Leestijd 7 — 10 minuten

REPERTOIRES IN HET SEIZOEN 1984-85

De navel als laatste verantwoording

Nog voor de verdicten van de Raad van Advies bekend werden, stelden de gezelschappen hun repertoire voor het komende seizoen samen. Klaas Tindemans blikt vooruit en ziet, behalve de voortekenen van natuurrampen, ook kwetsbaarheid en eigenzinnigheid. Wie geven impulsen, wie zorgen voor verrassingen?

De feiten zijn de volgende. Op een moment dat elk verstandig plannend theatergezelschap zijn repertoire voor het nieuwe seizoen ’84-’85 heeft opgesteld, deelt de overheid, die het advies van de Raad van Advies voor de Toneelspeelkunst integraal overneemt, rapporten uit aan die groepen. Op zichzelf geen probleem, want diezelfde verstandig plannende groepen hebben, na een grondige evaluatie, hun voornemens aangepast aan de redelijkerwijs te verwachten waardering van hun voorbije prestaties door de subsidiënt.

Maar precies in die waardering is de logica ver te zoeken, en ‘redelijkerwijs’ niet te achterhalen, zeker niet als blijkt dat de RAT-leden omtrent die criteria een strikt stilzwijgen hebben afgesproken. En met name voor de groepen die slechte punten kregen, is de moeilijkheid dat ze niet weten wat ze mispeuterd hebben: misschien haalden ze niet het voorgeschreven aantal voorstellingen, maar denken ze zelf dat ze, wegens te ‘moeilijk’ theater, te weinig publiek trokken, en trekken ze de foute conclusie dat het repertoire populairder moet worden.

Een gezelschap waar het onbegrip b.v. groot zal zijn, is de Mannen van den Dam, dat erg negatief beoordeeld werd door de RAT (‘ongustig cum laude’). Het voorbije seizoen speelden zij het verdeeld onthaalde Gat in kop (W. Deichsel), een Sam Bogaerts-voorstelling, getapt uit het bekende vaatje: leuk dus, maar nogal naast de kwestie. Daarnaast werd Racines Brittannicus gespeeld, het regiedebuut van Johan Heestermans, een onberekenbaar risico. Resultaat: acteurs die te vaak fout zaten, maar qua dramaturgisch inzicht zowat de interessantste voorstelling van het seizoen. Volgend jaar creëren de Mannen van den Dam Het Park, Botho Strauss’ recentste toneeltekst, en geven ze Lucas Vandervost carte blanche voor een cabaretprogramma — misschien is dat laatste de ‘toegeving’ aan het publiek. De niet-militante fractie van de INS exploreert dus consequent gevaarlijke teksten, werkt zonder twijfel aan een eigen profiel én introduceert eigen dramatisch werk (Vandervost). Wat moet zo’n gezelschap, dat langzaam herstelt van het vertrek van Herman Gilis, twee jaar terug, in godsnaam doen om het rood licht terug op groen te zetten? Ik heb geen flauw idee, en zelfs al zouden de Mannen van den Dam onder het minimum aantal voorstellingen gebleven zijn, dit blijft een onevenwichtige beslissing.

Dit soort twijfel bemoeilijkt een zuiver artistieke beoordeling van het repertoire dat het Vlaamse theater voor volgend seizoen voorlegt, en een artistiek oordeel is het enig geldige. Dat een groot aantal belastingbetalers met goed humeur verstrooiing zullen vinden bij Wie slaapt er op de bank (Cooney & Stone bij Antigone-Kortrijk), De grote fabriek (Platteau & Stuer bij het MMT) of Een vreemd koppel (Neil Simon bij de KNS) is wat mij betreft volstrekt irrelevant. De vraag is niet of het mag, maar of het moet gesubsidieerd worden. Dit soort programmatie betrek ik dus liever niet bij dit overzicht, enkel die produkties die intrinsiek artistieke kansen inhouden. En dan zijn we snel uitgepraat.

