen met wilde beesten. Geen enkele sterveling is in staat te begrijpen dat hij dood gaat en de dood onder ogen te zien. Hij moet in de weer zijn, denken, spreken. Hij moet praten met hen die overblijven.

Hamadryade: Maar ditmaal blijft er niemand over. Wat moeten zij dan?

Satyr: Zover moet ik hen hebben. Wanneer zij weten dat zij allemaal ten dode zijn opgeschreven, allemaal, gaan ze feestvieren, dat zul je zien. Misschien komen zij ons wel halen.

Hamadryade: Ons, wat hebben wij ermee temaken?

Satyr: Wij hebben er zeker mee te maken. Wij betekenen het feest, wij betekenen leven voor hen. Zij zullen tot het laatste toe met ons het leven zoeken.

Hamadryade: Ik begrijp niet wat voor leven wij hun kunnen geven. Wij weten niet eens hoe je moet sterven. Al wat wij kunnen, is toezien. Toezien en weten. Maar jij zegt dat zij niet toezien en niet kunnen berusten. Wat kunnen ze ons anders vragen?

Satyr: Zoveel, geitje. Voor hen zijn wij net wilde beesten. Beesten worden geboren en sterven als bladeren. Zij zien ons in een flits tussen de takken verdwijnen en dan geloven ze ik weet niet wat voor goddelijks van ons – dat wij, wanneer wij vluchten om ons te verbergen, het leven zijn dat in het bos voortduurt – een leven als het hunne, maar eeuwig, rijker. Zij zullen om ons komen, zeg ik je. Het zal de laatste hoop zijn die hun blijft.

Hamadryade: Met al dat water? En wat zullen zij doen?

Satyr: Weet je niet wat hoop betekent? Zij zullen geloven, dat een bos waarin ook wij ons bevinden niet overstroomd kan raken. Zij zullen tot elkaar zeggen, dat niet alle, maar dan ook alle mensen kunnen verdwijnen, dat het anders geen zin zou hebben geboren te zijn en ons gekend te hebben. Zij zullen weten, dat de grote goden, de Olympiërs, hun dood willen, maar dat wij evenals zij, evenals de kleine beesten, tenslotte het leven zijn, de aarde, het ware dat telt. Hun seizoenen beperken zich tot feesten en wij zijn die feesten.

Hamadryade: Dat is gemakkelijk. Voor hen de hoop, voor ons het noodlot. Maar dat is dwaas.

Satyr: Niet zo erg. Iets zullen zij redden.

Hamadryade: Ja, maar wie heeft de grote goden getart? Wie heeft al die wanorde teweeggebracht, zodat zelfs de zon haar gezicht omfloerste? Het komt hun wel toe, lijkt me zo. Zij hebben het verdiend.

Satyr: Toe nou geitje, geloof je echt aan deze dingen? Denk je niet dat, als zij werkelijk het leven hadden geschonden, het leven voldoende zou zijn geweest om hen te straffen, zonder dat het nodig was dat Olympus tussenbeide moest komen met de zondvloed? Als iemand iets heeft geschonden, geloof me, zijn zij het niet.

Hamadryade: Toch moeten ze sterven. Hoe zullen ze er morgen aan toe zijn, wanneer ze weten wat er gebeurt?

Satyr: Hoor de bergstroom, kleintje. Morgen zullen ook wij onder water geraken. Je zult vreselijke dingen te zien krijgen, jij die zo graag rondkijkt. Het is maar goed dat wij niet kunnen sterven.

Hamadryade: Soms weet ik het niet. Ik vraag me af hoe het zou zijn om te sterven. Dat is het enige dat ons echt ontbreekt. We kennen alles, maar zoiets eenvoudigs kennen we niet. Ik zou het willen proberen en daarna wakker worden, natuurlijk.

Satyr: Moet je haar horen. Maar dat is nu juist sterven – niet meer weten dat je dood bent. En dat is de zondvloed: met zovelen tegelijk sterven dat er niemand meer overblijft om het te weten. Daarom zullen ze naar ons toe komen en vragen hen te redden en ze zullen net zo willen zijn als wij, als de planten, als de stenen – als de wezenloze dingen, die louter noodlot zijn. Daarin zullen ze hun redding vinden. Als het water wegtrekt, zullen de stenen en de stammen weer bovenkomen, net als vroeger. En de stervelingen vragen niet anders dan dit, net als vroeger.

Hamadryade: Vreemde wezens. Zij behandelen het noodlot en de toekomst als een verleden.

Satyr: Dat is nu juist die hoop. Het lot een naam geven die verweven is met herinnering.

Hamadryade: En geloof je dat ze echt stammen en stenen zullen worden?

Satyr: Zij kunnen goed verhaaltjes verzinnen, de stervelingen. Zij zullen voortaan leven naar gelang de fantasieën, hun ingegeven door de verschrikkingen van vannacht en morgen. Zij zullen wilde beesten zijn en rotsen en planten. Zij zullen goden zijn. Zij zullen de goden durven doden om hen herboren te zien worden. Zij zullen zich een verleden aanmeten om de dood te ontvluchten. Alleen deze twee dingen bestaan – hoop of noodlot.

Hamadryade: Als dat zo is, kan ik hen niet beklagen. Het moet mooi zijn om zo volgens eigen grillen aan jezelf vorm te geven.

Satyr: Dat is zeker mooi. Maar je moet niet denken dat zij zich ervan bewust zijn dat zij volgens eigen grillen handelen. Wanneer zij al door het noodlot gegrepen en verpletterd zijn, vinden zij blindelings de wonderlijkste redmiddelen. Zij hebben geen tijd om van hun grillen te genieten. Zij weten alleen dat zij zelf de tol moeten betalen. Dat wel.

Hamadryade: Als deze zondvloed er tenminste maar toe kan dienen om hun te leren wat spel en feest is. De grillen die ons onsterfelijken door het noodlot worden opgelegd en dat weten we – waarom leren zij niet om die te beleven als een ogenblik van eeuwigheid in hun ellende? Waarom begrijpen zij niet dat juist hun vergankelijkheid hun zo’n waarde verleent?

Satyr: Je kunt niet alles hebben, kleintje. Wij, die weten, kennen geen voorkeur. En zij, die onvoorziene, unieke ogenblikken beleven, kennen er de waarde niet van. Zij zouden onze eeuwigheid willen. Zo gaat het in de wereld.

Hamadryade: Morgen zullen ook zij iets weten. En de stenen en de stukken grond die eens weer te voorschijn zullen komen, zullen niet alleen van hoop of angst leven. Je zult zien dat de nieuwe wereld iets goddelijks zal hebben in zijn meest kwetsbare sterfelijke wezens.

Satyr: Moge dit gods wil zijn, geitje. Dat zou ik ook graag zien.

Uit: Cesare Pavese, Gesprekken met Leuco, Vertaling C. van Gruting-Veniet en E. Tavanti-van Gruting, Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 1987.

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

theatertekst
Leestijd 6 — 9 minuten

#56-57

15.08.1996

14.11.1996

Josse De Pauw