De Staat van de Toneelschrijver
Uitgesproken op uitnodiging en ter gelegenheid van Shakespeare is Dead Leuven, 9 juni 2026
Annet Bremen
Batastunt © Annlies Vanhove
Het Gentse satirecollectief Cirq is een buitenbeentje in het theaterveld, en hun tentakels reiken ver. Floris Baeke spreekt met bezieler Xavier Cloet over hun ontstaansgeschiedenis, en analyseert de inzet van hun experimentele volkskunst. Hoe kan het volkse in al zijn boertige glorie ook progressief en emanciperend zijn? Wat is de balans tussen kritisch plezier, toegankelijke satire en problematische spot?
Xavier Cloet (49) trekt een lade open en gooit een plastieken drol op tafel. De bruine specie landt plat op de tafel en blubbert nog even na voor ze tot stilstand komt. Plots zie ik mezelf daar zitten in de burelen van Cirq, op een afgedankte kantoorstoel, tussen lege colablikjes, kapotte laders, en een prikbord waarop kennelijk een brief van het kabinet van Vincent Van Peteghem (voormalig minister van Financiën, cd&v) hangt. Oog in oog met de glimmende stront schiet ik luid in de lach. Cloet wijst en kijkt me boven zijn snor strak aan: ‘Dat is boasis, dat is boasis’, in een onnavolgbare mengeling van Gents en West-Vlaams. Absurditeit is soms ook een hele serieuze zaak.
“Politieke of sociale vragen die de maatschappij in het dagelijks leven bezighouden, vertaalt Cirq naar satirische laboratoria — artistieke scenario’s waarin mensen altijd zowel toeschouwer, deelnemer als medeplichtige zijn.”
‘Upcycling volkscultuur since 1999’, zo luidt het devies van het Gentse collectief dat al meer dan twee decennia gespecialiseerd is in smeuïge acts waarmee je elk behoudsgezind of bekrompen individu serieus kunt ontwrichten. Naast straattheateracts op bestelling is vooral hun jaarlijkse Gentse Feestenfestival — de Bataclan-edities in de Willem de Beersteeg (naar ‘bataklan’, vernederlandst Frans voor ‘slordig gedoe’, ‘santenboetiek’) — hun bekendste laboratorium. Daar schuren de fratsen van Cirq tegen de grenzen van de goede smaak en de politieke correctheid. ‘Dwoaze dingen’, zoals Cloet het tijdens ons gesprek noemt. ‘Zottighied’, ‘bullshit’, ‘hekkigheid’, ‘uonnozelheid’, ‘alles die hewuun vree hoed es’.
Weinigen hebben al zoveel mediaheisa op hun kerfstok, weinigen trekken jaar na jaar zo’n breed publiek naar hun acts, die lezen als het strafblad van een artistieke draaideurcrimineel. Een catwalk met bejaarden in lingerie; een panfluitconcert, een boksmatch of een ridderkamp met Benito (zonder armen) en Armando (zonder benen); kindjes in Thaise sekswerkkledij; kindjes in doodkisten, kindjes aan de galg, kindjes in Circus Vangheluwe; kuikentjes in de mixer; een poppenkast met sekspoppen; elke dag iets online bestellen en gebruiken — een bosmaaier, een fitnesstoestel, een opblaasbare jacuzzi — en dan terugsturen; Benito zonder armen die met zijn tenen boterhammen met kaas smeert; chatrouletten op een vol Gentse Feestenplein met een nietsvermoedende rukker, die net voor zijn money shot de mensenmassa te zien krijgt (een act die de wereld rondging). Enzovoort.
De schemerzone tussen ongemak en vermaak: daar ligt de speeltuin van Cirq. Niet toevallig komen veel Vlaamse entertainmentgenieën uit hun stal: onder meer Kenji Minogue (het electrotrashduo Sarah Vandeursen en Emilie De Roo), Gunther Lamoot of Gili. Maar louter een lanceerplatform voor een carriere kan Cirq nooit zijn: alles vertrekt vanuit de groep. Om bij Cirq te werken moet je van Cara Pils houden, weinig grenzen hebben, en veel zelfrelativering.

