Peter Verlinden

Leestijd 13 — 16 minuten

RECHT OP RECHT

Peter Verlinden over de geloofwaardigheid van het Rwanda Tribunaal. De internationale rechtspraak na ‘Rwanda 1994’.

Bijna zeven jaar na de Rwandese tragedie, waarbij zeker één miljoen burgers vermoord zijn, hebben de slachtoffers noch de daders gekregen waar zij recht op hebben: correcte processen. Wat er écht gebeurd is in de ‘100 dagen’ van 6 april tot 9 juli 1994, tussen de moord op president majoor Juvénal Habyarimana en de inname van de hoofstad Kigali door het Rwandees Patriottisch Front (verder RPF) van generaal Paul Kagame, blijft moeilijk te achterhalen. Een eerlijke rechtspraak vooronderstelt echter dat bij het zoeken naar de waarheid verder gekeken wordt dan de gebeurtenissen van 1994. Relevant zijn zeker de inval van het Patriottisch Front in Noord-Rwanda vanuit Oeganda op 1 oktober 1990, en vroeger nog de bloedige overgang naar de onafhankelijkheid in de periode 1959 tot 1962 én de opflakkerende strijd in de jaren zestig. Minstens even belangrijk voor het onderzoek zijn de harde repressie in het Rwandese binnenland na 1994, en de mishandeling van en massamoord op honderdduizenden Rwandese vluchtelingen, waaronder minstens 200.000 gewone burgers in het toenmalige Zaïre. Het Rwandese drama is dus veel meer dan de genocide van 1994. Het gaat om een aaneenschakeling van tragedies die zo goed als alle Rwandese families getroffen heeft. Dikwijls vindt men zowel daders als slachtoffers binnen eenzelfde (ruime) familie. Recht voor alle Rwandezen, slachtoffers en daders, moet dus veel meer omvatten dan het veroordelen van de schuldigen aan de genocide van 1994.

In dit artikel bekijken we hoe de internationale gemeenschap, in casu de Verenigde Naties met het Rwanda Tribunaal in het Tanzaniaanse Arusha, een poging doet om recht te spreken over de misdaden van 1994.

De processen in Rwanda zélf, voor de nationale rechtbanken, komen hier niet aan bod. In de Rwandese gevangenissen wachten volgens officiële gegevens 125.000 beschuldigden van genocide op hun proces. Daarnaast verkommeren tienduizenden gevangenen in onbekende cachotten of militaire kampen. Deze gevangenen zijn er bijzonder slecht aan toe. Volgens het jongste rapport van Amnesty International (april 2000) worden hun fundamentele mensenrechten voortdurend geschonden. Een correcte behandeling is eerder uitzondering dan regel. Tienduizenden weten niet precies op basis van welke beschuldiging ze gevangen gehouden worden. Door een tekort aan magistraten – vermoord of gevlucht in 1994 – en door een tekort aan middelen voor de Rwandese justitie, zowel vanwege de nationale overheid die liever 30 tot 40% van haar budget aan bewapening besteedt, als vanwege de internationale donoren, verloopt de rechtsgang onrechtvaardig traag.

Tot nu toe zijn zowat 2.500 beschuldigden berecht. De meeste van deze processen kunnen oneerlijk genoemd worden, alleen al omdat de rechten van de verdediging niet gerespecteerd werden. Van deze groep werden 370 beschuldigden ter dood veroordeeld. 22 werden er op 24 april 1998 effectief terechtgesteld. 800 gevangenen zijn veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, 500 zijn vrijgesproken, de overigen werden veroordeeld tot kortere gevangenisstraffen. Cynische waarnemers hebben berekend dat het tegen dit tempo een paar honderd jaar zal duren voor alle beschuldigden berecht zijn.

