Alexander Daems

Leestijd 8 — 11 minuten

Reconstructie van een erfenis

Van De Tijd naar de Nwe Tijd

Het was februari 2015 en we waren met Heimat aan het toeren, toen ik van Lucas Vandervost een sms kreeg. Hij vroeg of ik, Suzanne Grotenhuis en Rebekka de Wit eens konden afspreken. Hij wilde over de toekomst spreken, over hoe hij die zag en over hoe wij die zagen.

Drie weken daarvoor had iemand mij ook al gevraagd hoe ik mijn toekomst zag, een vraag die me een maand daarvoor ook al eens was gesteld door nog iemand anders. Ik weet nog dat die vragen me enigszins verbaasden; in mijn hoofd was het nog niet zo lang geleden dat ik op Over het IJ Festival stond met een monoloog waarvoor ik geen enkele producent, coproducent of subsidiënt had kunnen vinden. Een voorstelling waarvoor ik alles alleen had moeten doen. Nu, drie jaar later had ik mensen leren kennen die nieuwsgierig bleken te zijn. Niet alleen naar wat ik nu aan het doen was, maar ook naar wat ik nog zou gaan doen.

Ik antwoordde iedereen dat ik geen haast had, dat ook zonder toekomstplannen alles al snel genoeg ging.

We spraken af op een vrijdagmiddag. Het was 6 februari, ‘s avonds moesten we Heimat spelen in de Arenberg. Het was al bijna donker toen we de repetitieruimte van De Tijd binnenstapten.
Lucas nam het woord en zei dat hij ging stoppen. Dat was het eerste wat hij zei. Niet omdat hij moe was, niet omdat hij artistiek opgebrand was – integendeel – maar omdat hij vond dat het tijd was voor ons om het huis over te nemen. Hij merkte dat de programmatoren die hem dertig jaar hadden gesteund een voor een op pensioen gingen en dat hij onvoldoende het vertrouwen van nieuwe programmatoren kon winnen. Jullie hebben dat vertrouwen wel, zei hij. Hij zei dat De Tijd komend seizoen alleen dankzij ons voldoende speelplekken haalde. En dat – als de situatie zo was – daar consequenties aan moesten zitten.

Ik schrok, dacht aan de voorstellingen die ik van De Tijd had gezien en aan de zovele waarvan ik zoveel had gehouden. Ik hield van zoveel theater niet, maar ik hield van Omdat het niet anders kan, Citytrip en Voor het leven, om er maar drie te noemen. Ik hield van de acteurs van De Tijd, van de onderwerpen, van de zoektocht.

Ik dacht aan alle voorstellingen die Lucas nu niet zou gaan maken. Ik dacht ook aan Dracula, een voorstelling die ik alleen maar had geschreven omdat Lucas me dat vroeg en na elke tekst die ik af had zei dat ik zo door moest gaan.

“Je wilt dan misschien een beetje doorgaan?”, vroegen we. “Eén voorstelling per seizoen regisseren? Samen met ons een nieuwe Tijd vormgeven?”

“Nee,” zei hij. “Ik heb het idee dat de verandering radicaal moet zijn. Ik moet stoppen. Jullie moeten beginnen. Anders verandert er niets.” Hij keek ons aan. “Als jullie willen, is het huis vanaf komend seizoen van jullie.”

Het was inmiddels zes uur en we liepen naar de Arenberg, om half zeven zou het eten daar klaarstaan. Die avond zat ik achterin de zaal en voor het eerst had ik het gevoel dat we de voorstelling aan het ontgroeien waren. Dat ze was gemaakt door twintigers, maar inmiddels gespeeld werd door jonge dertigers. Dertigers die inmiddels zaten met andere vragen en antwoorden.

Na de voorstelling fietste ik naar huis, veertien kilometer buiten Antwerpen.

