De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
© Bieke Depoorter
Delphine Hesters brengt een reeks portretten van gulzige toeschouwers zonder professionele band met de podiumkunsten. Via een gesprek over hun traject speurt ze naar wat hen telkens weer naar het theater voert, welke plaats theater of dans innemen in een mensenleven en welke geschiedenis zich ontplooit in de persoonlijke terugblikken en reflecties. Fotografe Bieke Depoorter levert het beeld.
‘Vroeger was gewoon zot.’ Isabelle Dierickx heeft er haar agenda van 1994 bij gehaald, slaat hem open en loopt de avonden van een willekeurige week af: ‘“dans Marc Vanrunxt”, “eten bij Xaveer en Catherine”, “opening tentoonstelling”, “Tim Berne”, “film”, “dans”, “dia’s”, “een trouwfeest”, “Fred Frith, Fukkeduck/Theaterzaal”, “Interieur” op maandag – er was constant iets te doen! En op woensdag ging ik zelf dansen. Ik denk dat dit jaar het meest extreme was. Dat heb ik niet meer nodig, nu. Ik ben blij dat ik dat gehad heb.’ Ze lacht wanneer ze haar laatste woorden hoort naklinken – net een oude vrouw! De honger en de drang om niets te missen mogen vroeger dan al groter geweest zijn, de kunst is vandaag nog altijd even vanzelfsprekend aanwezig in haar leven. Net zoals ze in haar studententijd in het Citadelpark tussen kot en leslokaal even verdween in het Museum voor Schone Kunsten, springt ze nu nog wel eens binnen in een van de Gentse musea. Het groepje vrienden (waaronder haar zus en haar boezemvriendin My riam) waarmee ze sinds het prille begin kunstencentrum Vooruit aandeed voor muziek, dans en theater is nog min of meer hetzelfde gebleven – hoogstens is het uitgebreid.
Mijn moeder was altijd zeer geïnteresseerd in alles. Ik moet dat wel van haar hebben. Ze wordt nu 84 en is nog altijd erg nieuwsgierig. Het is fantastisch om zo’n moeder te hebben, zo boeiend. Ik heb ook altijd veel willen weten en zien. Input krijgen uit muziek, kunst, theater, dans, architectuur, de wereld. Ik reis ook heel graag. Uit algemene interesse in wat op deze bol gebeurt. Mijn moeder komt uit een kunstminnend nest. Haar broer, mijn oom en dooppeter, is Dan Van Severen. Mijn grootvader was huisschilder en schilderde thuis ook. Theater was er bij ons van kindsbeen af. Mijn vader was 25 jaar voorzitter van de theaterbond in Hamme, Voor god en de evenmens. Die waren best goed, hoor – ze deden jaarlijks mee aan het Landjuweel. Mijn vader was daar veel mee bezig. En dus ging ik ook, in de weekends.
Mijn grote droom was in het buitenland gaan werken. Eigenlijk wou ik antropologie studeren, maar daarvoor moest je eerst sociologie doen en dat interesseerde mij niet. Antropologie of archeologie. Aan biologie heb ik ook nog gedacht, en aan architectuur. Uiteindelijk ben ik met geneeskunde begonnen, want ik wou naar de tropen. Maar na driejaar studies dacht ik: ‘Dit is echt niets voor mij.’ In de vakantie na het derde jaar liep ik stage in de kliniek en dat lukte niet. Ik was daar te gevoelig voor. Ik ben een paar keer onderuit gegaan, terwijl er zelfs geen bloed aan te pas kwam. Gewoon omdat de mensen afzagen. Uiteindelijk is het architectuur geworden. Geen evidente keuze, mijn vader was er kapot van. Hij was ingenieur, maar werkte als architect en dat gaf hem niet zoveel voldoening. Het verdiende ook slecht, zeker in de jaren dat ik studeerde. Maar hij heeft mij laten doen en ik ben daar heel tevreden mee. Architectuur is ook ruim: maatschappij, kunst,… Het is heel omvattend, dus daarin komt alles mooi samen.