Vorig jaar startte een project met als doelstelling de traditionele volksrechtbanken, de zogenaamde ‘gacaca’, opnieuw in het leven te roepen. Via deze weg zouden de genocideprocessen sneller kunnen gevoerd worden. De Belgische ontwikkelingssamenwerking heeft al laten weten bereid te zijn dat project onder bepaalde voorwaarden, te steunen. Deze lokale tribunalen behandelden traditioneel echter enkel kleine geschillen, bijvoorbeeld rond grondgebruik. Ze zijn niet op de taak voorbereid en kunnen geen rechtvaardig proces garanderen in zwaarwichtige misdrijven als moord en genocide.

Internationale rechtspraak voor Rwanda

Op 8 november 1994 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in New York, met resolutie 955, het Internationaal Strafhof voor Rwanda opgericht, gemakshalve verder het ‘Rwanda Tribunaal’ genoemd. Van cruciaal belang is het eerste artikel van het statuut: het Tribunaal wordt belast met ‘de berechting van mogelijke verantwoordelijken voor daden van genocide of andere schendingen van de mensenrechten op het grondgebied van Rwanda, en van Rwandese burgers die verondersteld worden verantwoordelijk te zijn voor zulke daden of schendingen op het grondgebied van buurlanden (van Rwanda) tussen 1 januari en 31 december 1994’. De aflijning van plaats en periode van de te berechten misdaden is zeer belangrijk. Het regime van het Rwandees Patriottisch Frontheeft nog geprobeerd om uitsluitend een nationaal tribunaal, in Kigali zélf, goedgekeurd te krijgen, dat alleen zou oordelen over daden van genocide. De expertencommissie die in opdracht van de Verenigde Naties dit dossier voorbereidde, stuurde daarentegen duidelijk aan op een internationale aanpak. Meer nog: zij stelde dat beide partijen in het Rwandese conflict ‘misdaden tegen de menselijkheid’ hebben begaan, bovenop de vaststelling dat er duidelijk sprake was van daden van genocide op de Tutsibevolkingsgroep in Rwanda door Hutumoordenaars.

De huidige president Paul Kagame bestuurt Rwanda feitelijk sinds juli 1994 met een politieke, militaire en economische elite die vooral gerekruteerd is onder de paar honderdduizend Rwandezen, en hun even zoveel nakomelingen die sinds 1959 naar de buurlanden Burundi en Oeganda gevlucht waren, en zowat allen behoren tot de Tutsiminderheid. (Ook vele duizenden Tutsifamilies waren naar de Congolese Kivustreek gevlucht, maar die krijgen nu nauwelijks politieke kansen.) Tijdens de eerste jaren van het RPFbewind kwamen vooraanstaande politici, zelfs de president van 1994 tot 2000, uit de Hutubevolkingsgroep, met name uit de politieke oppositie ten tijde van het Habyarimanaregime. Die politieke klasse is intussen zo goed als weggezuiverd. De economische en politieke elite van de Tutsigroep die in de jaren zestig nooit weggevlucht was uit Rwanda, krijgt bijvoorbeeld ook nauwelijks toegang tot de nieuwe leidende klasse. Onder beide (militair gestuurde) regimes van de afgelopen 27 jaar vallen dus grote groepen potentiële politieke én economische leiders uit de boot van beide etnieën. De macht bleef en blijft in handen van een zeer kleine oligarchie, gebaseerd op nauwe familierelaties (de term ‘akazu’, ‘klein huisje’ in het Kinyarwanda, wordt daarbij al eens gebruikt) en/of gemeenschappelijke politiek-militaire belangen. Het behoren tot een bepaalde etnie is daarbij maar één zij het zeer belangrijke factor.

Symptomatisch voor de politiekmilitaire krampen waarmee in Rwanda de samenstelling van een nieuwe leidende klasse telkens weer gepaard gaat, is de vlucht van de intellectuelen. Zo vluchtten de afgelopen jaren opnieuw honderden intellectuelen van Tutsi-afkomst het land uit, onder meer naar België, hoewel zij op het eerste zicht niets te vrezen hebben gezien de leiding van het land ‘in Tutsihanden’ is gekomen.