Ik dacht aan Heimat 2, de opvolger die we zouden maken rond die nieuwe vragen en antwoorden. Ik dacht aan het dossier dat ik daarvoor aan het schrijven was, waarin ik vertelde dat er na een Heimat 2 ook een Heimat 3, 4 en 5 moest gemaakt worden. Ik dacht aan de plannen voor de kindervoorstellingen waarmee ik al een tijdje rondliep. Ik dacht aan So it goes, een voorstelling die ik had kunnen maken omdat daar binnen een werking ruimte voor was. Een voorstelling waarvoor ik geen projectsubsidie zou durven aanvragen, omdat het in mijn ogen geen ‘project’ betrof maar een product, een voorstelling – die moest gemaakt en getoond worden. Ik dacht aan Antwerpen, waar ik al sinds ik hier twaalf jaar geleden kwam wonen een plek mis waar schrijvers en wetenschappers, artiesten en intellectuelen met elkaar in gesprek gaan. Een plek zoals De Balie in Amsterdam. Ik dacht aan de Opkraskuiten, salonachtige zondagmiddagen die ik, Rebekka en Maud Vanhauwaert organiseerden en waarmee we stopten omdat het zonder werking praktisch onhaalbaar leek.

“Wil ik het?” vroeg ik mezelf. Ja, ik wil dit wel. Een eigen huis. Met z’n drieën.

Het was begin april, er waren plannen bedacht, ideeën ontstaan, contacten gelegd met mogelijke partners. We waren gefeliciteerd, aangesproken. We keken elkaar af en toe aan om te zien of we nog samen waren en we schrokken ervan dat dat zo vaak niet het geval was.

Rebekka schreef aan een voorstelling voor Productiehuis Rotterdam en zwoegde op de laatste loodjes voor haar debuutroman. Ze was in de war omdat ze het echt had gemeend dat ze met Presentatie van een ongecensureerd moppenboek haar laatste voorstelling had gemaakt. Nu liep ze rond met dromen voor een huis waarin ze elke maand opnieuw op het podium zou gaan staan. Met elke maand een nieuwe tekst.

Suus was aan het spelen met Ontroerend Goed en schreef aan iets dat een nieuwe monoloog moest worden. Of een film. Of een theaterstuk. (Het wordt waarschijnlijk alle drie). Ikzelf was in Amsterdam en schreef voor Orkater aan mijn eerste kinderstuk.

Het was eind april en Rebekka nam twee dagen vrij van het schrijven aan haar boek. We boekten een ticket naar Londen, waar Suus een maand moest spelen. Toen we aankwamen zat Suus in een binnentuin op ons te wachten. We aten English breakfast. Vier uur later zaten we er nog en aten English lunch. Uiteindelijk stonden we op liepen door een park. Veel meer gebeurde er niet. Behalve dan dat ik het zeker wist – het is met deze mensen of het is niet.

Verschillend in onze talenten, maar gezamenlijk in ons verlangen om met taal iets teweeg te brengen. Een combinatie van intuïtie, hart en hoofd; een combinatie van speler, schrijver en maker. Zowel voor elk van ons als individu, als met ons drieën in één huis. Zoals verschillende strofes van één gedicht verschillen, om uiteindelijk gezamenlijk iets te zeggen.

We dronken pints en te dure cocktails, liepen langs de Thames, aten hamburgers en vroegen ons af: als we de naam veranderen en Lucas stopt, wat is het dan eigenlijk dat we erven?

We erven een huis. Een huis dat is opgebouwd rond de artistieke ambacht en filosofie van Lucas Vandervost. Wij zijn alle drie opgegroeid in die filosofie, die van mensen op een podium autonome sprekers probeert te maken. Tien jaar geleden zaten wij bij hem in de klas en leerden wij van hem het vak. Zoals hij dat zelf leerde van Dora van der Groen. Wij zijn er trots op dat we in die traditie mogen verder denken. Dat we haar levend mogen houden door haar te gebruiken, aan te passen, toe te passen – door ermee te spelen.