Er is echter meer: al die voorstellingen waarbij de tekst de moeite waard is, waar de casting wel goed zal zitten, maar die weinig schokkend zullen zijn, die, vermoed ik, zullen verloren gaan tussen de grijze middelmaat. Bij de KNS b.v.: Thomas More (Robert Bolt), of Sophokles’ Antigone. Maar Leo Madder is bij de KNS bevorderd tot huisregisseur, en van zijn vroeger werk (o.a. Strindbergs Freule Julie) is nog nooit een vonk gesprongen. Voeg daar nog Anton Peters’ Komediantenrevue 1985 aan toe, twee West End-thrillers, Neil Simon, Bernard Slade en, na de desastreuze enscenering van Groenten uit Balen, Van den Broecks Tien jaar later: ‘t jaar 10 (opnieuw een regie van Herman Fabri), en Tazieff zal wel gelijk krijgen: grote natuurrampen bedreigen West-Europa.

… al die voorstellingen, waarbij de tekst de moeite waard is, waar de casting wel goed zal zitten, maar die weinig schokkend zullen zijn, die, vermoed ik, zullen verloren gaan tussen de grijze middelmaat.

Voor de KVS geldt bijna hetzelfde, hoewel daar de gemakzucht niet zo schrijnend en de inspiratie niet zo uitgeput is: daar zie je nog dat er vakmensen werken. Ernest Thompsons Het gouden meer (inderdaad, Hepburn & Fonda’s On Golden Pond), Bernard-Marie Koltès Afrikaanse Nacht (inderdaad, Chéreau’s Combat de nègre et de chiens) en David Mamets Glengary Glenn Ross (inderdaad, de Pulitzer Prize), aangevuld met Pirandello (Ieder zijn waarheid), Shakespeare (Driekoningenavond) en Noel Coward (Private Lives) en wat West End: keurig, verzorgd burger-lijk toneel, ernst en luim evenwichtig verdeeld.

Hamburgers

Het meest slaafs klinken de kalenders van het MMT en van Jaak Vissenakens Ensemble. Met een Vlaams repertoire –Pierre Platteau en Felix Timmermans in Mechelen, Rudy Geldhof, L.P. Boon en Hugo Meert (ondervoorzitter van de RAT, sic) in Bree — plooien zij zich keurig naar het RAT-axioma dat eigen Nederlandstalig werk wordt beloond — alsof het Vlaamse idioom een toneeltekst beter (of slechter) maakt. Met zijn welbekend dynamisme breidt het MMT bovendien zijn monopoliepositie in het zuiden van de provincie Antwerpen nog uit: het MMT neemt de Boomse Schouwburg over.

In dezelfde categorie van het hamburgertent-theater — theater dat de indruk wekt ‘voedzaam’ te zijn, maar in feite alle vitamines mist — zijn nog vermeldenswaard: Midzomernachtsdroom (Pavel Kohout, naar Shakespeare) bij Tillemans’ Nieuw Ensemble Raamteater (de lievelingen van de RAT: van 0 naar 10,7 miljoen) en het cabaret-theater van de Zwarte Komedie (Vlaanderens stoute jongens Tom Lanoye, Piet Piryns en Bert Verhoye) met een bewerking van Daniël Defoes dagboek over de pest in Londen anno 1664, een Eric Statie-evocatie, en rechttoe-rechtaan-cabaret, Café Paniek.

Kwetsbaar

Maar naast dit alles zal het nieuwe seizoen toch ook een hoeveelheid ‘kwetsbaar’ theater opleveren, theater dat het niet in eerste instantie moet hebben van een geoliede publici-teitsmachine. Daarom niet meteen ‘goed’ theater, maar wel interessante risico’s, welke twijfels je ook hebt omtrent het resultaat.

.. naast dit alles zal het nieuwe seizoen toch ook een hoeveelheid ‘kwetsbaar’ theater opleveren, dat het niet in eerste instantie moet hebben van een geoliede publiciteitsmachine.