Schlagerfestival © Nora Been
In 1999 begon Cloet, telg van een verzekeringsfamilie uit Desselgem, bij te klussen in cultuurhuis Backstage, tegenover de Gentse Vooruit. Al vanaf dan was hij een fixer, een manusje-van-alles: hij kuiste de zalen, pimpte mee de erotische avonden van studentenverenigingen, stond achter de techniektafels en vooral veel aan de toog. Cloets netwerk en vermogen om mensen samen te brengen is misschien wel zijn belangrijkste talent — met dank aan zijn charisma. Hij is iemand die even innemend praat als luistert. Niet alleen de namen van de hele Gentse cultuuradel passeren de revue in het ontstaansverhaal van Cirq, ook ingenieurs, politici, programmeurs, krakers, directeurs, professoren, knutselaars, journalisten, activisten en alle mogelijke eigenaardige figuren die hij leerde kennen op café, op straat, of op een of andere plek in een of andere situatie in een of ander gesprek waarin alleen Xavier Cloet terecht kan komen. Een Schijt je rijk op de Kouter met een olifant, kippen en een kameel? Voor Cloet just a few calls away.
In 2005 organiseerde Cirq op ‘Muide Beach’ Aboo Hiwa: de show1, waarin Aboo Hiwa voor de ogen van drieduizend mensen beton kapotsloeg, een poutrel van veertien meter in zijn nek plooide, en vijf gesponsorde auto’s voortsleepte met zijn tanden. De Koerd was in zijn thuisland beroemd als Pahlavani-acrobaat, een Iraanse sport waarbij op ritmische muziek onmenselijke krachttoeren worden uitgehaald. Uit welke hoed tovert Cloet die figuren? Cloet is evenveel artiest als, naar eigen zeggen, ‘sampelaar’, een soort burgemeester van de excentriekelingen, waar hij een zesde zintuig voor heeft: zijn ‘zotte patés’, de buitenbeentjes, de verstotenen, de outcasts, de misfits, de zwarte schapen, de C-artiesten, de C-burgers. Zoals dj-duo Marcel en Vicky, Miss Perdita Petit Beurre die de toekomst kon voorspellen, of ‘de jodelaar’ (‘die in den bak gezeten heeft omdat hij gezien had dat zijn manager, clown Toby, zijn ex doodgeschoten had, maar dat niet aan de rechter gemeld heeft, omdat hij niet kon, omdat hij te autistisch is’). Het maakt dat, ondanks de evidente spot van Cirq, hun werk in de basis iets anticynisch heeft, een openhartigheid, een liefde voor het zwarte schaap.

Een van de mensen die al vroeg in de beroepsschenenschoppers van Cirq geloofde was Geert Opsomer, voormalig artistiek leider van het Nieuwpoorttheater, nu CAMPO. Cloet en trawanten hadden er op zijn vraag in 2003 La loteria gemaakt, een aangebrande bingoshow. Opsomer vroeg in 2005 of ze een show wilden maken in de Minard. Met een budget van 25.000 euro maakten de Gentse ‘variétékoningen’ het Schlagerfestival. In de tot apres-skichalet omgedoopte bonbonnière werd het publiek door presentator Gunther Lamoot getrakteerd op allerhande C-artiesten, op Shorty, een blinde dwerg die neusfluit speelde, op cheerleaders; op de drank en meezwaaimuziek.
Aan de andere kant van de scènewand vond onder leiding van Chiel Van Berkel — deel van Abattoir Fermé en volgens Cloet ‘ne zwoare paté’ — een slagerwedstrijd plaats: om ter snelst kapten twee beenhouwers een half varken in vijf stukken, ontbeenden ze zoveel mogelijk vlees, en draaiden ze daar een zo lang mogelijke saucisse mee. Aan het einde gingen de twee decors langzaam omhoog en zagen de publieken elkaar, die tot dan niets van elkaars bestaan afwisten. Vegetariërs werden belachelijk gemaakt (uiteraard, low hanging fruit zal Cirq nooit laten liggen), al smaakte het worstje dat je tijdens de polonaise verorberde toch iets wranger in het aanschijn van de dode varkens druipend van bloed op de witte plastiek.
“Vluchtelingen lachten in Batahlan met Vlamingen, hun zogenaamde ‘gastheer’, en ook met zichzelf. Iedereen is medeplichtig, iedereen staat voor schut.”
Het Schlagerfestival is vintage Cirq. Het bevat alle elementen die de eigenheid van een Cirq-productie uitmaken: een happening waar — belangrijk! — drank aanwezig is; een thema dat de taboes opzoekt; een presentator met een felle bek die absurde verzoeken doet aan het publiek; opgedrongen ambiance; schuinse spelletjes en stunts; een goedkope, ondubbelzinnige, no-nonsense esthetiek en scenografie; een uniform; het publiek dat tegen elkaar wordt opgezet; en recent het live filmen van het hele gebeuren met een volgspot, in real time te zien op een groot scherm.
