Pieter T’Jonck

Leestijd 4 — 7 minuten

Reactie van Pieter T’Jonck

In het vorige nummer van Etcetera opende criticus Pieter T’Jonck een debat over de zin en onzin van de term ‘conceptuele dans’. Bojana Cvejić situeert in haar antwoord (‘Why we love to hate conceptual dance’, Etcetera 95) het artikel van T’Jonck ergens tussen ‘een nauwkeurig opgebouwd betoog en toogpraat’. Haar aanpak leidde ertoe dat T’Jonck opnieuw in z’n pen gekropen is om een en ander recht te zetten.

Beste Bojana,

Zoals ik je onlangs zei, keek ik vreemd op van je reactie op mijn aantekeningen bij Klapstuk #10 en 11 (‘Dans en paranoia’, Etcetera 95, nvdr). Niet omdat ik het oneens zou zijn met de positie die je verdedigt aangaande dans, integendeel zelfs, maar omdat je mij voortdurend dingen in de mond legt die ik helemaal niet geschreven of bedoeld heb.

Je steekt dadelijk van wal met de bewering dat ik de dansvorm in kwestie vind getuigen van ‘onaantrekkelijke zelfreflexiviteit’ et tutti quanti. Waar haal je zoiets vandaan? In de inleidende paragraaf probeer ik enkel een beeld te schetsen van wat er -meestal inderdaad in de vorm van toogpraat- allemaal beweerd wordt over ‘conceptuele dans’. Zelf bestempel ik de term als onbruikbaar en tendentieus. Ik zeg daarom ook meteen, op het einde van de eerste paragraaf: ‘Dit impliceert dat er zoiets als “conceptuele dans” zou bestaan. Dat dient echter nog steeds aangetoond te worden.’ Begrijp: is er wel een sluitende definitie? Verder in mijn artikel stel ik daarom voor om elke poging om tot zo’n definitie te komen voorlopig te vermijden, en heel algemeen over ‘nieuwe dans’ te spreken. Kwestie van de discussie inderdaad niet af te sluiten of onmogelijk te maken. Na alle scheldtirades tegen deze vorm van dans noteer ik bovendien op het einde van de eerste paragraaf dat er een positievere benadering denkbaar is van waar het in ‘conceptuele dans’ om gaat. Misschien is je dit ontgaan, of ben ik iets te ironisch, maar bij nadere lezing zou je toch ook moeten merken dat het die benadering is die mij meer zinvol lijkt. De zin ‘Dat zo’n performance “moeilijk” en “ongenietbaar” zou zijn…’ staat niet zonder reden in de voorwaardelijke wijs.

Iets gemener is het feit dat je zonder veel omwegen stelt dat ik mij tot het kamp zou bekeerd hebben van diegenen die een ‘dominant Modernisme’ voorstaan. Met andere woorden, dat ik dus eerst een ‘paradigma afsluit dat in volle ontwikkeling is’ om zo te beletten dat ‘het dominante discours over dans onder druk gezet wordt’. Waar haal je het vandaan? In het paragraafje ‘De nieuwe definitie: een bewust paranoïde aanpak’ zeg ik letterlijk: ‘In strategische termen kon je het festival (Klapstuk#10 dus) daarom net zo goed interpreteren als een flagrante ontkenning van elke nieuwe definitie van wat het podium al dan niet vermag’. En in de voorgaande paragraaf identificeer ik dat festival met precies het humanisme en essentialisme dat je zelf ook verwerpt. Ik zeg dus nergens dat kunst in het algemeen of dans in het bijzonder iets zou moeten weerspiegelen van wat ons tot mensen maakt. Ik geef met die omschrijving alleen een bepaalde kijk op dans weer die wel mogelijk is, maar die ik zelf op dit ogenblik, in de huidige context allerminst relevant acht, laat staan aanhang. Of heb je niet gelezen dat ik in de voorlaatste paragraaf de hele kwestie verbind met een andere opvatting van het kunstenaarsschap die niet uitgaat van zelfexpressie maar van een open, of zo je wil contingente, vorm van onderzoek? Het is nogal lullig om dan te blijven beweren dat ik het alleen over ’emotie’ zou hebben. Al wat ik beweer is dat ook een niet-modernistische, of niet-humanistische (etc.etc.) manier van kunst bedrijven een bepaalde emotionaliteit of gevoelslading in zich draagt, en wel in die zin dat ook het meest gesofisticeerde discours altijd vertrekt van een eerste intuïtieve ingreep of tijdelijke ordening van gebeurtenissen. Ook in de perceptie van de toeschouwer speelt dat soort dingen. Wat iets anders is dan te beweren dat alleen emotionaliteit zaligmakend is. Dat beweer ik helemaal niet. Binnen het betoog was het echter retorisch interessant om aan te geven dat in een alternatieve definitie van kunst bedrijven emotionaliteit minstens andere oogmerken en effecten heeft dan de emotionaliteit die het verlengstuk is van de idee van zelfexpressie.

Maar goed, op dat ogenblik begint jouw afschrikwekkende binaire machine te werken. Je legt zo ongeveer alles verkeerd uit door telkens stukjes tekst te isoleren en vervolgens in te passen in een hoogst retorisch pleidooi. Dat blijkt bijvoorbeeld uit je snelle definitie van conceptuele kunst. Wat je zegt is niet onjuist, maar zoals je je dan wellicht ook herinnert is conceptuele kunst ook begaan geweest met het onderzoeken van de plaats van de toeschouwer tegenover het kunstwerk, of met andere woorden over de vraag waar het kunstwerk zich eigenlijk bevindt. Met soms merkwaardig theatrale effecten. Bon, dat gebeurt ook in hedendaagse dans, zij het dat de factor lichamelijkheid daar natuurlijk anders en meer aanwezig is. Maar laat ons daar een andere keer een boompje over opzetten.

Een ding moet ik je echter nageven. Bij herlezing viel mij inderdaad op dat het tweede deel van mijn eindconclusie naar toogpraat begint te neigen. Dat heeft met twee dingen te maken. Enerzijds wilde ik met een soort ‘open einde’ andere gesprekspartners uitnodigen hun overwegingen te lanceren. Of dat gelukt is of niet, laat ik in het midden. Anderzijds druk ik hier, wat betreft ‘nieuwe dans’ (o jee, daar gaan we weer) op een wat onbeholpen manier een zekere twijfel uit. Bij al mijn waardering voor wat Bel, Le Roy, Charmatz, en in het verleden Paxton, Rainer en noem maar op gedaan hebben, heb ik af en toe een zure oprisping bij voorstellingen die al te licht koketteren met de mogelijkheden die deze artiesten ontsloten hebben, bijvoorbeeld door op een te gemakkelijke manier een schema in te vullen. Ik vind het resultaat soms gewoon weinig spannend of uitdagend, in welke zin -intellectueel of anders- dan ook. Nu ja, dat geldt even goed voor het dominante model van de dansproductie. Ook daar is 80 % of meer van wat er getoond wordt op zijn minst slaapverwekkend, zo niet ergerlijk. Maar dat is inderdaad geen reden om het kind met het badwater weg te gooien.

En nog iets: ook ik maak mij meer dan eens zorgen over het groeiende anti-intellectualisme dat niet alleen het theater, maar de hele wereld teistert. Kunnen we het ook daar eens over hebben in plaats van te snel met modder te gaan gooien?

Vriendelijke groet,

Pieter T’Jonck

open brief
Leestijd 4 — 7 minuten

#96

15.04.2005

14.07.2005

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.

open brief