Esther Severi

Leestijd 5 — 8 minuten

Première: Maria Hassabi

Ondanks de titel was deze voorstelling geen primeur voor het Kunstenfestival­desarts. De New Yorkse choreografe Maria Hassabi stelt wel het gegeven ‘première’ als thema of toestand cen­traal. Bij het betreden van de zaal zie je Biba Bell, Hristoula Harakas, Robert Steijn, Andros Zins-Browne en Maria Hassabi op scène: ze staan, zitten of lig­gen roerloos in een bepaalde pose. De tribune ligt achter hen en is opgesteld op de scène zelf. Ongenaakbaar staren de performers voor zich uit: in hun concentratie merken ze de toeschouwers niet op die om hen heen lopen om plaats te nemen. Eens gezeten op de tribune zie je een leeg vlak, daar waar anders de grote tribune van het Kaaitheater zich uitspreidt. Links en rechts van het speel­vlak bevindt zich een metershoog raster met een aanzienlijke hoeveelheid spots waardoor de scène baadt in het licht en je de vele voetafdrukken op de zwarte balletvloer opmerkt: het spoor van de toeschouwers op weg naar hun zitplaats.

Het geheel van de voorstelling is een uitgerekt moment, dat eerder een toestand dan een verloop beschrijft: met minimale bewegingen verlaten de performers hun eerste positie en gaan langzaam over naar een volgende. Hoewel de groepsconstellatie nooit echt doorbroken wordt, valt op dat de performers heel individueel bewegen. Er is geen interactie met de anderen. De kernbeweging is de draai rond de eigen as, de som van het geheel zorgt voor een draaibeweging van de groep als geheel. Op de gezichten van de performers is concentratie, vermoeidheid en pijn te lezen. De minimale bewegingen ver­ raden een maximale inspanning om de positie een tijd vast te houden en er dan weer uit los te komen. Bewegen laat zich hier beter omschrijven als ‘shif­ten’: het verplaatsen, verleggen of ver­schuiven van het lichaam of bepaalde lichaamsdelen. Ook de ogen van de performers draaien mee: het ritme van verschuivingen brengt iedere performer ertoe op zijn eigen tempo het publiek aan te kijken. Maar die plotse, prie­mende blik voelt als een breuk: vanuit een haast mechanische onverschillig­heid, die geïnstalleerd werd van zodra de toeschouwers de zaal betraden, is er ineens contact met het publiek, dat weer verdwijnt wanneer een volgende verschuiving plaatsvindt.

Ook geluid en licht zijn onderhevig aan het ritme van de voorstelling. De geluidsscore bestaat uit niet meer dan een zuinig geplaatste, versterkte ruis, het getik van een gedoofde spot of een kort fragment van een melodie. Het geluid van de verschuivingen zelf, het contact van lichaam, schoenen en kleding met de vloer en het geluid dat uit het publiek komt is des te meer aanwezig. De lich­tintensiteit neemt enkele keren af en weer toe, tot het licht aan het einde plots uitvalt, op het moment dat de perfor­mers terugkeren naar hun beginpositie. Wanneer het licht weer aanspringt voor het applaus bevinden de performers zich nog steeds in die roerloze positie, zodat de toeschouwers – net zoals bij het be­treden van de zaal – langs de performers heen de zaal verlaten.

Een première is een eerste contact met het publiek en volgens Hassabi daarom een moeilijk, fragiel moment. Het creatieproces dat voordien in een afgesloten ruimte plaatsvond, komt tot een publiekelijk eindpunt, er ontstaat een te consumeren ‘product’. Het tonen van de creatie wordt bij Hassabi de inhoudelijke bouwsteen van de creatie zelf in die zin dat de performers voort­durend zichzelf tonen. De voorstelling bestaat uit een afwisseling van poses waarvan de moeizame ontwikkeling symbool lijkt te staan voor het fysieke werk dat een creatie is, en misschien ook voor de problematische verhouding tussen performer en publiek op het moment van de presentatie: een verhou­ding van verschillende verwachtingen.

