Wim Van Gansbeke/ Filip Claus

Wim Van Gansbeke

Leestijd 7 — 10 minuten

Portret van de recensent als provocateur

Vlaanderens meest spraakmakende recensent, Wim Van Gansbeke, heeft de pen neergelegd. Etcetera publiceert zijn afscheidsrede, integraal.

Dames en heren,

Begraven kom ik de recensent, niet hem prijzen. Het kwaad dat deze lieden doen leeft na hen voort, het goede valt meestal zelfs nog voor hun gebeente aan de vergetelheid ten prooi. Zo weze het ook met deze.

Verwacht van mij bij dit, mijn definitieve afscheid van recensie en kritiek dan ook geen grote boodschap. Die heb ik enkel ‘s ochtends, een kwartier na het opstaan, in één van mijn kleinere privé-vertrekken.

Nobele wilden beweren dat de recensent ambitieus is. Stel dat dit waar is, dan is dat behoorlijk fout. Maar er is niet eens een paradox voor nodig om die bewering te ontzenuwen. Ze heft zichzelf op vanuit het absurde en via een contradictio in terminis. Ambitie is immers – kan niet anders zijn – dan een niet aflatend streven naar het hogere, het hoogste, de volmaaktheid, zowel in het goede als in het kwade, zolang het leven duurt en zo mogelijk met verlengingen in het tijdeloze. Indien de recensent ambitie had, dan was hij kunstenaar geworden, niet meer of niet minder. Geen dramaturg want dat is – zo weet ik inmiddels – regelrechte slavenarbeid. En al helemaal geen theaterdirecteur want dat beroep vereist dat je kunst met monopoly weet te verzoenen. Je hebt de leiding van een knekelhuis. Het spijt ons u te moeten melden dat de kunst overleden is aan een slepende verzoening.

Indien de recensent ambitie had in de sociale betekenis van rijkdom, macht of publieke waardering, dan was hij handelaar, politicus of barman geworden. Je wordt tenslotte wat je wil als je onnadenkend genoeg bent om het te willen en ambitieus genoeg om het te worden. Evenwel: het zal eenieder duidelijk zijn dat de paden rijkdom, macht en publieke waardering, in verband gebracht met de recensent, ons nergens toe leiden. Voor wat de rijkdom aangaat, behoeft dat hopelijk geen nadere uitleg. Alle verhoudingen in acht genomen zijn de leden van Thersites èn hun collega’s niet-leden – en ik reken mezelf nog even tot beide categorieën – net als de schutspatroon onder wiens naam ze de theaterkritiek hopen te bevorderen – niet veel meer dan een om een gemeenschappelijke allesbrander geschaarde groep schooiers, meestal in dienst bij de heer en mevrouw Peachum zelf.

De macht van de recensent is een verzinsel van lijders aan vervolgingswaan, die hun nerveuze aandoening voor een vorm van kunst houden en de ermee gepaard gaande spasmen voor een vorm van expressie. Macht wordt de recensent enkel toegedicht door lieden die niet weten dat, naar het woord van Oscar Wilde, het enige verband tussen kunst en natuur een goed gemaakt knoopsgat is, en hem ongewenst geschonken door diegenen die de rits van de recensie dichthalen om de kunst niet te hoeven zien. En om van publieke waardering te kunnen gewagen is er, vind ik, meer nodig dan het handvol familieleden, die niet eens weten waar het om gaat – maar wat niet weet niet deert en eigen volk eerst -, vrienden, die het goed menen maar het slecht uitdrukken en zonderlingen die misschien wel begrepen hebben waar het je om te doen was maar het vergeten zijn.

Nee, met die maatschappelijke betekenis van ambitie komen we er niet. Terug dus naar de ideële en – waarom niet? – de ideologische. Die ons regelrecht naar de contradictio in terminis voert.

Idee en ideologie enerzijds, ambitie anderzijds, het zijn natuurlijke vijanden. Kunstenaar word je uit genialiteit, waaruit visie voortvloeit, dramaturg word je uit vermoeidheid, directeur uit verveling of tijdgebrek.