Zoals het NTG, dat zijn huisregisseur, Jean-Pierre De Decker, enkel opstelt als co-regisseur, en voor de rest bijna uitsluitend met gasten werkt: het voorbije seizoen toonde ook een intrinsiek boeiend repertoire, maar niets was echt opwindend. Franz Marijnen, voor het eerst als toneelregisseur terug in het land, monteert Ionesco’s De koning sterft. En, inspelend op de revival van de 18 de eeuwse komedie in Frankrijk, regisseert Jean-Louis Benoit Thomas-Simon Gueullettes Liefde, lust en horens, een collage van diens ‘parades’, en Herman Gilis Marivaux’ Door de liefde verrast. Zeker Gilis, die debuteert bij een ‘groot’ gezelschap, zit hiermee op vertrouwd terrein: het afstoffen van op het eerste gezicht verouderde of onspeelbaar geworden teksten (na o.a. Feydeau, Goethe, Hegenscheidt). Regisseurs die in het recente verleden door de NTG-leiding als succesvol bestempeld werk afleverden keren terug: Stavros Doufexis (van Lysistrata) monteert, samen met De Decker, Euripides’ Vrouwen van Troje, en Ulrich Greiff (na Woyzeck en Dantons dood) regisseert Strindbergs eerste naturalistische drama, het aartsmoeilijke De Vader. Hugo Claus heeft zijn bewerking van Seneca’s Oedipus (uit 1971) nog eens herwerkt, en hij zal deze Blindeman zelf regisseren, samen met Jean-Pierre De Decker, Walter Moeremans tenslotte regisseert Max Frisch’ De Chinese Muur. Zoals we de laatste jaren gewoon zijn is het NTG-repertoire vrij indrukwekkend, een verantwoorde dosering van klassieken en modernen (hoewel er geen écht recent werk tussen zit). Het probleem van het NTG situeert zich duidelijk niet op het vlak van de repertoirekeuze als zodanig: het wordt pas lastig als de consequenties van zo’n repertoire moeten doorgetrokken worden naar dramaturgische analyse en (dat vooral) acteerprestaties. Of de overvloed van gastregisseurs hierbij stimulerend zal werken is de grote vraag.

Dezelfde moeilijkheid is trouwens aan de orde bij de kleine theaters (C-en D-gezelschappen) die een minstens even ambitieus repertoire samenstellen, meestal met nog hardnekkiger teksten. Zo zie je bij het NET Thomas Bernhards Schijn bedriegt (geregisseerd door Fons Goris), Roger Vitracs Les mystères de l’amour (Gilis/Dehert) en een Medea-project waarin zowel Euripides’ benadering als die van Heiner Müller verwerkt worden door Lucas De Bruycker en Pol Dehert, naast Becketts Catastrophe (Jo Gevers), Ibsens Een Poppenhuis (Pol Dehert), een E.A. Poe-project van Mark Verstraete en ten slotte Jacques Commandeur die, na jarenlang zelf dit stuk te spelen, Hugo Claus’ De Verzoeking voor Doris Van Caneghem regisseert.

Het Brialmonttheater kondigt, vrij verrassend, Mercedes aan van Thomas Brasch, de uit de DDR afkomstige auteur, die o.a. veel bijdroeg aan de Tsjechov-hausse in Duitsland de jongste jaren, door zijn vertalingen. De komst van Mark Steemans naar dit wat zieltogende gezelschap is daar niet vreemd aan.

Bij Malpertuis Tielt wordt de ‘Sprechoper’ van Ernst Jandl, Uit den vreemde (nog zo’n tekst om je tanden op stuk te bijten) opgevoerd (een regie van Horst Mentzel), en Heiner Müllers Kwartet wordt zelfs twee keer geprogrammeerd, nl. door Sam Bogaerts bij de Witte Kraai en door Dirk Buyse bij het BKT. Voeg daar nog Botho Strauss aan toe, bij de Mannen van den Dam (Het Park) en bij het BKT (Kalldewey, farce) en heel de Duitse ‘nieuwe’ lichting is aanwezig in Vlaanderen. Het is natuurlijk verheugend te kunnen vaststellen dat deze schrijvers ontdekt worden en dat men ze aandurft, maar het is bijna zeker, gezien de reputatie van de betrokken theaters, hoe ernstig die ook willen werken, dat deze opvoeringen zullen verbleken bij de quasi-defïnitieve versies van Peter Stein, Claus Peymann en Luc Bondy. Dit is natuurlijk geen argument om het niet te doen, maar de Duitse epidemie vertoont mode-trekjes. In dit verband valt er dan weer wel wat te zeggen voor een ‘eigen dramaturgie’.

