Dries Moreels

Leestijd 4 — 7 minuten

Repetitie: de spanning tussen individuele geschiedenis en herhaling en verdubbeling

Dries Moreels over de opera Meneer de zot & tkint van Walter Hus en Jan Ritsema

De tekst Meneer de zot & tkint (1991) van Jan Decorte is door Walter Hus tot een opera voor koor, hammondorgel en accordeon bewerkt. De drie personages, die op King Lear, Cordelia en Falstaff geïnspireerd zijn, komen in het libretto niet meer voor: de tekst is weliswaar ongewijzigd gebleven, maar de precieze toeschrijving aan een personage is verdwenen. Er zijn bovendien geen solisten-zangers, die in het klassieke schema van een opera elk een personage zouden vertolken (een basstem voor de zot, een sopraan of een kinderstem voor het kind, enz.). De twaalf zangers (drie per stemtype) in deze productie zijn leden van het Goeyvaerts Consort.

meneer: Voila. / Ik ben tbeu / ik ben moe ik ben zat / ik doe mijn kroon af / en ik geef mijn land / aan mijn dochters / die me graag zien / ge moogt nu spreken.

de zot: O ja papaake / o ja papaake / ik zie u graag / ik zie u graag / ik zie u nog liever graag / ik zie u nog veel veel liever graag, meneer: tis goed elk de helft / en gij zegt ge niets / zijtguw tong verloren / of moet ik ze eruit trekken / wadist.’ (Jan Decorte)

Aan het begin van de tweede scène zingt het hele koor (tutti) de tekst van meneer en wordt het antwoord van de dochters door de sopranen gezongen, terwijl de mannen de tekst van meneer herhalen. Wat bij Decorte nog tekst voor de zot was, is hier gedramatiseerd, alleen al door de distributie over de stemmen:

tutti: Voila. / Ik ben tbeu / ik ben moe ik ben zat / ik doe mijn kroon ik doe mijn kroon mijn kroon af en ik geef mijn land mijn land mijn land aan mijn dochters die me graag zien / ik doe mijn kroon ik doe mijn kroon mijn kroon af en ik geef mijn land mijn land mijn land aan mijn dochters die me graag zien / ge moogt nu spreken. / ge moogt nu spreken.
simultaan

alten: O ja papaake O ja papaake O ja O ja O ja papaake enz.

tenoren + bassen: ge moogt nu spreken ge moogt nu spreken / ik doe mijn kroon ik doe mijn kroon mijn kroon af en ik geef mijn land mijn land mijn land aan mijn dochters die me graag zien

sopraan 3: ik zie u graag ik zie u graag ik zie u graag ik zie u graag enz.

sopraan 2: ik zie u nog liever graag ik zie u nog liever graag enz.

sopraan 1: ik zie u nog veel veel liever graag ik zie u nog veel veel liever graag enz. …simultaan>

tutti: tis goed / elk de helft / elk de helft / elk de helft / elk de helft / en gij / zegt ge niets / zegt ge niets / zijtguw tong verloren / of moet ik ze eruit trekken / of moet ik ze eruit trekken / wadist.’ (Walter Hus)

De belangrijkste ingreep van Walter Hus op de tekst is de invoering van ritmische en melodische herhalingen en verdubbelingen, een consequentie van het zoeken naar een koorvorm. De veelkoppigheid (veelstemmigheid) van het koor en de verdeling van tekst over de verschillende stemmen (soms zelfs over de verschillende zangers) benadrukken dramatische elementen in de tekst. Maar het is ook mogelijk af en toe het hele palet aan stemkleuren in te zetten voor één vers. In ‘meneer: Cordeliake. / het kind: Ja meneer. / meneer: Ge moet braaf zijn memij.’ (scène 3) wordt het ‘Cordeliake’ harmonisch uitgewerkt zoals een jachttafereeltje met hoorngeschal in het bos: alleen een titel lm Walde ontbreekt nog. Om de pastiche van de operette te vervolledigen volgt dan zestien maten verder een lustig ‘tempo di valzer’ voor: ‘meneer: Kom hier. Ik wil u. Ik moet u.’ (loc.cit.).

De enscenering van Jan Ritsema sluit perfect aan bij dit dubbele procédé van herhalingen. De repetitieve structurering in het libretto maakt het ook mogelijk verschillende (soms ronduit tegenstrijdige) aspecten van een situatie of van een personage tegelijkertijd te laten zien. In scène 4 tussen de zot en het kind geeft Walter Hus verzen van de zot, ‘ge moet daar niet over klappen / of ik zal eens in uw billekes knijpen’, aan de mannenstemmen (drie tenoren en drie bassen unisono). Maar omdat de zes zangers deze verzen elk anders invullen (boos tegen een kind; neutrale mededeling; suggestie van perverse betekenis) worden die verschillende betekenissen tegelijkertijd gerealiseerd en ontstaat een complexe, open dramaturgie.

Voor elke repliek die ze zingen moeten de zangers van achter naar voren komen en er nadien terugkeren, waardoor de voorstelling ook fysiek repetitief gestructureerd is. De spelinstructie voor elk koorlid is: ‘kom (of loop) naar voor, signaleer welk personage je zingt, en zing het (gewoon)’. De conventie die daarbij gehanteerd wordt is iconisch: opengevouwen armen = tkint; vinger tegen voorhoofd = de zot; gebalde vuist = meneer.

Door iedere zanger de opdracht te geven het personage met een teken aanwezig te stellen, zijn ze telkens ook echt verplicht dat te doen. Iedere zanger heeft (binnen de strakke conventie) weliswaar een zekere vrijheid om het personage vorm te geven, maar heeft ook de plicht het personage concreet vorm te geven in concrete mededelingen: ‘meneer: ik gaanopreis / kweetni waarnaartoe / maar tisdaar schoon / keb altelang gewacht / kmoet gaan’ (scène 8). De concentratie van de zangers is bijgevolg enerzijds verdeeld over het heen en weer lopen en anderzijds op de techniek van het zingen (nl. zonder vibrato, en zelfs loepzuiver). Er blijft voor de zangers dus geen tijd meer over om over stilistiek en operaconventies na te denken, laat staan deze in te oefenen.

De ene gebalde vuist is echter de andere niet, met open armen lijkt bij de ene op een kind dragen en bij de ander op een zegening. Het teken krijgt daardoor verschillende individuele verschijningsvormen. De signaletiek van ‘ik zing nu tekst van personage x’ wordt na een tijdje (of was altijd al) een choreografie gebaseerd op de repetitie van drie types bewegingspatronen. Dit synthetisch effect wordt nog versterkt door de kostuums (van Marina Yee) en de grime (grote rode of witte kleurvlakken op het gezicht en de handen), die consequent naar een oudere laag verwijzen, onder het individuele verhaal van de zangers. Dit is ook de noot waarop de voorstelling (en ook de tekst van Jan Decorte) sluit:

tkint: en toen en toen en toen.

de zot: drie varkens / en een grote fluit / en tvertelselke / is uit. (scène 9)

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#74

15.12.2000

14.03.2001

Dries Moreels

Dries Moreels, redacteur van Etcetera, is assistent Stamvakken aan het RITS(Brussel).

artikel