Dieter Van Dam

Leestijd 6 — 9 minuten

Ruis in het theater!

Radio als forensisch laboratorium

Theater bruist. Radio ruist. Het is een ‘vuil’ medium. Een slechte ontvangst, waarvoor theater als de dood is, is net zijn zuurstof. Naar aanleiding van We Love Radio, het festival op het snijpunt van dans, performance en radio dat Kunstencentrum Buda in februari organiseerde, vroeg Etcetera aan radiomaker Dieter Van Dam om enkele reflecties neer te pennen over deze cross-over.  

In de volksmond spreekt men wel eens over radio als ‘het theater van de verbeelding’. Radio zou meer dan andere media een appel doen aan onze verbeelding. Natuurlijk doen alle media dat, in de zin dat we zonder ons daar volledig van bewust te zijn altijd beelden construeren. Radio mikt echter op veel meer. Een luisterwerk, ongeacht de discipline waaruit het voortkomt, boort een dynamische verhouding aan tussen uitgesproken en onuitgesproken elementen. Verbeelding zorgt ervoor dat eventuele hiaten in die verhouding quasi automatisch worden ingevuld. Ze bestaat uit vrije associaties, neurologische circuits of frivoliteit uit het improvisatietheater van de grijze massa. Afhankelijk van onze aandacht verschijnen beelden al dan niet nadrukkelijker op de voorgrond van ons bewustzijn. Verbeelding kan drie gedaantes aannemen: als afbeelding, via reproductie in bijvoorbeeld film of video, als uitbeelding of belichaming van het beeld in theater, performance of installatie, en ten slotte als inbeelding, in radio, muziek en geluidskunst. Inbeelding veronderstelt een actiever proces en is minder vrijblijvend dan associatieve verbeelding. ‘In-beelding’ betekent letterlijk een proces van intern boetseren, inspectie en introspectie. Afbeelding is afleiding, inbeelding is inleving.

De mens is een organisme dat zich aanpast aan zijn omgeving en dat beelden semiautomatisch genereert. We boetseren ons naar een zelfbeeld. Zo’n beeld is steeds een veruitwendiging, een projectie van onszelf. Aan geluid kunnen we ons minder gemakkelijk spiegelen dan aan een beeld. Ook al komt geluid uit een bepaalde richting, het omgeeft ons eerder dan dat het tegenover ons staat, zoals bij een beeld het geval is. Ons onderdompelen in geluid kunnen we benoemen als een vorm van immersie. Klankimmersie zorgt ervoor dat we de beelden, waarvan de geluiden ons omringen, niet enkel moeten produceren maar ook opnieuw moeten lokaliseren in de ruimte. Dit vereist een bijzonder gevoel voor oriëntatie. Deze intuïtie kan je vergelijken met het instinct van een forensisch wetenschapper. Hij verzamelt sporen die hij vervolgens op een zinvolle manier met elkaar tracht te verbinden om zo een gebeurtenis te reconstrueren als een hypothese. Deze wordt getoetst aan de bewijzen om vervolgens bepaalde scenario’s uit te sluiten. Hetzelfde geldt voor radio. Het is niet enkel een kwestie van puzzelstukjes te verbinden. Het is ook een kwestie van die puntjes te belichamen om het groter geheel te kunnen zien en het veronderstelt een vermogen om verleden en toekomst in een schets coherent vorm te geven. De verwerking van geluid ten opzichte van beeld is dan ook vergelijkbaar met de reconstructie van een moord ten opzichte van de moord zelf. Daarom noem ik radio hier – met een term ontleend aan schrijver en radiomaker Gregory Whitehead – ‘forensisch theater’. Of beter: radio is ‘forensisch cabaret’. Ik bedoel daarmee dat de act van het theater zelf uit het theater is verdwenen. De personages zijn krijtlijnen geworden, de scène is leeg en afgezet, doch vol van leven, maar dan in de vorm van sporen en aanwijzingen die herinneren aan een bepaalde gebeurtenis. De ether is een verdampt podium en de acteurs zijn in rook opgegaan. Het werk van de toeschouwer bestaat erin de achtergelaten sporen te interpreteren en narratief te reconstrueren of om te zetten in (mentale) beelden, gevoelens en stemmingen.

Radio onderscheidt zich van andere inbeeldingsmedia zoals muziek en geluidskunst doordat radio muziek gebruikt, maar zelf geen muziek is. Radiokunst gebeurt in geluid, maar is geen geluid. Radio gebeurt niet in de ruimte: de ether is geen plaats, maar een ‘tussen’. Sound art werkt met klank – geluid is haar materie – maar ze gebeurt niet in klank. Het materiële van deze media is het ‘tussen’; de plaats van zowel maker als toeschouwer is die van het inter-esse: een gedeelde tussenruimte. Inter-esse is het omgekeerde van interesse zoals interconnectivity het tegendeel vormt van interactie. Interactieve kunst wil de interesse wekken, prikkelen, in dialoog gaan met het publiek. Interconnectivity zoekt een verbinding die de posities van zender en ontvanger overstijgt. Daar draait het om in radiokunst.