Het Vlaamse theater, zoals dat zich op papier aankondigt, heeft veel weg van een video-clip, d.w.z. een verleidelijk stel beelden, waarop enkel poseurs en rookwolken te zien zijn.

Eigenzinnig

Er blijft nochtans ruimte voor een volstrekt eigenzinnige sector. Ivo Van Hove neemt het Gentse Vertikaal over en speelt dit jaar dan toch Marlowes The Massacre at Paris, naast Wilde Heren op tekst van de beat-dichter W.S. Burroughs. Incest en andere vormen van geweld blijven aan de orde van de dag, vermoedelijk. Guy Cassiers pakt Plato’s Symposion, dé erotische dialoog van de antieken (vandaar: platonische liefde) aan, en hij heeft er heel bizarre plannen mee. Acteur Gie Dermul, wiens invloed op HTP’s Scènes/Sprookjes altijd onderschat is, gaat samen met een andere (ex?)HTP-er, Willy Thomas o.a. werken aan Yukio Mishimas Honderdste nacht en Witold Gombrowicz’ Maagdelijkheid. Jan Decleir verlaat Dario Fo en voert Pjeeros Roobjee’s dramadebuut op, Het offer is te kort. Jan Decorte pakt Shakespeares ‘slechtste’ stuk aan, Titus Andronicus, bij HTP, en Paul Peyskens maakt Hommages, zonder meer, bij ‘t Stuc. Bij het NVT staat er o.a. opnieuw een stuk van Luk Van Brussel op het programma, De Slangentros, rond dezelfde impotente (letterlijk en figuurlijk) Jeronimus-figuur uit Vera, Van Brussels knappe prestatie vorig seizoen. Tiedrie speelt Mutaties van een Tibetaanse kikker van de Tibetaan Sherub Uangblii, en De prostituees van Djakarta, gedichten van de Indonesiër W.S. Rendra, beiden geregisseerd door Tone Brulin.

Ik weet niet waar de nieuwe impulsen dit seizoen vandaan moeten komen, en échte verrassingen zullen, vrees ik, in de bovenstaande lijst met relatief vertrouwd klinkende namen niet voorkomen. Ambities genoeg, alleen ontbreekt in het Vlaamse theater een fundamentele professionaliteit, d.w.z. de ernst om deze welluidende intenties waar te maken. Het NET (Arca) en het BKT zijn in dit verband de meest schrijnende voorbeelden, althans vorig seizoen, en bij de anderen zijn er nauwelijks meer garanties. En waar er dan wel radicaal doorgewerkt wordt (bij Peyskens b.v., of bij Cassiers) dreigen er nieuwe mystificaties. Het Vlaamse theater, zoals dat zich op papier aankondigt, heeft veel weg van een video-clip, d.w.z. een verleidelijk stel beelden, waarop enkel poseurs en rookwolken te zien zijn. Vorig seizoen vertrokken de meeste theatermakers, zowel in het ‘burgerlijke’ als in het ‘kwetsbare’ theater, met bijna dezelfde premissen als nu qua repertoire-aanpak. En op enkele schaarse uitzonderingen na verschafte geen van allen mij de ‘broodnodige kick’. Als er niet naar een vaak modieuze buitenlandse conjunctuur gekeken wordt, kijken ze meestal naar hun navel. Daar kan geen RAT iets aan veranderen.

Klaas Tindemans

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#8

15.09.1984

14.12.1984

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!