Leestijd 2 — 5 minuten

Raad van State reageert op het decreetontwerp voor de podiumkunsten

Onlangs gaf de Raad van State zijn mening te kennen over het ‘ontwerp van decreet houdende regeling van de subsidiëring voor de werking en de infrastructuur van organisaties voor podiumkunsten’. In zijn advies, dat dateert van 22 oktober jl., stelt de Raad dat één en andere bepaling van de ministeriële tekst niet strookt met de artikelen 10 en 11 van de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt, kortweg het cultuurpact (1). De aangehaalde artikelen zien er als volgt uit:

Artikel 10

De regels inzake erkenning en subsidiëring in geld of natura van geregelde culturele activiteiten mogen, naar gelang van het geval, slechts worden vastgesteld krachtens een decreet of een beraadslaging van de vertegenwoordigende vergadering van de overheid.

Bij ontstentenis van dergelijke regels moeten alle toelagen en voordelen het voorwerp zijn van een speciale begrotingspost op naam.

Artikel 11

Wanneer het gaat om erkende instellingen die activiteiten uitoefenen

gericht op de gehele cultuurgemeenschap, bepaalt het decreet dat de financiële tegemoetkoming van de overheden gelijktijdig omvat :

– de subsidiëring van een kern van personeelsleden;

– de jaarlijkse toekenning van een basistoelage voor de werking;

– de subsidiëring op grond van werkelijk gepresteerde activiteiten.

De voorwaarden en de procedure van erkenning worden naar gelang van het geval bij wet of bij decreet vastgelegd.

De opmerkingen binnen het vrij omstandige verslag van de Raad van State kunnen teruggebracht worden tot twee probleemgebieden. De regels in verband met de erkenning vormen het eerste struikelblok; de financieringsmodaliteiten het tweede.

In zijn ontwerp stelt de Minister dat de erkenningsprocedure van de diverse instellingen en projecten nader bepaald zullen worden door de Vlaamse Executieve. De Raad stelt echter, met het cultuurpact in het achterhoofd, dat deze procedures reeds voldoende beschreven dienen te zijn in het decreet zelf. De Staatsraden vinden daarnaast nog dat de erkenning zelf duidelijker dient omschreven te worden.

Deze bezwaren kunnen tamelijk eenvoudig, zonder zware inhoudelijke ingrepen in een aangepaste tekst ondervangen worden.

Anders is het gesteld met het probleem financiering.

Eén van de belangrijke vernieuwingen van het ontwerpdecreet is net de mogelijkheid voor een instelling om de haar toegewezen portefeuille naar eigen keuze te beheren. De Raad merkt in dit verband echter op dat dan de financiële enveloppes opgesplitst moeten worden in weddetoelagen en werkingstoelagen, naar analogie met het huidige theaterdecreet.

Het valt af te wachten hoe het kabinet van de Gemeenschapsminister van Cultuur op het advies van de Raad zal reageren.

Noten

(1) 5.5., 16 oktober 1973.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 2 — 5 minuten

#32

15.12.1990

14.03.1991

RECENT VERSCHENEN

artikel

RECENT VERSCHENEN

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!