De erkenning van de misdaad ‘genocide’ was van doorslaggevend belang bij de beslissing van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties om het Rwanda Tribunaal op te richten. De term ‘genocide’ is in het Rwandadossier en in de rechtspraak over de tragedie van 1994 een sleutelbegrip geworden. Omdat ‘genocide’ zo nauw verbonden is met de etnische factor én met de eerste vonnissen van de verschillende rechtbanken over de misdaden in ‘Rwanda 1994’, volgt eerst een meer precieze omschrijving van dat begrip. Volgens de UNO-Conventie over ‘de preventie en de repressie van de misdaad genocide’, met unanimiteit goedgekeurd door de Algemene Vergadering op 9 december 1948, is sprake van genocide ‘als het de bedoeling is een nationale groep, een etnische groep, een raciale groep of een religieuze groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen door: (a) moord op leden van die groep, of (b) een zware aanslag op de fysieke of mentale integriteit van leden van die groep, of (c) het moedwillig onderwerpen van die groep aan levensomstandigheden die haar volledige of gedeeltelijke vernietiging kunnen veroorzaken, of (d) door maatregelen die geboorten binnen die groep tegengaan, of (e) door het gedwongen overplaatsen van kinderen van de geviseerde groep naar een andere groep.’

De omschrijving van de ‘misdaden tegen de menselijkheid’, die het Rwanda Tribunaal ook moet beoordelen, is beperkter en veel eenvoudiger. Het gaat hier om zware misdaden op grote schaal tegen burgers omdat zij behoren tot een bepaalde groep, wat nationaliteit, etnie, ras of religie betreft. Nog uit de oprichtingsakte van het Rwanda Tribunaal dient zeker vermeld dat de precieze periode voor de te beoordelen misdaden (het jaar 1994) bepaald is vanuit de overtuiging dat de aanslag op het vliegtuig van president Juvénal Habyarimana (6 april 1994) de burgeroorlog en de genocide heeft ontketend, maar dat ook de voorbereiding van die misdaden moet kunnen onderzocht worden. Verder zal duidelijk worden dat, bijna zeven jaar later, ook hier elk woord telt.

De zwaarste straf die het Rwanda Tribunaal kan uitspreken is de levenslange hechtenis. De internationale gemeenschap, vertegenwoordigd door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, vindt, in tegenstelling tot de nationale Rwandese rechtbanken, de doodstraf onaanvaardbaar.

De eerste processen

Het Rwanda Tribunaal is bijzonder moeizaam van start gegaan. De Verenigde Naties hebben het Tribunaal impliciet opgedragen om de topfiguren van het Rwandadrama te berechten en de ‘kleine garnalen’ over te laten aan de nationale justitie in Rwanda zélf. Toch bracht de openbaar aanklager eerst enkele lokale leiders voor de rechters. Pas in september 1998, vier jaar na de oprichting van het Tribunaal, werd het eerste proces afgerond: het proces tegen Jean-Paul Akayesu, burgemeester en voorzitter van een plaatselijke afdeling van de oppositiepartij MDR (Mouvement Démocratique Républicain) in Taba, Centraal-Rwanda. Jean-Paul Akayesu wordt onder meer beschuldigd van het aanzetten tot moord op 2000 Tutsi’s in zijn gemeente. Hij heeft echter zijn onschuld bepleit en stelt dat hij in tegendeel alles heeft gedaan wat in zijn macht lag om nog meer moorden door losgeslagen bendes te voorkomen. Zijn basisstelling is dat hij geen vat kon krijgen op de moordende milities. Akayesu heeft levenslang gekregen maar gaat in beroep. Het proces in beroep moet nog beginnen.

Dit allereerste proces voor het Internationale Rwanda Tribunaal was allesbehalve een voorbeeld van smetteloze justitie. Ontsierend zijn de betwistingen over de vrije keuze van een advocaat door de beklaagde, de sterke aanwijzingen dat de getuigen ten laste leugenachtige verklaringen hebben afgelegd, onder druk of tegen betaling. Ook heeft de internationale druk gespeeld, uiteraard aangewakkerd door het nieuwe Rwandese regime, om van dit eerste proces een voorbeeldproces te maken, en dus de zwaarste straf uit te spreken.