We erven ook een huis waar ervaren mensen werken. Waar de afgelopen dertig jaar Vlaams gemeenschapsgeld is geïnvesteerd in goed en duurzaam materiaal. Wij vinden het belangrijk dat al die expertise en materiële waarde niet hoeven te worden weggegooid, maar beschikbaar worden gesteld aan een volgende generatie theatermakers.

Wat we niet (kunnen) erven is de stijl, de inhoud en de vorm van De Tijd. We erven niet Lucas’ manier van toepassing van de filosofie. Die toepassing wordt bepaald door zijn smaak, zijn levensloop. Die vallen niet te erven, enkel te imiteren. Iets wat wij niet kunnen en waartoe wij geen ambitie hebben.

Hoe gaan jullie zich verhouden tot het werk van Lucas, werd er gevraagd. “Niet”, dacht ik.

We gaan proberen ons zo radicaal mogelijk te verhouden tot onszelf. Tot onze ideeën, ons publiek en onze wereld. Ik heb geen ambitie om de oude Tijd te eren noch om me ertegen af te zetten.

Sowieso heb ik nooit echt begrepen waarom ‘zich afzetten’ voor een bepaalde generatie zonder meer een deugd lijkt te zijn. Als ze dat zelf gedaan heeft en het nu nog steeds nodig is, kan je op zijn minst vraagtekens zetten bij de effectiviteit ervan. Daarbij is je afzetten alleen logisch als het gaat om gedwongen banden. Ouders, traditie, religie, een speelstijl desnoods. Of actueler: de klimaat- of kredietcrisis. Maar als je opgroeit in een wereld zonder wortels, staat ‘je losscheuren van een huis’ niet hoog op je prioriteitenlijst. We zweven al lang. We zijn op toevallige plekken geboren en we kunnen even betekenisloos besluiten ergens anders te aarden. We waren het zelf, die op de deuren moesten kloppen waar we binnen wilden. En we klopten daar niet aan omdat we die plekken wilden veranderen of bezetten, maar omdat daar iets gebeurde dat we waardevol vonden. En als we dat niet meer hadden gevonden, of als we hadden gedacht dat die plekken ons zouden beknotten, zou er niemand geweest zijn die ons tegenhield om weer weg te gaan. Aan nooduitgangen en alternatieven geen gebrek. Zowel voor onszelf als voor de instituten.

Dieper graven. Ergens blijven. Ergens voor staan. Een keuze maken, dat is het avontuur dat we willen beleven.

In 2007 maakte ik mijn afstudeervoorstelling onder begeleiding van Lucas. Het ging over kijken. Komt dat zien, bij wijze van waarnemen heette de voorstelling (waarbij – zo herinner ik me nu – ik het eerste gedeelte van de titel had bedacht, hij het tweede).

We toonden schilderijen, lazen teksten voor uit boeken en teksten die we zelf hadden geschreven en steeds opnieuw zeiden we: “Visie: (Van Dale) wijze van waarnemen.”

Niet de filosofie zal verschillen, maar de visie. Niet de analyse, maar het perspectief.

De wijze van waarnemen. Het is het verschil tussen langs een verlaten plek lopen en denken aan wat is geweest of denken aan wat zou kunnen gebeuren. Ruïne of braakliggend terrein. Terugblikken of vooruitblikken.

“Ik weet er te weinig van” was voor Lucas de conclusie van Rebekka’s gelijknamige monoloog. Voor Rebekka is het de beginzin. Dracula eindigde met de zinnen “Waar gaat het over? Het gaat over.” Heimat begint met een scène waarin een achtjarig meisje tot diezelfde conclusie komt, waarna de rest van de voorstelling daarop probeert door te denken.

En eigenlijk cirkelden al Lucas’ voorstellingen de laatste drie seizoen rond dezelfde vraag: “Heeft het zin gehad?”

Dat is een vraag die wij niet kunnen stellen. Wij moeten eerst nog datgene maken waar we later de zin van kunnen in vraag stellen. Wat we wel kunnen zeggen is dat we daar ongelofelijk veel zin in hebben. In dat maken. In dat in vraag stellen. En vooral in De Nwe Tijd.

