Outside eyes uit Iran: Nasim Ahmadpour
Als macht afwezigheid performt [NL]
Nasim Ahmadpour
© Ilias Teirlinck
PUPPY/POPPY (5+) is prikkelend figurentheater over macht en dominantie, waarin een schattig roedeltje performers een verhouding zoekt tot een wispelturige ‘baas’ – een reusachtige, naakte pop. Regisseur Jef Van gestel lijkt er echter voor terug te schrikken het subversieve potentieel van deze figuur én zijn maatschappelijke betekenis volledig in te zetten – de puppy’s pleasen nog net iets te veel.
Too many puppies/with guns in their hands/too many puppies/in foreign lands… Het agressieve refrein van Primus’ progrock-klassieker uit 1990 is een oorwurm, je raakt er moeilijk nog vanaf. Het is omdat het beeld zo effectief is: niets is zachter, schattiger, onschuldiger en naïever dan een jong hondje, terwijl de combinatie met de gewelddadige guns je smeltende hart meteen een trap verkoopt. (‘Puppy’ was voor de Californische rockband een verwijzing naar de Amerikaanse jongens die, met de baard nog in de keel, buitenlandse oorlogen worden ingestuurd.) Ook PUPPY/POPPY van BRONKS en het Mechelse figurentheater DE MAAN balanceert op die unheimische grens tussen onschuldig en pervers. Het verkent het gebied waar slachtoffers daders worden, al durft het dat domein – omwille van de context van jeugdtheater? – niet ten volle te exploiteren.
Het (ook ruimtelijk) centrale gegeven is niet minder dan geniaal. In het halfduister van de zaal ontwaren we midden op de bühne nog net de contouren van een bergachtig landschap, een enorm decorstuk dat zich uitstrekt over de lengte van het platform. Of neen wacht – langzaam wordt het lichter en nu zien we dat de berg rozig is, het is een lichaam, een reusachtig, naakt lijf. Onder de episch aanzwellende soundscape van Joost Maaskant verschijnt voor onze ogen een slapende gigant: zijdelings liggend op één arm, met de rug naar het publiek. De figuur is modulair opgebouwd en abstract vormgegeven (creatie: Katinka Heremans) maar uit het diepe timbre van de snurk- en smakgeluiden valt op te maken dat het om een mannelijk exemplaar gaat. De kinderen gillen, en terecht. Dit is zò eng.
“Zelfs slapend is deze reus gevaarlijk, door het onevenwicht in de verhouding: een gigantische mens, een klein dier. Wie niet oppast raakt achteloos verpletterd.”
Van tussen het rug- en het bilgedeelte werkt zich plots een klein, beweeglijk wezentje op de voorgrond. Het is de eerste puppy uit een roedel van vijf, en allemaal (Kazanga Jonathan Linga, Arne Luiting, John Niyibizi, Andreia Rodrigues, Leila Benchorf) zijn ze even expressief in hun hond-zijn. Stuk voor stuk komen ze van achter of onder hun snurkende baas gekropen. Ze zijn getooid met speelse krulletjes of frou frou’s en ze dragen een leren harnasje, maar het is vooral hun lichaamstaal die er geen twijfel over laat bestaan: dit zijn jonge dieren. Ze krabben zich, buitelen over elkaar, dagen elkaar uit, ontdekken al vechtend/spelend hun kracht en onderlinge verhouding. Dat gebeurt allemaal in een hybride combinatie van dans en acrobatie, waarbij de harnasjes bijvoorbeeld worden gebruikt om elkaar in het rond te zwieren.
Er zit onmiskenbaar ook een seksueel-verkennende component aan hun spel. Op de uptempo technobeat van Maaskant gaan de heupen aan het zwieren, wordt stevig met de asses geshaket. Tussen ‘mannelijke’ of ‘vrouwelijke’ puppy’s wordt – in tegenstelling tot bij Disney’s dalmatiërs – geen onderscheid gemaakt: deze dieren wisselen vrolijk en vrij van rol, ze zijn leiders en dan weer volgers – het zijn queer puppy’s, zo je wil. Tussen het dansen door manipuleren de performers zelf ook de pop, bijvoorbeeld wanneer die aan zijn bil wil krabben of zich in zijn slaap draait. Daarbij ontstaat af en toe een hachelijke situatie: een keer raakt bij dat draaien een hondje gekneld onder zijn reusachtige arm, een ander dier krijgt een klap van Poppy’s grote hand. Zelfs slapend is deze reus gevaarlijk, door het onevenwicht in de verhouding: een gigantische mens, een klein dier. Wie niet oppast raakt achteloos verpletterd. Maar voorlopig wordt die potentiële metaforische spanning niet verzilverd.