Het Rwanda Tribunaal krijgt trouwens af te rekenen met hardnekkige geruchten over corruptie en wanbeheer tijdens zijn eerste werkjaren. Een onderzoekscommissie van de Verenigde Naties heeft in grote mate het manke beleid van het Tribunaal bevestigd en enkele topfiguren werden vervangen. Op zes jaar tijd is het Rwanda Tribunaal aan haar derde openbaar aanklager toe: de Zwitserse Carla del Ponte, die ook openbaar aanklager is voor het Joegoslavië Tribunaal in Den Haag. Zij volgt bij het Rwanda Tribunaal de Canadese Louise Arbour en de Zuid-Afrikaan Richard Goldstone op.

Het proces Kambanda

Pas vanaf 1997 is het Rwanda Tribunaal erin geslaagd om een paar sleutelfiguren van het oude Rwandese regime naar Arusha over te brengen, en werden de toonaangevende processen voorbereid. Van groot belang, en meteen het paradepaardje, werd het proces tegen Jean Kambanda, eerste minister van de Rwandese interimregering die na de moord op president Habyarimana, bij het hervatten van de oorlog en tijdens de genocide en de zwaarste moordpartijen de politieke macht had overgenomen. Jean Kambanda werd pas op 18 juli 1997, drie jaar na zijn vlucht uit Rwanda, gearresteerd in Naïrobi (Kenia). De verdreven eerste minister had nochtans reeds in december 1994 interviews toegestaan in zijn verblijfplaats in Oost-Zaïre en daarin zélf gevraagd om voor het Rwanda Tribunaal te mogen verschijnen.

Tot verrassing van vele waarnemers én van zijn medegevangenen pleitte Jean Kambanda schuldig op de aantijging dat hij medeverantwoordelijk was voor de genocide in zijn land. Op één minder belangrijke beschuldigde na, hadden alle Rwandese beschuldigden tot dan toe onschuldig gepleit. (De Belg Georges Ruggiu, medewerker aan de extremistische Radio Télévision des Mille Collines, pleitte ook schuldig en werd op 1 juni 2000 zonder verder proces veroordeeld tot 12 jaar gevangenschap voor aanzetting tot genocide.)

Jean Kambanda kreeg op 2 oktober 1998 de zwaarste straf toegewezen: levenslang. Dan pas komt de buitenwereld te weten dat ook rond zijn proces zeer veel betwisting bestaat. Jean Kambanda is in beroep gegaan en trekt nu zelfs zijn zogenaamde schuldbekentenis in. Met een uitvoerig dossier wil hij bewijzen dat hij volledig misleid werd door de openbaar aanklager en de onderzoekers van het Rwanda Tribunaal en dat hij geen rechtvaardig proces heeft gekregen. In essentie komt zijn betoog erop neer dat hij, als regeringsleider die op dat ogenblik aan de macht was, wél de politieke verantwoordelijkheid voor de genocide mee op zich wil nemen, maar niét de strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Volgens Kambanda stond de interimregering destijds onmachtig tegen het geweld in het land. Zij kreeg geen vat op de losgeslagen milities en op dat deel van de regeringssoldaten dat niet langer klassieke krijgsdaden verrichtte om het oprukkende RPF te bestrijden, maar koudweg onschuldige burgers, zowel Hutu als Tutsi, begon te vermoorden. In één adem voegt de voormalige eerste minister eraan toe dat ook het oprukkende Patriottisch Front (van de huidige Rwandese president Paul Kagame) medeverantwoordelijk is voor de tragedie van voorjaar 1994. Jean Kambanda wou naast zijn bekentenis over zijn eigen (politieke) verantwoordelijkheid, de ruimte om te getuigen, onder meer over de rol en de verantwoordelijkheid van het RPF. Die ruimte heeft hij van het Rwanda Tribunaal (nog) niet gekregen. Integendeel. De rechters hebben zijn aanvankelijke schuldbekentenis zeer ruim geïnterpreteerd en hem op grond daarvan strafrechtelijk veroordeeld. Verder klaagt Jean Kambanda aan dat hij geen vrije keuze van advocaat had en dat de beloofde bescherming van zijn vrouw en kinderen er niet is gekomen.