Het minimale karakter van de handelingen en de ontwikkeling van de voorstelling als toestand in plaats van verloop roept in eerste instantie een reeks beelden en interpretaties op. De evolutie naar pose of beeld en daar weer van weg doet denken aan een proces van bevriezen en ontdooien. Het intense licht en de warmte die dat licht genereert versterken die idee. Net zoals smeltend ijs tegelijkertijd traagheid en snelheid in zich bergt – het langzame smelten tot de druppel plots naar be­ neden valt- zijn de bewegingen van de dansers bij momenten haast onmerk­baar klein, tot ineens blijkt dat hun positie veranderd is.

Vertraging of verstilling kan gezien warden als een abstractie van tijdsver­loop, waarvoor het verloop van dag en nacht als beeld verschijnt. De afwis­seling in de positie kan staan voor een denkbeweging over de concrete tijd heen: een ‘shift’ is dan een verandering in ‘state of mind’, opvatting of levens­wijze. Het eindbeeld, de terugkeer naar de beginpositie, is de schakel naar een statement over tijdsbeleving: het gevoel van eindeloosheid, dat er geen tijd en alle tijd tegelijk is, waarin alles eigenlijk doelloos en betekenisloos wordt. Het risico van deze voorstelling is bijgevolg dat de toeschouwer in zijn zoektocht naar betekenis verstrikt raakt in clichés.

Dat Première een moeilijke zit is werd duidelijk toen verschillende toeschou­wers de zaal verlieten, over de scène en langsheen de performers.  Hoewel in het nagesprek werd benadrukt dat de performers een openheid tegenover de toeschouwer beogen, dat ze hem willen uitnodigen ruimte te geven aan zijn eigen ervaringswereld tijdens de opvoe­ring, heeft deze voorstelling, bewust of onbewust, een extreem dwingend karakter, waarin het statement over tijdsbeleving en verstilling een moralis­tische dimensie krijgt.

Volgens Andros Zins-Browne is Première geen installatie omwille van de duidelijke theatersetting en de gemarkeerde frontaliteit aan begin en eind. Robert Steijn nuanceert: deze voorstelling refereert we!aan de open­ heid voor reflectie zoals in een galerie of museum. Er lijkt hier in de intenties van de makers verwarring op te duiken over de parameters van de black box en de white cube, in die zin dat de voorstel­ling een geforceerde poging is om die twee te verenigen. Resultaat is dat de performance in theorie openheid en contact voorstaat, maar in feite hermetisch en kil is. In het ongenaakbare ‘laisser faire’ van de performers zit tegelijkertijd de uitsluiting van hen die niet willen ingaan op de uitnodiging. Waar in een galerie de toeschouwer zijn eigen beweging in relatie tot reflectie kan kiezen, wordt de toeschouwer bij Hassabi gedwongen de rit uit te zitten. Zo niet moet hij in het volle licht van tussen het publiek klauteren en de zaal verlaten, een keuze waarrond nadruk­kelijk een negatieve atmosfeer wordt geïnstalleerd. Zo lijkt de voorstelling een testcase waarin niet zozeer het fysieke uithoudingsvermogen van de performers maar wel het intellectuele uithoudingsvermogen van de toeschou­wers wordt getest. Is dit het keurslijf waarin conceptuele tendensen in de hedendaagse dans verzeild zijn geraakt?

Première is tegenstrijdig omwille van de onduidelijke intenties van de makers. Na de voorstelling zinderen flarden van interessante denkpogingen na, steeds onderbroken door een gevoel van ergernis. Waar ligt voor een concept de grens om zich in een interessante vorm te vertalen? Wanneer is de doorgedreven, consequente uitvoering van een concept arrogant? De ongenaak­baarheid van het geheel is zo kil dat het lijkt of een werkelijke artistieke ‘drive’ ontbreekt. Dat hier verstilling wordt geboden tegenover onze door snelheid bezeten maatschappij is bovendien zo’n veralgemeend idee dat enige nuance op zijn plaats is. Verstilling en hyper­bewuste tijdsbeleving – thema’s die als een lijn door het programma van het Kunstenfestivaldesarts lopen – en de wisselwerking tussen tweedimensiona­liteit (atbeelding) en driedimensiona­liteit (beweging), leveren vaak verrassende en interessante voorstellingen op. Première mist echter de nodige gelaagd­heid om stereotiepe interpretaties te overstijgen.

www.mariahassabi.com

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#137

15.06.2014

14.09.2014

Esther Severi

Esther Severi werkt als dramaturge in het Kaaitheater, en is docente aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen.

recensie