Smeerlapperij, maar ik durf zeggen: slimme smeerlapperij. Onder alle onnozelheid, controverse en verspilling schuilt er in elke Bata-editie een robuust concept, dat Cirq tot in het absurde doordenkt. Wat Cirq creeërt, is experimentele volkskunst: politieke of sociale vragen die de maatschappij in het dagelijks leven bezighouden, vertalen ze naar satirische laboratoria — artistieke scenario’s waarin mensen altijd zowel toeschouwer, deelnemer als medeplichtige zijn.
Neem Batahlan in de zomer van 2016. In 2015 vragen 1,3 miljoen mensen asiel aan in Europa, het meeste sinds de Tweede Wereldoorlog. Euromama Angela Merkel is met haar uitspraak ‘Wir schaffen das’ de favoriete schietschijf van de N-VA en Theo Francken. De staatssecretaris voor Asiel en Migratie lanceert de hashtag ‘#opkuisen’. Het is ook de tijd van de moslimfundamentalistische terreurdreiging. Na de aanslagen in Parijs is er in ons land ‘niveau 4’, in maart 2016 zijn er de aanslagen in Brussel.
In dat klimaat kondigt Cirq Batahlan aan: ‘Dit jaar hebben we gekozen voor de goeikoop! Al onze eigen dure vrijwilligers buiten en vluchtelingen in de plekke!’ Vluchtelingen runnen de microkosmos waarin de identiteit van bezoekers voor binnenkomst gescreend wordt en ze afhankelijk daarvan in een transitzone (een kooi) of een krappe smokkelcontainer terechtkomen. Er is ook een prachtig waterballet met bootvluchtelingen die weten wat het is om hun leven te riskeren op de Middellandse Zee (in een regie van Ruud Gielens). Uit Batahlan groeit uiteindelijk Refu Interim, een vzw die vrijwilligerswerk voor anderstalige nieuwkomers organiseert.

Batahlan © Annlies Vanhove
Niet dat zo’n sociale zaak Cirqs satire moet rechtvaardigen. Het gaat erom dat zij kiezen voor thema’s die leven in een verrechtsende samenleving op een directe, expliciete, laagdrempelige, en ja, grappige manier. Hoeveel van de bezoekers had ooit al een Syriër die land en gezin in oorlog achterliet in levende lijve ontmoet? Cirq maakte de opgehitste xenofobie en de racistische samenzweringstheorie van omvolking — die al decennialang stil in vele Vlaamse harten en hoofden huist — concreet. Vluchtelingen lachten in Batahlan met Vlamingen, hun zogenaamde ‘gastheer’, en ook met zichzelf. Iedereen is medeplichtig, iedereen staat voor schut, iedereen wordt geconfronteerd met zijn eigen vooroordelen. Niets beter dan humor om je uit een ingesleten positie los te wrikken, om je van verwachtingen te bevrijden.
Sinds 13 oktober heeft Vlaanderen met Guy D’haeseleer een eerste extreemrechtse burgemeester. De overwinning van zijn Forza Ninove komt niet uit de lucht gevallen; hij veroverde stem per stem door markten af te schuimen, pinten te trakteren, hulpbehoevende mensen te helpen met hun belastingsbrieven, pensenkermissen en eetfestijnen te organiseren. Zo bouwde hij socialistische volkshuizen en parochiale kringen in Ninove om tot rechtsgezinde kaartenclubs en, uiteindelijk, Vlaams Belang-bastions. Terwijl ik tamelijk onthutst naar het overwinningsinterview van D’haeseleer op tv aan het staren ben, en hem in het plat Ninoofs — ‘tis van dedde’— enkele Forza-kornuiten hoor bevelen om uit te rukken met de voorziene plateaus overwinningschocomousse, moet ik aan Cirq denken. ‘Laat de zon in je hart!’: de verzamelde Ninovieters in zaal Cloë zetten nog maar eens een polonaise in. Is dit Cirqs beste, meest pijnlijke sketch ooit?
Wat zou ik, die het Vlaams Belang en alles waar het voor staat verafschuw, tegen die Ninovieters zeggen? Hoe kun je kritisch zijn zonder te kleineren? Je moet de taal van het volk kunnen spreken. Cirq trekt die kaart van het volkse, het prettig gestoorde, het verdwenen verenigingsleven. Niet dat je Cirq en hun Bata-edities uit Gent weg kunt halen — hun werk is verbonden met de stad en haar inwoners zoals een boom met haar bos. Maar humor, drank, feest, kermis, plezier, provocatie: die sapppige strategieën mag links niet zomaar aan rechts overlaten. Dat is voor mij de inzet van het werk van Cirq: hoe kan het volkse in al zijn boertige glorie ook progressief en emanciperend zijn? Hoe ziet kritisch volks plezier eruit?
