‘Cataract’ – De Trust / Raymond Mallentjer

Roel Verniers

Leestijd 6 — 9 minuten

Postkaart uit een instelling

Roel Verniers over Cataract van Rainald Goetz, waarmee De Trust tien jaar Duitstalige dramaturgie afsluit.

In een uitgave van de Krieg-trilogie staat een zwartwitfoto van auteur Rainald Goetz. Genomen op het schrijverscolloquium in Frankfurt, een goede tien jaar geleden. Goetz las er één van zijn teksten voor, althans, hij begon ermee, maar sneed toen met een scheermesje in zijn gezicht. De foto is onmiddellijk daarna genomen. Zijn gelaat houdt het midden tussen opluchting en ‘kijk-nu-eens-al-dat-bloed!’ Wanhoop en woede, frustratie en de onmogelijkheid de wereld te vatten, het lag ongetwijfeld allemaal aan de oorsprong van zijn daad. In zijn uitdrukking verder onmacht, als pijnlijk gevolg. De handen uit elkaar en een bijna verontschuldigende trek rond de mond.

Kort nadien liet Goetz zich opnemen in een psychiatrische instelling waar hij zich de gebruikelijke ‘isolatiefoltering’ bijna liet welgevallen. Cataract brengt verslag uit. Een stand van zaken zoals je vanuit de kinderkolonie een postkaart opstuurt richting thuisfront: ‘Alles goed, veel spelletjes en lekker eten.’ Een aangrijpende monoloog die zich langs het geheugen van een uitzonderlijke figuur slingert.

Er zijn voorstellingen waar je onmiddellijk na afloop liever niet over praat. Het enige waar ik lange tijd na het zien van Cataract kon opkomen was het wonder van acteur Lukas Dijkema. Hoe die de anderhalf uur durende tekst, met zijn voortdurend pendelende logica tussen ‘enerzijds’ en ‘anderzijds’, ooit in zijn hoofd heeft kunnen krijgen. Het zo mogelijk nog grotere wonder van zijn spel.

Af en toe voel je dat het voor een acteur, en bij uitbreiding een heel gezelschap, noodzakelijk is dat stuk te spelen en wel zó! Dat zijn dan de sterke momenten die de toeschouwer voor de rest van de avond en lang daarna de mond snoeren. Dat De Trust er meestal in slaagt dergelijk effect bij de toeschouwer te bereiken, heeft misschien te maken met de manier van werken van het ‘geleid collectief’. Pas na uitvoerig wikken en wegen, doorpraten en argumenteren, beslist de groep om een tekst al dan niet te spelen. De stem van de acteurs en de stempel van Boermans, altijd is er een samenzang en een wrijving tussen die twee. En het spel vormt dan een bonte aaneenrijging van details waarbij alle mogelijke theatrale hulpmiddelen worden aangewend. Snorren, pruiken, pissen en (eraan) ruiken, altijd in functie van dat alomtegenwoordige levensgevoel: er is geen zin. Een hoog tempo, een lijfelijke energie en een perfecte timing. Bijna als in een blijspel. Maar de ernst waarmee gespeeld wordt is zo groot dat het lachen grondeloos wordt. Humor om van te janken. Een plezier om naar te kijken.

Vertoont het gezicht van Dijkema al enige gelijkenis met dat van Vincent van Gogh, dan zeker ook de dwang en bezetenheid waarmee hij doorheen de tekst raast en het wonder van de mens aanschouwt. In elf naadloos aan elkaar gelaste hoofdstukken spreekt hij zich door het leven heen. Of omgekeerd. Het leven klopt en sluipt langs de thema’s die de oude man in een instelling als een curator van een ietwat vreemd museum tentoonstelt. Vriendschap en seks. Ziekte en christendom. Inzicht en bloemen aan het eind. De natuur als wasverzachter voor het keurslijf van het leven. Het geweld dat Goetz’ vorige werk zozeer kenmerkte, heeft (schijnbaar) plaats gemaakt voor bezinning, verwondering en plezier.

Krampen

In 1992 speelde De Trust Koliek, het laatste deel van de trilogie Oorlog. Een reusachtige poging om de complexiteit van de gedachtewereld van een man aan de grenzen van het denken in een soort van verkrampte gelijktijdigheid weer te geven. Geklemd tussen de woorden ‘hersens’ en ‘sterft’ wordt een wetenschapper teruggeworpen op zijn eigen Ik. Een onoplosbare oefening: het geweld dat dergelijk denken met zich meebrengt, kan zich enkel keren tegen diegene die de woorden aan elkaar lijmt. Het hoofd van de man, verzopen in liters alcohol, krimpt en explodeert dan ook onder de dwang van de taal die per uitstoot een geladen revolver tegen het voorhoofd duwt. Je ziet de spreker in zijn eigen talige web stikken. Een verstommend effect. Het beklemmende gevoel dat je je in de positie van de vetgans bevindt: een trechter in de strot en slikken zonder stoppen. Wachtend op het eind.