Recht op recht?

Het verloop van het proces Kambanda is illustratief voor de tekortkomingen van de internationale rechtspleging over het Rwandese drama. Vooreerst gaat alles zeer traag. Het Internationaal Tribunaal voor Rwanda heeft er bijzonder lang over gedaan om op kruissnelheid te komen. Oorzaken hiervoor zijn o.a. het slechte financiële en personeelsbeheer en het te snelle personeelsverloop van onderzoekers en openbaar aanklagers.

Ten tweede heeft het Tribunaal van meet af aan af te rekenen gehad met druk van het nieuwe regime in Rwanda. Het regime van Kagame legt er zich maar node bij neer dat het Tribunaal niet in Kigali is gevestigd, en dat het voor meer bevoegd is geworden dan voor ‘daden van genocide’. De noodzakelijke samenwerking tussen Kigali en Arusha/Tanzania (de standplaats van het Tribunaal) verloopt moeilijk. Op de kwaadste momenten dreigt de Rwandese regering zelfs met de sluiting van het bureau van de openbaar aanklager, dat zich in Kigalibevindt, of met het weigeren van visa aan de onderzoekers van het Tribunaal. Toch hangt het van die samenwerking af of er ook een degelijke rechtspleging kan plaatsvinden, d.w.z. of de onderzoekers van aanklager én verdediging vlot toegang krijgen tot de Rwandese getuigen ‘op het terrein’, of de veiligheid van die getuigen (tegen en voor de beklaagde) verzekerd blijft, of de (dikwijls westerse) onderzoekers überhaupt op een veilige manier hun werk kunnen doen op Rwandees grondgebied, enz. De openbaar aanklager heeft zich de laatste maanden bijzonder verzoenend opgesteld tegenover het regime in Kigali, op het kruiperige af. Toch wordt het almaar duidelijker dat het dit regime niet in eerste instantie te doen is om een snelle en correcte rechtspraak, maar om de volledige uitschakeling van al wie met het vorige regime te maken had, ook wie géén bloed aan de handen heeft, en dus om de handhaving van zijn macht.

Een derde probleem is dat het Tribunaal bij aanvang alleen enkele lokale machthebbers van voorjaar 1994 heeft aangepakt. En zelfs dan verloopt er bijzonder veel tijd tussen de arrestatie en het begin van het proces. Sommige processen van arrestanten uit bijvoorbeeld 1995 zijn nog altijd niet begonnen. Toen de ‘grote vissen’ dan toch naar Arusha werden overgebracht vanaf 1997 vooral leden van de interimregering uit voorjaar 1994 en hoge militaire functionarissen slaagde de openbaar aanklager er aanvankelijk niet in om voldoende harde bewijzen te verzamelen omtrent hun strafrechtelijke verantwoordelijkheid om de processen te kunnen laten starten. Het voorbeeldproces tegen de eerste minister van die interimregering, Jean Kambanda, is daarenboven zoals aangegeven op een sisser uitgelopen, omdat hij zijn aanvankelijke schuldbekentenis heeft ingetrokken en in beroep is gegaan tegen zijn veroordeling. Het is nu afwachten hoe de volgende ‘grote’ processen zullen verlopen.

