© Franky Verdickt

Première (8+) – BRONKS & compagnie barbarie

Hoeveel bogen maken een cirkel?

Met Première brengt compagnie barbarie een voorstelling over ‘altijd opnieuw beginnen’. Prikkelende insteek voor een (jeugd-)theatergezelschap dat al meer dan 20 jaar op de planken staat. Het verlangen naar een frisse start is dan ook een universeel herkenbaar gevoel voor oud én jong, meent de compagnie. Maar waar gaat deze voorstelling écht over?

Laten we beginnen bij het begin – of beter: bij het eerste begin, nog voor het échte begin. Alvorens de voorstelling van start gaat, ligt de scène er overheersend leeg en overheersend wit bij. Drie identieke panelen staan aan elkaar geschakeld op de achtergrond. Ze vormen het blanco canvas voor wat komen zal. Eén centrale staande lamp beschijnt het wachtende speelveld. Geheel volgens de conventie kondigt het doven van dit licht de aanvang van het stuk aan. Dan schallen een paar diepe bonken door de speakers en begint vervolgens op de tonen van Max Richters Four Seasons een oranje-achtige ronde lichtvlek uiterst traag het witte achtergrondscherm op te glijden. Een rookmachine links op scène mimickt een voortschrijdende wolkenzee. Het tafereel lijkt recht uit Kubricks 2001: A Space Odyssey gegrepen. Als symbool voor het begin van elke nieuwe dag openbaart deze ‘zonsopgang’ een nieuwe wereld op scène.

Lang blijft dit schouwspel echter niet duren: abrupt stopt de muziek en wordt alle oranje gedimd – enkel het rookgordijn blijft hangen. Voor het eerst verschijnt één van de acteurs met een bord in de handen: het leest ‘Scène 1’. We zijn dus terug naar af. Begeleid door ge-boom-bap en jazzy pianotonen komt Sarah Vangeel als kunstenaar het podium op. Slapstick-gewijs zoekt ze naar de beste werksetting: bij elke vingerknip hult het speelveld zich telkens in een nieuwe kleur en met veel gebaren zet ze de randen voor haar canvas op het middelste witte paneel uit.

Net als ze aan haar kunstwerk wil beginnen – ze houdt een dikke kwast met blauwe verf op – ontploft een kartonnen doos vooraan op het toneel. Ook deze scène moet terstond wijken voor alweer een nieuwe.

De panelen worden verschoven en de belichting is kil. Wind raast ijzig door de luidsprekers. De rook is nu geen wolken- maar een sneeuwlandschap. Met krakende voetstappen betreden de warm ingepakte Amber Goethals en Liesje De Backer het podium. In ver-Zweedst Nederlands verbazen ze zich over het gladde ijs – ‘Der ies es gleet, joh!’. Het is een grappig spel dat, net wanneer de twee figuren door het ijs dreigen te zakken, alweer door een nieuwe ‘Scène 1’ wordt vervangen.

Opnieuw verandert het licht. De blauwe verfvlek die de kunstenaar achterliet, krijgt een lijst en vooraan wordt een burgerlijk salon ingericht. Twee figuren – dieven – zoeken iets. Uiteindelijk vinden ze het in de salontafel: het is een ei. Ook deze scène stopt net voor de dieven door de bewoners van het huis – klagend over het feit dat ze, na 20 jaar huwelijk, constant in herhaling vallen en dus in cirkels draaien – worden betrapt.

“Gaat Première over het verlangen naar een nieuw begin of toch vooral over de keerzijde van die medaille: de angst voor het einde, de schrik om niet meer relevant of fris te zijn, om alles al gedaan, gezegd, gespeeld te hebben?”

Première start dus als een theatrale jukebox. Gedurende vier openingsscènes zet compagnie barbarie de grote lijnen van wat zal komen uiteen. Ze doen dat geheel volgens hun eigen alfabet: met veel kleur, veel humor en veel zin voor dramatiek. Doordat het elk einde van elke ‘Scène 1’ onafgewerkt in het ijle laat hangen, kent Première een zeer sterk begin – of meerdere sterke ‘beginnen’.

Ook bij de vijfde ‘Scène 1’ voelt het nog steeds alsof het stuk nu écht van start zal gaan. De witte panelen komen nu nog meer naar voren en Francis Geeraert neemt vooraan centraal zijn plek op het podium in. ’Dit is het begin,’ deelt hij het publiek mee. Hij benoemt hoe ze hem voor de eerste keer zien, hoe ze zijn stem voor de eerste keer horen. Hij benoemt hoe er voor alles een eerste keer is – Première is trouwens ook zijn eerste première – en hoe niets ooit in het midden begint: begin, midden en einde als drie onverzoenbare hoedanigheden. Zijn monoloog wordt echter onderbroken door Lotte Vaes. Ze maakt hem streng duidelijk dat vandaag over ‘het einde’ niet zal worden gesproken. Elk afsluiten wordt taboe. ’Vandaag gaan wij alleen maar beginnen,’ zegt ze. Vaes spoort Geeraert dan ook aan om zijn hele tekst opnieuw te hernemen. Op betuttelende wijze geeft ze hem cues: dat hij moet articuleren, dat hij zich aan zich tekst moet houden, of hij die schoenen echt de hele voorstelling gaat aanhouden…