Le Corbusier is voor mij erg belangrijk geweest. Dat klinkt misschien cliché, maar ik kan het niet ontkennen. Ik heb architectuur gestudeerd in de tijd van het postmodernisme. Kun je je het voorstellen, met die boogjes en die kolommetjes? Ik dacht: ‘Shit, wat is dat hier?’ Vreselijk. En die leraren vonden dat allemaal goed. Toen was ik blij dat ik vóór die studies al zoveel gezien had van Neutra, Mies van der Rohe, Frank Lloyd Wright, Le Corbusier. Als tiener haalde ik die boeken uit de bibliotheek en ik vond ze fantastisch. Uiteindelijk heb ik mijn thesis aangegrepen om veel te lezen en te schrijven over Le Corbusier. Wat hem zo bijzonder maakt is het feit dat hij universeel is. Mies van der Rohe vind ik ook fantastisch, maar Le Corbusier heeft ook dat poëtische. Strak, maar tegelijk ook menselijk. Hij heeft ook inspiratie gehaald bij andere culturen. Die man was niet opgeleid als architect, maar hij is veel gaan reizen en heeft bijvoorbeeld in Algerije de platte daken gezien, en de manier waarop mensen die gebruikten. De eenvoud, alle decoratie weg… In die tijd had ik dat nodig, om te blijven geloven in die dingen. Stéphane Beel heeft nooit meegedaan met dat postmodernisme. Ik dacht: als ik ergens wil gaan werken, is het wel daar. En zo is het gegaan.
Dans boeide mij het meest. Misschien omdat ik zelf graag danste? Die eerste jaren van onze studies gingen wij in het weekend nog naar huis. Ik kende een fantastische plek in Hamme, een oude cinemazaal die omgebouwd was tot café en waar je goed kon babbelen, maar waar je ook kon dansen, met schitterende muziek. Ik danste zelf ongelooflijk graag, dikwijls tot ’s morgens vroeg, om dan om negen uur ’s ochtends te gaan schilderen in de academie. Dat was zo’n drive, ik had dat nodig! Het was in de jaren van de geneeskunde, de tijd dat ik mij afvroeg of dat nu wel iets was voor mij. Ik moest absoluut naar Hamme om te schilderen en te dansen. Dans is ruim, het omvat zoveel. Klassieke dans, daar hou ik niet van; het Ballet van Vlaanderen is niet aan mij besteed. Maar in hedendaagse dans zit vaak al een stuk theater en een extra dimensie… Die gevoeligheid die erbij dans is vind ik heel belangrijk, net als de combinatie met muziek. Ik heb ook gewoon het gevoel dat er in dans meer gebeurt. Ik heb tot nu toe veel minder theater gezien dan dans. Ook in mijn herinnering blijft er het meest over van dans.
Ik merk dat ik vooral beelden overhoud, zelfs bij de stukken die ik van toneel meedraag. Ik herinner mij nog een van mijn eerste stukken: De apologie van Socrates met Julien Schoenaerts, in de Sint-Baafsabdij in Gent. Een fascinerend gebouw met een oud dakspant en dikke stenen muren. Wij zaten allemaal in een rechthoek, op banken, in de koude. En Julien Schoenaerts liep in het midden, tussen ons. Dat is een beeld dat bijblijft. Was dat in een theater getoond, dan zou het nog steeds goed geweest zijn, maar het zou nooit zo’n impact gehad hebben als daar. Het was bijna alsof je deel werd van die jury die hem ter dood veroordeelde. Wat ik me ook nog goed herinner is Aï-Amour van Carlotta Ikeda. Vroeger schreef ik alles op. Nu schrijf ik gewoon ‘dans’ in mijn agenda. Van die voorstelling van Ikeda heb ik zelfs nog een schets teruggevonden -de vloer was helemaal in wit en zwart. Of een andere: De eenzame weg van Het Zuidelijk Toneel. Ik weet niet meer waarover het ging, maar dat decor herinner ik mij perfect. Een zwart podium met een grote houten schijf, daar schuin op geplaatst, als een doorgezaagde boom. En daarop werd gespeeld. Het was een decor van Jan Versweyveld. Ik heb van hem nog decors gezien waarbij ik dacht: ‘Amai, da’s een goeie scenograaf.’
Toen Vooruit open ging in ’82 gaf dat een extra dimensie aan de stad. Ik herinner mij vooral nog de Vooruit Geluid festivals, in het begin dat ik werkte. Daar ging ik tien dagen heen; elke dag zat ik daar. Ik ben eigenlijk vooral beginnen kijken na mijn afstuderen, vanaf de jaren negentig. Ik vraag mij nu wel af, die eerste jaren… Als Vooruit in ’82 begonnen is, dan heb ik er zeker in de jaren tachtig al wat stukken gezien. Vooruit was al die tijd fantastisch, het was niet enkel het café dat zo heerlijk was, dus ik moet in die acht jaar studies heel wat gezien hebben. Maar vraag mij niet wat – dat is nu wel heel lang geleden. Rosas danst Rosas, dat moet in die eerste jaren geweest zijn. Ik heb zoveel dans gezien, maar ik herinner mij ook muziek. Die periode dat de Knitting Factory uit New York naar hier kwam, zo vernieuwend! Jazz, niet de grote namen – die had ik al genoeg gezien, zelfs Miles Davis in Antwerpen – maar jonge mensen die op kleine schaal iets nieuws deden. Wat ik heel leuk vind aan Vooruit is dat de programmatic heel breed gaat -er staan zowel grote namen als onbekenden. Ze zoeken echt in Vooruit, er heerst daar hebben een immense dynamiek. Dat is altijd zo geweest.