De Nwe Tijd wil het centrum zijn van het hedendaags persoonlijk teksttheater. Diep geworteld in de stad, toonaangevend in heel het Nederlands taalgebied en met een duidelijke internationale ambitie.

We houden van werk waarin er niet iets wordt gespeeld, maar gespeeld wordt met iets. Met standpunt, richting, inhoud en betekenis.

We houden van werk waarin er met taal een wereld wordt opgebouwd.

We houden van werk waarin de voorstelling zich niet afspeelt op het podium maar in de mentale ruimte tussen de performer en het publiek.

We houden van werk waarin theatraliteit ontstaat door de spanning tussen het reële en het irreële, niet door het irreële zo reëel mogelijk te laten lijken.

De Nwe Tijd wil een kruispunt zijn. Waar literatuur en theater elkaar ontmoeten maar ook artiesten en intellectuelen; het conservatorium en het werkveld; kinderen met een taalachterstand en professionele schrijvers; het gesprek van de dag en teksten van jaren terug.

De Nwe Tijd heeft geen randprogrammering. Omdat niet het theater centraal staat, maar de wereld. En alles wat we maken – van Heimat tot Opkraskuit, van debatavond tot SchrijfSchool – is een persoonlijke en artistieke reflectie daarop.

We houden van het theater als plek. Omdat je daar als publiek gezamenlijk een individuele ervaring hebt en individueel een gezamenlijke.

De Nwe Tijd maakt werk dat persoonlijk is en politiek. Waarin de stem van de enkeling zich staande moet houden in de stroom van de geschiedenis.

We houden van humor en poëzie omdat die ervoor zorgen dat het persoonlijke niet privé wordt en het politieke niet pamflettair. Zowel humor als poëzie hebben de kracht om, zoals Kundera zei, hetgeen ze aanraken ambigu te maken.

We houden van meerduidigheid. Omdat we met de som van de verschillende standpunten de werkelijkheid dichter kunnen naderen.

We houden van weten dat de wereld meerduidig is – maar toch een standpunt innemen. Al is het maar om de som van meerstemmigheid te laten kloppen.

De Nwe Tijd maakt talig werk dat door de verbeelding en interpretatie van de toeschouwer emotioneel en zintuigelijk wordt. Dit levert niet zozeer theater op in de klassieke zin van het woord, maar eerder een theaterervaring. Theater is voor ons in eerste instantie een plek. Een plek waar het rationele emotioneel wordt en emoties inzichtelijk. Een plek waar je als publiek kunt denken: “Ik begrijp het.” Met de euforie en tristesse die daarmee gepaard kunnen gaan.

Vanaf september 2015 leiden Freek Vielen, Suzanne Grotenhuis en Rebekka de Wit De Nwe Tijd, de opvolger van De Tijd.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#142

15.09.2015

14.12.2015

Suzanne Grotenhuis, Freek Vielen, Rebekka de Wit

Suzanne Grotenhuis (°1985) studeerde in 2007 af aan de toneelopleiding van het conservatorium in Antwerpen onder Dora van der Groen. Zij speelde daarna bij De Tijd, de Queeste en Toneelgroep Amsterdam. Met Zwarte Woud Forever maakte zij haar eerste monoloog. Deze werd geselecteerd voor Circuit X en won de Roel Verniers Prijs.

Freek Vielen (Utrecht, 1985) is samen met Rebekka de Wit en Suzanne Grotenhuis artistiek leider van het Antwerpse theatergezelschap De Nwe Tijd. Hij studeerde in 2007 af aan de opleiding Woordkunst in Antwerpen en is aan die opleiding nu verbonden als docent. 

Rebekka de Wit (1985) is schrijver en performer. Ze is artistiek leider van theatergezelschap De Nwe Tijd, columnist bij De Standaard, en schrijver van de roman We komen nog één wonder tekort en de essaybundel Afhankelijkheidsverklaring.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!