Na de zo spannende intro verzandt PUPPY/POPPY immers véél te lang in een vrijblijvend dansfeestje. Zelfs wanneer de puppy’s en masse op Poppy’s rozige buik springen, hem trachten wakker te krabben en te bijten, gebeurt er niets – Poppy reageert niet. De pop is dus toch onschadelijk? Hij laat een scheet – ach lieve God, gun ons één kleutervoorstelling zonder die obligate scheet – en slaapt rustig verder. Even gaan we vrezen dat Poppy helemaal niet zal ontwaken en dat dit letterlijk reusachtige dramaturgische potentieel onbenut zal blijven. Het dansen en springen gaat intussen door (choreografisch advies: Charlotte Goesaert) maar gelukkig spelen de performers voluit naar en zelfs in de zaal, zodat het contact en daarmee de aandacht van de kinderen niet verslapt.
Dan gebeurt het. Plots huilt Poppy, met diepe, wanhopige uithalen, en begint zich op te richten (via de puppy’s, die hem met touwen en spanbanden rechttrekken). Met het ontwaken van Poppy gaat er een hele wereld open (zoals misschien enkel een pop die kan openen): wie is deze man eigenlijk? Waarom huilt hij? Wat is zijn verhouding tot de puppy’s? En tot de rest van de wereld? Jankend van opwinding en aandachtsgeilheid springen de puppy’s tegen hem op. Zijn grote, roze handen strelen hun van opwinding kronkelende lijfjes. En meteen zie je het voor je: een eenzame, zwaarlijvige figuur, in de marge van de samenleving, met enkel zijn honden als gezelschap. En als boksbal. Want Poppy blijkt een baas van zalven én slaan, net zoals er ouders zijn, die voor hun frustratie en verdriet geen ander mikpunt weten dan de onschuldige wezens die het dichtst bij hen staan. Ze strelen je, direct daarna doen ze je pijn. En ze lachen om je angst.
Zo’n baas is ook Poppy. Hij haalt de honden aan, en beschaamt vervolgens hun vertrouwen. Maar nu wordt het interessant, want de puppy’s berusten niet in hun rol als slachtoffer – daar zijn de guns in their hands. Ze overmeesteren de meester, knevelen hem en takelen hem op, onder aanmoedigend handgeklap van de kinderen in de zaal. Waarna het feestje, hùn feestje, kan verdergaan, rechtstreeks onder zijn witte, hangende lichaam – een prachtig en huiveringwekkend beeld maakt Van gestel daar, dat spontaan associaties oproept met wraak, marteling, vernedering. Het kost niet veel moeite om in de overwinning van de bonte bende puppy’s de zege te zien van een diverse subcultuur die eindelijk zijn plek verovert – de bühne is letterlijk leeggemaakt – onder een witte, dominante cultuur. Deze maatschappelijke lijn is wellicht ver van het bed van vijfjarigen maar bij sommige volwassenen zal ze resoneren. Op voorwaarde dat ze door de dikke laag joligheid breken die uitgaat van dans en muziek – het gevoel blijft hangen dat Van gestel de tragiek van Poppy maar ook het onbehagen over de ‘wraak’ van de puppy’s en de subversiviteit van hun anders-zijn niet op de spits heeft willen drijven.
Uiteindelijk kantelt de machtsverhouding opnieuw, tot een plots verrassend harmonieuze liefde tussen Poppy en de puppy’s – honden blijven tenslotte loyale wezens, zelfs tegenover een baas die hen pijn heeft gedaan. Poppy krijgt een tweede kans en de hondjes lijken hem helemaal te hebben vergeven – wanneer hij een van hen streelt, trappelt diens pootje van puur genot. Vredig slapen ze in. Op maatschappelijk niveau wordt daarmee natuurlijk wel de angel uit de kwestie gehaald: hoezo nestelt de onderdrukte cultuur zich uiteindelijk behaaglijk in de armen van de witte dominante cultuur? Met de figuur van Poppy heeft Van gestel goud in handen, maar op de uitwerking zit beslist nog ruis. PUPPY/POPPY is spannend, maar had nog tien keer gevaarlijker kunnen zijn.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.