Reeds 20 jaar maakt compagnie barbarie jeugdtheater. Francis Geeraert staat echter voor het eerst met hen op het toneel. Hij staat symbool voor de frisse wind waar de compagnie met deze voorstelling naar lijkt te verlangen. Toch benadert het viertal Francis op scène nooit met fascinatie of nostalgie, maar eerder met iets van nijd. De stiefmoederlijke toon waarop ze hem telkens terechtwijzen, werkt dan ook heel verwarrend. Doorheen de voorstelling bekruipt me meer en meer de vraag: waar gaat het hier echt over? Gaat Première over het verlangen naar een nieuw begin of toch vooral over de keerzijde van die medaille: de angst voor het einde, de schrik om niet meer relevant of fris te zijn, om alles al gedaan, gezegd, gespeeld te hebben?

Doorheen Première lijkt zich dan ook een ander narratief te ontspinnen. Het voelt alsof de voorstelling initieel een andere voorstelling was: één over de groeipijnen van volwassenen – een thema dat voor kinderen fundamenteel ontoegankelijk is – en alsof het daarom tot iets anders moest worden omgevormd, gezien het medium van compagnie barbarie het jeugdtheater is. In de aankondigingsteksten wordt deze onderlaag, deze fatalistische ondertoon netjes weggewerkt – op scène lijkt ze echter wel door te schemeren.

Niet alleen inhoudelijk-thematisch voel ik tegenstrijdigheid, ook dramaturgisch detecteer ik soms losse eindjes. Meermaals wordt door de acteurs benoemd hoe ze voelen dat de voorstelling in cirkels draait. Enkele continu wederkerende motieven moeten dit idee demonstreren. Vaak worden zinnen letterlijk herhaald en daardoor scènes bijna integraal hernomen. Ook ‘de lente’ komt meermaals als thema doorheen Première naar boven. ‘Het ei’ speelt eveneens een hoofdrol en komt in alle mogelijke hoedanigheden doorheen het stuk terug. Er worden met andere woorden doorheen de hele voorstelling boogjes gelegd… maar meerdere bogen vormen nog geen cirkel. Soms schieten de verwijzingen dan ook alle kanten op. Zo horen we bijvoorbeeld op meerdere momenten muzikale snippets, die allemaal op één of andere manier naar beginnen verwijzen. Denk aan Drake’s ‘started from the bottom, now we’re here’, of Queen’s ‘don’t stop me now’. De muzikale intermezzo’s gebeuren echter zodanig willekeurig en zijn zodanig diffuus, dat ik me afvraag wat ze écht aan het geheel toevoegen.

De slotscène is een laatste verwoede poging om de cirkel toch rond te maken. Echter is elk beëindigen van een stuk dat slechts steeds opnieuw wil beginnen een hachelijk paradoxale – onmogelijke? – onderneming. Wanneer de vier acteurs zich voor de laatste keer op het podium begeven, kondigt onheilspellende muziek niet veel goeds aan. Ze spelen dat ze vissen, tot iets van bovenaf hen allemaal in de ban neemt. Het lijkt alsof een enorme komeet op de visvijver afstevent. En natuurlijk, net voor de echte inslag, stopt het stuk.

Terwijl ik ergens hoopte op de frictie van een oneindig einde of een eindige oneindigheid, van een vals einde dat zichzelf niet is, is de voorstelling nu overduidelijk gedaan. Met dit abrupte ‘einde’ schrijft deze slotscène zich in de sequentie van beginscènes in – en zo lijkt het alsof alles opnieuw zou kunnen herbeginnen. Maar een open einde sluit een cirkel niet. Maar ‘het einde is altijd een teleurstelling’, had één van de acteurs eerder zelf al gezegd – waardoor het allemaal wel best te relativeren valt. 

Want vooral het hoge entertainmentgehalte van de hele voorstelling maakt heel veel goed. Ondanks de losse eindjes is Première kostelijk amusant. Eén scène in het bijzonder blijft me helder bij. Ergens halverwege de voorstelling komt plotseling een wals opzetten. Eén voor één komen de vier ‘barbaries’ dansend als bloemen het podium op. Ze dragen groene catsuits en paarse of gele vuilzakken als blaadjes op hun hoofd. Ze lijken één voor één te verwelken tot Francis – verkleed als bospaddestoel – ze water en terug leven geeft. De acteurs dansen en bewegen kinds, ietwat ongecontroleerd en ongeregeld op – of eerder naast – de maat van de muziek.

Het genre van het schoolfeest wordt hier tot volwaardige kunst verheven. Dat is grappig én slim, maar ook symbolisch, vooral omdat de zaal vol kinderen zit. Even wordt de wereld van volwassenen en kinderen helemaal op z’n kop gezet. Voor heel even zijn oud en jong, fris of grijs, kip en ei, eind of begin dan toch weer helemaal inwisselbaar.

Tot mei op tournee.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#178

15.12.2024

28.02.2025

Tilde De Vylder

Tilde De Vylder is architecte en filosofe. Ze is ook mede-oprichter van atelier tilafolie en safe(r) space collectief LEDA.collective.

Dit artikel maakt deel uit van: Dossier: Theater Aan Zee 2025

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!