Want vergis u niet: Cirq slaagt erin (ook) een publiek te lokken dat nooit de theaterzalen of de symposia over pakweg inclusie betreedt. Misschien deels omdat ze moeten — ze vragen nooit structurele subsidies aan. Maar onder het mom van volks vermaak, maakt Cirq ook aan hen het onbekende bekend, laten ze elk onwrikbaar wereldbeeld een beetje afbrokkelen, smokkelen ze een vooruitstrevende boodschap binnen die anders misschien nooit zou doordringen. ‘A spoonful of sugar makes the medicine go down’, in de woorden van Cloet.
De amusementsindustrie, directe democratie, dekolonisering en inclusiviteit, de cultus van veiligheid of het gevaar van de datamaatschappij: als je Cirqs oeuvre overloopt, valt het op hoe ze vaak vroeg afkomen met thema’s die pas (veel) later mainstream worden. Nog voor Shoshana Zuboff haar bestseller over surveillance capitalism publiceerde, was er Datakamp (2017), ‘het eerste gamified festival’, met dank aan een ‘bende nerds, professionele zotte patés die ons vree graag zien’, aldus Cloet. Elke bezoeker moest zich digitaal registreren, zodat Cirq alle data had, die ze ook over het hele terrein verzamelden. Ze wisten bijvoorbeeld hoe lang iedereen naar de wc ging, hoeveel bier mensen dronken en waar ze op vakantie waren geweest. Er waren verschillende klassen: hoe meer data je prijsgaf, hoe hoger je op de sociale ladder van Datakamp stond, hoe meer beslissingsmacht je had bij stemmingen (welke karaoke zetten we op?). De 10 procent meest interactieve datadelers kregen toegang tot de vipzone.
“Wat grappig is en wat niet, is de ultieme vraag van satire, waarop in het beste geval nooit een definitief antwoord zal komen. Omdat de wereld verandert, de context verandert, en dus ook de grens van humor.”
Bij Cirq heerst de reglementaire chaos: ze werken nooit met een script. Er zijn een aantal spelregels, maar de rest is op den bots. Die gecontroleerde improvisatie laat toe om snel in te spelen op wat zich aandient, legt Cloet uit: als er toevallig pakweg ‘iemand die Spaans kan’ aan de deur wordt gespot, weet de toren waarin de regisseurs van de ontregeling zitten — de technici, de presentator en Cloet of mensen als David Miroir, Ruud Gielen of Francis Isebaert — dat meteen via walkietalkies. In ijltempo worden de mensen op het veld ingelicht, krijgt de Spanjaard een micro en een camera op z’n kop, en begint het Spaanse volkslied te spelen. Of als Catherine De Bolle (directeur van Europol) en Alain Remue (hoofd van de Cel Vermiste Personen) aan de deur staan, zet Cirq binnen de twee minuten een gigantisch verstopperspel op. Remue wordt op het podium geroepen, en voor je het weet staat het hoofd van de Cel Vermiste Personen, met zijn gezicht naar de muur en zijn handen voor z’n ogen tot honderd te tellen.2

Xavier Cloet © Annelies Vanhove
De toegang tot de Bataproducties is van groot belang. Het zijn poorten tot het zorgvuldig geknede universum van Cirq. Vaak is er een ‘test’, een soort lakmoesproef om te testen of deelnemers genoeg humor en zelfrelativering hebben. Cloet: ‘Als je niet voor een onnozelheid openstaat, moet je niet per se binnenkomen: bijvoorbeeld, tijdens Bata Bata (2013) mocht je alleen binnen met zilverpapier (om op te sturen naar Afrika), bij Batakamp (2010) waren witte sokken verplicht, tijdens Batastunt (2019) een fluohesje.
Opmerkelijk is ook welke macht Cirq daarmee over de pers en zelfs over politie heeft. Toen in 2010 speciale eenheden eisten om de tent van Circus Vangheluwe te betreden, na klachten over de voorstelling en het zwijgattest dat kinderen binnen met bloed moesten ondertekenen, antwoordde Cloet droogweg dat dat niet kon. Wie de tent binnen wilde, moest door de benen van de houten bisschop, met hoogtebeperking van 135 centimeter.‘Als jullie echt binnen willen, zullen jullie een collega dwergflik moeten sturen.’
