de redactie

Leestijd 3 — 6 minuten

Redactioneel Etcetera 154

Kritiek op kritiek (II)

Al zeker sinds de romantiek is de ‘verbeelding’ hét handelsmerk van de kunsten. Kunst is in staat om een andere wereld te creëren, daar lijken zowel theatermakers, critici, politici als het publiek het over eens. Maar kan de hedendaagse kunst, in casu de podiumkunsten, dat diepgewortelde verlangen nog wel waarmaken?

In deze Etcetera bevragen enkele auteurs het statuut en het vermogen van de verbeelding. Bojana Cvejić opent haar essay met een harde diagnose: de artistieke verbeeldingskracht is al te instrumenteel geworden. De druk om met antwoorden te komen, maakt dat kunstenaars amper nog de tijd krijgen om een poëtica te ontwikkelen waarin ze hun eigen kunst vooruitdenken. In het werk van Mette Edvardsen ziet Cvejić een tegenvoorbeeld.

Theatermaker Thomas Ryckewaert vraagt zich dan weer af of 
de menselijke verbeelding niet is uitgeput in het licht van de mindblowing ontwikkelingen binnen de kosmologie, artificiële intelligentie en kwantumfysica. Als de werkelijkheid amper nog te bevatten is,
hoe geven we haar dan vorm op het theater? Met zijn Manifest van Gent streeft NTGent-directeur Milo Rau dan weer naar een drastische inperking van de verbeelding van kunstenaars en de esthetische kracht van kunst, menen sommige stemmen in het publieke debat. Sébastien Hendrickx en Joachim Ben Yakoub gingen met hem in gesprek over zijn wens om het theater ‘reëel’ maken.

De discussie over Rau’s vermeende moralisme en hang naar maatschappelijke relevantie resoneert met een breder debat over de verhouding tussen kunst en kritiek, dat het afgelopen seizoen voor veel ophef zorgde. In het kielzog van de opinies over esthetisch seksisme, de blinde vlekken van repertoire en de grenzen van satire, brachten Wouter Hillaert en Erwin Jans ook de (ver)oude(rde) discussie over vorm/inhoud terug onder de aandacht. In rekto:verso trok Hillaert, na een uitstapje naar het Oerol Festival, hard van leer tegen de entertainmentdrang die het Nederlandse theater in zijn greep houdt. De verpakking zou de inhoud verdringen, de dramaturgie en kritische zin zijn buitenspel gezet. Daarop hekelde Erwin Jans in De Wereld Morgen die zogenaamde ideologische blik op de kunsten en sprak over een nieuw moralisme in de kunstkritiek.

Als tijdschrift voor de podiumkunsten kijkt Etcetera deze twist met enigszins vermoeide ogen aan. Onder impuls van enkele levendige maatschappelijke debatten is er inderdaad sprake van een verhoogd politiek bewustzijn in het kijken naar kunst, maar dat gelijkschakelen met een belerend vingertje of een inperking van de artistieke vrijheid 
is veel te eenzijdig. Jans’ terechte pleidooi voor de wederzijdse afhankelijkheid van kunst en kritiek zet hij bovendien jammer genoeg in om een voorstelling te legitimeren die het kritische denken verlamt. Veeleer dan dat JR van FC Bergman het slachtoffer is van een misplaatste ideologiekritiek, is het omgekeerde waar: door de spectaculaire schaal en de ‘semiotische rijkdom’ die de auteur in zijn conclusie verdedigt, lijkt dit theaterevent voor veel mensen verheven boven elke kritiek.

Net zoals Jans in zijn slotbetoog de vormelijke pool prioritiseert, doet Hillaert het omgekeerde voor de inhoud. Hoewel zijn analyse van de Nederlandse podiumkunsten op zich meer dan steek houdt, gaat de conclusie die hij eraan koppelt te kort door de bocht. Hij definieert inhoud in de nauwste zin van het woord: als een politieke agenda, manifest of pamflet. Alsof kunst echt bestaat uit boodschap + strikje. Alsof de dramaturg content voorziet en de kunstenaar het jasje.

In de meeste creatieprocessen is er geen sprake van een vooraf gegeven ‘inhoud’ en een gefixeerde ‘vorm’ die als in een wiskundesom worden opgeteld. Beide ontstaan in een zoekende dialoog met elkaar, waardoor een waardevol kunstwerk uiteindelijk een complexe betekenis communiceert die voorheen nog niet als zodanig onder woorden was gebracht, in een vorm die nog geen contouren had. De verbeelding die voor dat proces nodig is, en waaraan dit nummer een ode is, is meer dan ooit ook aan de orde in (het debat over) de kunstkritiek zelf.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

de redactie

Ciska Hoet, Sébastien Hendricxk, Kristof van Baarle, Natalie Gielen, Charlotte De Somviele

artikel