Goetz schrijft zijn teksten als muziek. Koliek heeft alleen maar woorden, nauwelijks zinnen, laat staan een klassiek verhaal. Een bouwdoos van zelfstandige, aanwijzende, bepaalde en onbepaalde voornaamwoorden die de vraag naar de zin van het bestaan nog het meest dwingend uitdrukken. Gevolg daarvan is de curve die de tekst op het blad nalaat. Alsof het blad de monitor is waar de auteur de toestand van zijn leven aan toevertrouwt. Of, zoals Boermans in het voorwoord van Oorlog zegt: ‘Men moet de teksten van Goetz eigenlijk een kwartslag draaien. Zodoende krijgt men zicht op de grafieksgewijze uitslag van de regellengtes. (…) Dit zo verkregen beeld lijkt in Koliek op de registratie van de menselijke hartslag.’ Het blad als monitor dat elke hapering, elk kloppen, maar vooral elke woede-uitbarsting nauwkeurig registreert. Het laatste woord dan, op het laatste blad: ‘sterft’. De enige oplossing. Elk denken dat zijn eigen Ik met de loep bestudeert, kan zich alleen maar branden en de verhoopte antwoorden schuldig blijven. De wetenschapper gaat ten onder aan de centrale uitspraak: ‘Er is teveel Ik in mij.’ Toen ik de tekst las en herlas, leek mijn ritme met het zijne samen te vallen. Slikken, zwelgen, boeren… als het laatste blad dan eindelijk gekeerd is, zit je met een maag vol woorden die één na één tot ontploffing komen en waarvan de uitslaande dampen de stembanden verlammen. Het enige wat je dan nog kan is huilen. Om de pijn die Goetz moet kennen. Een pijn die je zelf ook vermoedt maar zelf nooit wil herkennen.

Staar

Cataract, het laatste deel van de trilogie Festung, verlegt het zwaartepunt. De hartslag gaat nog snel, maar de naald slaat minder tilt. Het Ik dat in Oorlog nog zo fataal aan de ketting trok en wanhopig een uitweg zocht voorbij de taal, is hier een medereiziger geworden die onderaan de postkaart van daarnet het obligate hartje tekent. De vragen blijven gesteld, en nog steeds blijft het antwoord ergens hangen tussen stembanden en keel, maar de wanhoop heeft plaats gemaakt voor verwondering. Plezier in het spel van het gevoerde discours: ‘Ik zit (te) diep in mezelf.’ Was Koliek de ontploffing in het aangezicht, dan heelt Cataract de wonde, min of meer. Dan pleistert Cataract de littekens met zacht helende vingers.

De oersterke want extreem eenvoudige enscenering van Theu Boermans heeft weinig nood aan illustrerende decorstukken. Een ziekenhuisstoel, een nachtkastje en een lamp. Het volstaat ruimschoots, want met Staar doelt de van opleiding geneeskundige Goetz op een oogziekte die door een vertroebeling van de lens elk contact met de buitenwereld uitsluit. De ogen van Dijkema. Ik heb mij ongeveer een half uur afgevraagd waarom de man zijn publiek niet aankeek. Waarom zijn ogen kil waren, bijna blauw-wit als van wolken. De man is blind. Afgesloten van het sociale zoals wij dat kennen. Wat hem rest is de achterkant van de oogbol. Een virtueel museum als blik op de wereld. De innerlijke dialoog is het enige alternatief. Relatieve rust dus. Al hetgeen Goetz tien jaar geleden in zijn omgaan met de dingen zo razend maakte, hem zo verwoestend deed schoppen en spuwen kan door de muren van de psychiatrische instelling niet langer via de blik zijn weg naar de hersenen vinden. Wat rest is de douche van de taal. Het woord cataract heeft ook een tweede betekenis: grote waterval…

Sluiting

De Trust is er altijd van uitgegaan dat het in de toneelspeelkunst om taal gaat. Een ander uitgangspunt is het besef van de zinloosheid van het bestaan. Het leven is niets meer dan wat biologie waar je hooguit verwonderd naar kunt staren. Je kan ertegen vechten, je kan schoppen en verwoestend uithalen naar de dingen rondom, maar vaak tegen beter weten in. Het enige wapen dat je ter beschikking hebt, keert zich meer dan eens tegen je.

De Duitse dramaturgie van de jongste jaren – verhevigd in de drieschaar Schwab, Ernst en Goetz – heeft de utopie en de ontoereikendheid van de taal steeds onderkend. Maar er was geen houden aan. Ze moesten schrijven. Ondanks zichzelf. Schwab heeft zich ondertussen dood gedronken, Ernst heeft niet meer gesproken sinds hij zichzelf in Faust tot verstomming schreef en ook de taal van Cataract is nu enkel en alleen nog tegen zijn auteur gericht. Ze komt overigens uit niets anders meer voort en is als dusdanig niet langer een wapen. Veeleer een medicijn dat verzachting brengt, een (onvolkomen) mens fundeert en creëert. Als troost. De monoloog verstomt dus op zijn beurt het geweld, dempt de kreten van kritiek, kondigt een wapenstilstand af in de oorlog van het verzet. Het offer dat Goetz met zijn ‘isolatiefoltering’ brengt, is meteen ook een offer dat het toneel als strijdtoneel voor maatschappelijke discussie enigszins afzwakt. Goetz kiest – en wie zal het hem ooit kwalijk nemen? – een beetje voor zichzelf. En zo wordt Cataract een sluitstuk van tien jaar Duitstalig repertoire.

Het gezelschap heeft onderhand echter reeds een andere lijn uitgestippeld in zijn zoektocht naar maatschappelijk relevantie. Als vanzelf zijn ze uitgekomen in het Engelse taalgebied waar tien jaar tatcherisme een nieuwe generatie auteurs heeft doen opstaan. ‘Een generatie die zich weet te onttrekken aan de traditionele Engelse toneelvormen en de ontwrichte maatschappij waarin ze zijn grootgebracht, blootlegt.’ Aldus Boermans. Een repertoirevernieuwing maar dus geen eind. Veeleer een voortzetting van wat Goetz al zei: ‘De strijd gaat door, overwinning of dood.’ Waarna hij prompt zijn gezicht openhaalde.

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#61

15.10.1997

14.01.1998

Roel Verniers

Roel Verniers (1973-2011) was een Vlaamse auteur en columnist. Ondermeer in De Standaard publiceerde hij een aantal jaar lang toneelrecensies.