Verder heeft het Tribunaal veel aan geloofwaardigheid ingeboet door tot nog toe geen enkel lid van de andere strijdende partij van voorjaar 1994 aan te klagen, het RPF. De meest objectieve onderzoekers in het wetenschappelijke en journalistieke milieu zijn het er ondertussen, na ruim zes jaar, wel over eens geraakt dat ook de huidige Rwandese machthebbers rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor op z’n minst een paar tienduizend moorden op onschuldige burgers in de loop van het jaar 1994. (Daarbij laten we de misdaden door het RPF voor en na het jaar 1994 buiten beschouwing, vermits het Rwanda Tribunaal daarvoor niet bevoegd is). Daarenboven menen toonaangevende analisten binnen en buiten Rwanda dat het RPF zelfs een zekere verantwoordelijkheid draagt voor de moorden door de extremistische milities op de Tutsibevolking. Het Front heeft immers wetens en willens de oorlog hervat terwijl het goed op de hoogte was van de kwetsbaarheid van de Tutsibevolking in het binnenland. Getuigen binnen het Patriottisch Front, die intussen het nieuwe Rwanda uitgevlucht zijn, vertellen dat volgens de toenmalige strategische plannen om na de aanslag op president Habyarimana na enkele dagen het land te veroveren, de dood van enkele honderden Tutsiburgers als aanvaardbaar beschouwd werd. Toen de snelle veroveringstocht niet verliep zoals gepland, heeft volgens die getuigen de leiding van het RPF de Tutsibevolking van het binnenland bewust opgeofferd aan de moordende milities van het oude regime, om koste wat het kost de macht te veroveren. Dat is wel gebeurd, maar slechts 100 dagen en één miljoen doden later. Als deze analyse geheel of zelfs maar gedeeltelijk klopt, is dat van fundamenteel belang bij een eerlijke internationale rechtspleging over ‘Rwanda 1994’, en vooral bij het achterhalen van wat er echt gebeurd is in voorjaar 1994. Maar aan dit soort diepgravende rechtspleging is het Rwanda Tribunaal in Arusha nog lang niet toe.

Een laatste probleem met de rechtspraak van het Tribunaal is dat het principe van het ‘vermoeden van onschuld’, dat cruciaal is voor een rechtvaardige rechtsgang, op dit ogenblik in Arusha weinig gerespecteerd wordt. De moderne rechtspraak is er immers op gebaseerd dat voor de rechtbank bewezen moet worden dat de beschuldigde zich aan specifieke misdrijven heeft schuldig gemaakt. Het kan nooit de bedoeling zijn dat de beschuldigde moet bewijzen dat hij of zij zulke daden niét verricht heeft. Wie op persbezoek gaat bij het Tribunaal (zoals ikzelf in juli 2000), stelt nochtans meteen vast dat in de ogen van de kaderleden van het Tribunaal alle beschuldigden als ‘génocidaires’ beschouwd worden: als schuldigen aan volkerenmoord. Elke nuance daarbij, de overweging bijvoorbeeld dat de waarheid over de Rwandese genocide veel complexer is dan de schuld of onschuld van een paar tientallen beleidsvoerders, wordt daarbij met enige minachting van tafel geveegd. Uit de uitspraken van de rechters en het verloop van de processen blijkt helemaal niet dat zij een ruimer inzicht hebben verworven in het precieze verloop van de Rwandese tragedie van voorjaar 1994. In die zin ook al is het waar dat het Tribunaal nog maar aan de eerste processen toe is blijft dit (voorlopig) internationaal een gemiste kans.

Onschuld? Schuld?

In het Rwandese dossier blijkt het bijzonder moeilijk om dat noodzakelijke ‘vermoeden van onschuld’ staande te houden, zowel voor onderzoeksrechters als voor journalisten en mensenrechten-onderzoekers. Dat heeft wellicht te maken met het trauma dat zowat alle ‘Rwandawatchers’ hebben opgelopen door de gruwelijke moordpartijen van voorjaar 1994.

Flagrante voorbeelden hiervan vinden we dus bij het Rwanda Tribunaal in Arusha, bij de processen in Rwanda zelf waarvan in de inleiding sprake was, maar ook bij de aangekondigde processen voor het Belgische Hof van Assisen(de dossiers Ntezimana, Higaniro, Mukangango en Kizito). Herhaaldelijk zijn deze beschuldigden in de pers en in dossiers van een overigens onbetrouwbare mensenrechtenorganisatie Veroordeeld’ voor daden die zij zelf steevast blijven ontkennen. Het wordt nu afwachten of de volksjury van het Hof van Assisenvoldoende afstandelijkheid zal bewaren om het dossier op zich te beoordelen, en hoe de verdediging die openbare veroordelingen zal gebruiken om de rechtsgang te betwisten.