Het neemt niet weg dat Cirq weleens uit de bocht vliegt. Waar ligt de grens tussen outcasts een stem geven of ze fetisjeren? Tussen het emanciperen of romantiseren? Heeft humor een limiet? Cirqs werk is trial-and-error, onvoorzichtig, ongepolijst, vol blinde vlekken, potentieel problematisch. Het komt door hun fundamentele, simpele vuistregel: ideeën worden eerst uitgevoerd en pas daarna besproken. ‘Try again, fail again, fail better’, schreef Samuel Beckett ooit. En precies dat maakt hun werk zo urgent vandaag. Ze raken aan de kern van satire, cultiveren een onheilige, oneerbiedige houding, bewuste provocatie en overdrijving die choqueert, die perversiteit en hypocrisie blootlegt, en dwingt tot reflectie. Waar zie je nog werk dat in die mate transgressief is?
“Een safe space zal een Bata-editie nooit zijn. Het collectief drijft juist op grensoverschrijding en de hostile space, op het zorgvuldig creëren van ongemak bij mensen.”
Cruciaal bij Cirq is de opkuis na sluiting van de site en de evaluatie achteraf, die Cloet met hele strakke hand leidt. De gesprekken hebben iets heel neteligs en toch intiems, iets magisch bijna, zo maak ik op uit Cloets verhalen. Na Batahlan bleven de nieuwkomers op dag één urenlang hangen om in vijf talen met tolken ideëen voor ongepaste moppen voor morgen te geven. Alles wordt met de medewerkers besproken: de slechte dingen gaan eruit, de goede worden verbeterd. Wat ‘goed’ en ‘slecht’ is, ondervinden Cloet en de zijnen tijdens de tien dagen Gentse Feesten.
Maar het kan uiteraard ook lastig worden. Soms zitten de medewerkers daar tot 5 uur ’s ochtends intensief te debatteren over iets dat hun allen aangaat. Tijdens Zataclan eiste presentator Han Coucke eens dat er twee dikke mensen het overvolle terrein zouden verlaten, want zij namen de plaats in van vier dunne mensen buiten in de rij. Intern werd tot het ochtendgloren fel over de uitspraak gedebatteerd.
Wat echter blijft wringen, is dat het Cirq-terrein een pak minder vijandig is voor mij, een geboren en getogen Gentse langgeschoolde, witte man met een streekbier in de hand, dan voor vele anderen. De soms gehoorde kritiek dat Cirq een oer-Gents clubje met mannenhumor is, dat het zich kan permitteren met alles en iedereen te lachen, is ergens terecht. Hoe kijkt Cloet nu bijvoorbeeld naar de problematische acts van Bata Bata (2013), een excuusfestival voor minderheden? Toen er een persoon van kleur op het terrein kwam, werd die omhooggehesen en vereerd als minderheid door Cirq’ers in safarikledij. Is dat grappig?
Wat grappig is en wat niet, is de ultieme vraag van satire, waarop in het beste geval nooit een definitief antwoord zal komen. Omdat de wereld verandert, de context verandert, en dus ook de grens van humor. Cloet geneert zich voor de streken van Bata Bata, en zo zijn er nog andere acts die hij vandaag niet meer zou brengen. ‘Het is een hele dunne lijn, maar je kunt iets heel schrijnends doen als het gebracht is door een mens die dat mag brengen. Als iets niet correct is, voel je dat aan. Je kunt nog altijd om het even wat doen in de juiste setting, ook vandaag.’

Batastunt © Annelies Vanhove
Het ongepaste en het politiek incorrecte tóch doen ligt voor een stuk in de aard van hun artistieke strategie: een safe space zal een Bata-editie nooit zijn. Het zou ook de dood van Cirq betekenen: het collectief drijft juist op grensoverschrijding en de hostile space, op het zorgvuldig creëren van ongemak bij mensen. Die stijl en strategie durf ik te verdedigen. Is kunst er vooral om gerust te stellen, om je frictieloos in je wereldbeeld te bevestigen? Of moet het ook provocatie en ongemak omarmen, en is de radicale ingesteldheid dat niets onschendbaar is niet juist de motor van alle verandering? Kunst moet werelden kunnen openen, ook die waar je liever niet bij hoort.
Een ding is zeker: mensen die denken te weten en willen vastleggen wat de grenzen zijn van humor, zijn niet te vertrouwen.
⁂
Ik wandel buiten bij Cloet met een (niet te weigeren) souvenir: een kilo chorizo’s van Bataknar die over datum zijn. ‘Geräucherte und getrocknete Schweinefleischewurst mit Paprika’. Ik stap door de zonovergoten Gentse straten. De man met strik en snor op de verpakking knipoogt naar mij. Hij lijkt het absurde circus vrolijk te regisseren.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.