Hoe meer je ziet, hoe minder verwondering er optreedt. Met reizen is dat ook zo. Ik heb nog jaren reizen begeleid in het Midden-Oosten. Ik herinner me reizen met mensen die nog nooit buiten Europa geweest waren en bij hen was alles pure verwondering. Je raakt dat kwijt en dat is verschrikkelijk jammer. Maar tegelijkertijd komt er ook wel iets anders voor in de plaats. Dat gevoel van Tk ben tevreden dat ik hier ben, ik voel mij goed, ik ken het hier’, een thuisgevoel. En dat is net zo interessant. Iets gelijkaardigs geldt bij theater, wanneer je stukken ziet waarbij je vroeger ‘waw’ zou zeggen, terwijl je nu bedenkt dat ze eigenlijk maar oppervlakkig zijn. En dat is zelden zo bij de eerste stukken die je ziet. Na een tijdje kan je dat oppervlaktelaagje eraf doen. Eigenlijk moetje ervoor beducht zijn, je mag die verwondering nooit helemaal kwijt raken.
Mijn partner is Jemeniet. Ik wil hem dingen leren kennen, maar het is aftasten. Babel van Sidi Larbi Cherkaoui vond hij geweldig. Er mooi was dat mensen van alle kleuren op scène stonden. En ook weer dat decor, met die metalen elementen, waar ze de toren van Babel mee vormden en mee speelden. Maar ook de humor. Ik weet dat wij gelachen hebben, maar dat er net zo goed ook stukken inzaten om te wenen. En die betrokkenheid bij het maatschappelijk gebeuren. Hoe Sidi Larbi dat brengt, met beweging en toneel, dat is schitterend. Mijn partner komt uit Jemen, een compleet andere cultuur. Hij is moslim, en in Jemen bestaat er enkel traditionele dans. Het is zo jammer dat die landen zo weinig vernieuwen. Ik wil hem dingen leren kennen. Soms vindt hij het heel goed, soms vindt hij er niets aan. Babel vond hij dus goed. Of Bruno Belträo, die Braziliaanse dansers op rapmuziek zet.
Het is zo’n verrijking. Sommige dingen zijn duur. Bij Vooruit valt het nog mee, maar soms zijn er toch voorstellingen die redelijk wat geld kosten. Vijfentwintig euro, daar kan je wel al wat mee kopen. Maar dan ga ik toch liever naar iets wat eenmalig is, maar wat hier, in het hoofd, blijft nawerken. Soms blijft er helemaal niets hangen. Maar zelfs een slecht stuk vind ik niet verloren. Het is zoals reizen: eens die reis voorbij is, is dat geld ook weg. Maar het leven is meer dan tastbare dingen alleen. Voor mij is het veel belangrijker input te krijgen, te ervaren, te voelen, te ruiken. Zelfs boeken koop ik minder en minder. Wat heb je er aan om al die boeken te hebben? Hebben is veel minder belangrijk dan beleven.
Leeftijd: 48
Studies: architectuur
Job: architect bij Beel & Achtergael Architecten
Daarnaast: was reisbegeleider verre reizen en nu nog reisleider voor architectuurreizen van Art Travel en geeft occasioneel een cursus bij Amarant over Jemen
Zou als ze opnieuw kon kiezen het volgende studeren: antropologie Familiale situatie: samenwonend, geen kinderen
Spreekt: Nederlands, Engels, Frans en Arabisch
Drinkt na de voorstelling graag: een biertje of een glaasje wijn
Favoriet theaterhuis: Vooruit
Favoriete choreograaf: Sidi Larbi Cherkaoui
Zou mocht ze de kans krijgen Sidi Larbi Cherkaoui het volgende vragen: ‘Wat hem het meeste bezighoudt, wat zijn drijfveer is om die stukken te brengen.’
Zou graag volgende voorstelling nog eens terugzien: Aï-Amour van Carlotta Ikeda
Had graag over dit talent beschikt: ‘Ik zou nog wat creatiever willen zijn, meer verbeelding hebben. Wat intuïtiever zijn.’
Een voorstelling om naar uit te kijken dit seizoen: Duister Hart van Toneelhuis/Josse De Pauw
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.