Hierbij dient ook verwezen naar het onderzoek naar de aanslag op het vliegtuig van president Habyarimana op 6 april 1994, volgens de oprichters van het Rwanda Tribunaal het feit dat de burgeroorlog en de genocide heeft ontketend. Ondanks interessante nieuwe aanwijzingen dat het RPF mogelijk verantwoordelijk is voor die moordaanslag, weigert de openbaar aanklager van het Internationale Rwanda Tribunaal vooralsnog om het dossier te openen. Het argument dat dit onderzoek niet tot de bevoegdheden van het Tribunaal behoort is echter zeer betwistbaar. Het lijkt erop dat ook in dit geval de druk vanuit Kigali té groot is om de confrontatie te wagen.

Cijfers en feiten

Ter afsluiting enkele precieze gegevens over de huidige stand van zaken in Arusha. In totaal behandelt het Rwanda Tribunaal tot nu toe 44 dossiers. Acht processen in eerste aanleg zijn achter de rug. De helft van de veroordeelden is in beroep gegaan en één beroepsprocedure is al afgewerkt. Alle beschuldigden zijn tot nu toe schuldig bevonden en hebben straffen gekregen van 12 jaar tot levenslange opsluiting. Het Tribunaal zelf deelt de beschuldigden in vier categorieën in: de politieke leiders van voorjaar 1994, de militaire leiders, de journalisten, de hoge ambtenaren, en een categorie ‘diversen’ (met onder meer zakenlui, een dokter en een predikant). Drie vierden van de beschuldigden weet nog niet wanneer zijn of haar (er is één vrouw bij) proces zal beginnen. Sommigen van hen zitten al vier jaar in Arusha opgesloten, de meesten twee tot drie jaar.

Hutu, Tutsi, enz.

De Rwandese tragedie van 1994, én de tragedies ervoor en erna, zijn eerst en vooral het gevolg van een gewapend conflict om de macht over Rwanda. Daarbij wordt de etnische factor, het behoren tot de Hutumeerderheid (waarschijnlijk 85% van de bevolking) dan wel tot de Tutsiminderheid (wellicht 15%), door alle partijen als instrument in de strijd gebruikt.

Voor een correcte analyse van wat er in 1994 gebeurd is en van de voortdurende strijd zowel voor als na dat cruciale jaar, is het nodig om steeds de etnische factoren in de context van die machtsstrijd te plaatsen. Daarom worden de betrokken partijen in deze analyse van de rechtspleging over de genocide en de massamoorden van 1994 aangeduid als ‘Hutupartij’ en ‘Tutsipartij’. Zo is het bijvoorbeeld zonder meer fout te stellen dat het verslagen regime van president Juvénal Habyarimana een ‘Huturegime’ was, en het is al te eenvoudig en dus fout het huidige RPFregime in Kigali een ‘Tutsiregime’ te noemen. President Juvénal Habyarimana heeft zijn land 21 jaar lang bestuurd met en dankzij een elite die vooral uit Noord-West-Rwanda afkomstig was. Ze werd in meerderheid gerekruteerd uit de Hutubevolkingsgroep, maar belangrijke raadgevers en vooral economische handlangers behoorden dan weer tot de Tutsibevolkingsgroep. Zelfs de leider van de zo veelbesproken moordende militie Interahamwe, verantwoordelijk voor wellicht vele tienduizenden burgerdoden in voorjaar 1994, was van afkomst een Tutsi. De sterkste politieke – en langzamerhand ook militaire – oppositie binnen het Rwanda van de jaren negentig kwam uit Zuid-West-Rwanda en behoorde in meerderheid tot de Hutubevolkingsgroep. (Voor de kenners: minder dan 1% van de Rwandese bevolking behoort tot de Twa-bevolkingsgroep. Die heeft nooit een rol van betekenis gespeeld bij de politiekmilitaire leiding van het onafhankelijke Rwanda.)

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 13 — 16 minuten

#73

15.10.2000

14.01.2001

Peter Verlinden