De aandacht voor allerlei oude en vernieuwende radioformats zien we ook buiten de black box opduiken. Denk maar aan de populariteit van In the Dark, de ultieme cinema-ervaring voor de hoorspelliefhebber zeg maar, of Serial, de controversiële podcast over het moordonderzoek naar de Amerikaanse Hae Min Lee. Ook in het hedendaags theater is men volop aan het experimenteren met radio en auditieve omgevingen. Daarvan getuigde onder meer het festival We Love Radio, waar makers als Myriam Van Imschoot, Diane Weller en Peter Lenaerts onafhankelijk van elkaar radio-elementen (schizofonie bijvoorbeeld) of radiotechnieken (uitzending) in hun werk integreerden. Misschien meer nog dan een voorliefde te delen voor het ‘old school’ medium radio, lijken ze te willen weerstaan aan een tijdsgeest die gekarakteriseerd wordt door ‘beeldboulimie’, beeldverzadiging of -moeheid. Het importeren van radiofone strategieën in het theater brengt dan ook een kentering teweeg in de beelddictatuur die het Vlaamse theater sinds de jaren tachtig kenmerkt. Een aanzet tot verklaring.

1.

We zijn allemaal beeldproducenten en dus zijn we experts geworden in het gebruik van een beeld om iets mee te delen: ‘een beeld zegt meer dan duizend woorden’. Het gaat sneller dan een e-mail en je krijgt er vaker en sneller respons op (weliswaar in de vorm van duimen en lachende hiëroglitters, maar kom). We kennen met andere woorden de mogelijkheden en weten uit ervaring hoe makkelijk beelden gemanipuleerd en/of verkeerd geïnterpreteerd worden (al gebeurt dat hoogst zelden, u weet wel, het beeld spreekt voor zich). Dat wisten we al vroeger, maar we waren er nog niet van doordrongen. Er stonden nog geen gênante foto’s van u en de uwen op het meest gelezen prentenboek ter wereld. De kunstenaar zal dan ook alternatieven moeten verzinnen om dezelfde beelden op een andere wijze te genereren of nieuwe verbeeldingen mogelijk te maken. Radio kan je zien als een forensisch laboratorium waarin theatermakers hun theorieën toetsen aan de hand van experimenten, berekende ingrepen en een poging om onze lamgeslagen zintuigen opnieuw op scherp te stellen, door op een andere manier te prikkelen.

2.

Overheidsmiddelen zijn in een culturele ijstijd moeilijk te vinden, radio is relatief goedkoop (tegenover visuele media), men is erg mobiel en weinig plaatsafhankelijk. Meer woorden hoef ik daar niet aan vuil te maken. Ook in de forensische wetenschap speelt het belang van het object en diens functie een belangrijke rol voor de prioriteit en de middelen die er tegenover staan.

3.

Deze (her)nieuw(d)e liefde van theater voor radio past in een bredere tegenstroom in de samenleving, waarbij allerlei slow movements en andere ‘consuminderheden’ de hobbyvariant zijn van de professionele hipsterbeweging (hipster is een scheldnaam voor al wie een hogere kwalitatieve standaard heeft op het gebied van hygiëne, mode, media, eco, techno, transport… dan diegene die het woord in de mond neemt; een benoeming die dus erg afhankelijk is van sociale perceptie). Ook hier past ‘forensisch theater’, in die zin dat het bewust iets weglaat of dingen vertraagt, details zoekt die het verschil maken.

4.

Ten slotte speelt ‘de stem’ en vooral haar twijfelachtige authenticiteit een belangrijke rol in deze ontwikkeling. Het valt op dat nieuwe ‘hippe’ radio (die men voor alle duidelijkheid niet terugvindt op ‘hippe zenders’) heel bewust een nieuw soort stem gebruikt, anders dan de vertrouwde en vertrouwen inboezemende stem van de openbare omroep. In de alternatieve scene zien we opvallend veel ambigue, vervormde, vreemde en bevreemdende stemmen opduiken. De afwezigheid van de geluidsbron of ‘het moederlichaam’ van waaruit de stemmen geboren worden, is sinds mensenheugenis de unheimlichkeit par excellence (een toestand tussen het hier en het daar, tussen het buiten en het binnen, het werkelijke en het illusoire). Het verschil tussen fictie en documentaire wordt bovendien erg wazig, ook in stemgebruik. Artiesten verkennen de stem als vehikel dat tussen twee extremen hangt: een stem is altijd lichaamseigen en lichaamsvreemd. Radio versterkt enkel deze inherente kwaliteit en speelt met de dood door van standpunt te wisselen tussen dat van de dode en dat van de overlevende.

Radio binnenbrengen in het theater betekent onvermijdelijk een ‘amputatie’ van het medium. De meest in het oog springende is die van het beeld en van de acteur, wiens lichaam volledig verdwenen is van de scène, zodat enkel de stem overblijft als een onstoffelijk relikwie, wat zijn weerslag vindt in de fantoompijn van de schizofone of verweesde stem. Verder is er de amputatie van het decor en de rekwisieten – geen recent verschijnsel, maar wel een dat des te pijnlijker tot uiting komt wanneer ook de acteurs niet meer komen opdagen. Deze amputatie genereert op zijn beurt de mysterieuze fantoompijn van de black box (verwijzend naar de zwarte doos die alle informatie opslaat van de omstandigheden waaronder de verdwijning mogelijk werd, maar die uiteindelijk ook zelf verdwenen is). Belangrijker dan de vraag naar het zogenaamde gebrek en wat er overblijft van het theater zoals we het kennen, is echter de vraag welke andere ruimte en tijd daarmee vrij komen, of beter: ingebeeld kunnen worden.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#141

15.06.2015

14.09.2015

Dieter Van Dam

Dieter Van Dam (°1983) studeerde Radio aan het RITS en filosofie aan de VUB. Hij doceert radioanalyse en audiodramaturgie aan het RITS.