Recensent word je uit roeping. De recensent is de man of de vrouw, die niets wilde worden. Hij of zij wordt geroepen. En gaat. Ambitie is uit sterker stof gemaakt. En roeping impliceert op zijn minst twee dingen: een geroepene is per definitie een moralist en een moralist is strijdbaar. Niet eens zozeer vanuit zijn overtuigingen, zoiets houdt de rechtgeaarde moralist er nauwelijks op na. Nee, hij is het vanuit zijn wezen. En als hij al overtuigingen zou koesteren, dan zijn het deze: voor de kunst en tegen de kunstmatigheid, voor de zorg en tegen de nalatigheid, voor de droom en tegen de wetmatigheid, voor het beeld en tegen de schetsmatigheid, tegen de keer en voor verwatenheid, voor het zoeken maar tegen vergaren, voor het vinden maar tegen bewaren, voor het rukken en tegen het knikken en voor de dronkenschap maar ook voor het hikken.

U merkt het, ik begin te ijlen. Dat doen geroepenen wel vaker, zelfs wanneer ze hun roeping aan de wilgen hangen, misschien wel precies daarom.

Ik zou hier een pleidooi houden voor de strijdbaarheid van de recensent. Ik heb alles gezegd, behalve dit ene: de recensent dient te spreken over wat hij weet, te weten waar hij het over heeft en positie te kiezen. Niet in de loopgraven maar in het schootsveld van de kunst, niet met de witte vlag van de neutraliteit maar met de provocerende Marianne-muts.

De essentie van recensie is provocatie, zonder dewelke de kunst aan hartvervetting sterft.

De recensent, hoor ik wel eens, stelt zich aan als de politie van de kunst. Natuurlijk, DE POLITIE IS UW VRIEND!

Sei ruhig, bleib ruhig, mein Kind! In dürren Blättern säuselt der Wind.

Want vriendschap is het, die de recensent dient te drijven met alle implicaties vandien: het goed menen en het slecht uitdrukken of vice-versa. Maar ook met alle ambiguïteit vandien. Twee zielen huizen immers in zijn borst: Brutus en Antonius. Both honourable men. Is this ambition? Die ambitie, waarover ik het nog niet had? Want dat is het dilemma van de recensent: hoe de kunst te provoceren zonder in haar plaats te gaan staan? De recensent dient er – wat hij ook doet en hoe hij ook te keer gaat -van doordrongen te zijn dat de man, die niets wilde worden, zichzelf veroordeeld heeft tot een tweedehandse bezigheid. De verbeelding van de kunstenaar, die hij zelf niet bezit, heeft hij nodig om het ergens over te kunnen hebben. Hij is de leenman van de kunst, die toeziet op haar welvaart maar haar niet bezit. Het is in deze tweedehandse tijd niet onnut daar even op te wijzen, zoals Günter Grass het provocerend deed in zijn dankrede bij de uitreiking van de hem toegekende Grote Literatuurprijs van de Beierse Academie van Schone Kunsten. Hij noemde het “de dictatuur van het secundaire” en “de frivolisering van de hedendaagse cultuur”. De vertaalde tekst ervan verscheen recent in De Morgen. Grass wijst op het overhand toenemende verschijnsel van het consumeren van boekenbijlagen in plaats van het lezen van de boeken zelf, het gretig kennis nemen van de biografie van een schrijver zonder één bladzijde van zijn oeuvre op te slaan. Het is zoals recensies lezen zonder ooit naar het theater te gaan. Ik zou ook niet meteen weten hoe dat te verhelpen want als de recensent één ambitie moet hebben is het die dat de inhoudelijke, analytische en stijlkwaliteit van zijn recensies en de taalverbeelding, die hij erin ontwikkelt, van een niveau zijn dat de rijkste kunstenaarsverbeelding – zij het schroomvallig – poogt te benaderen of althans niet beschaamt, ongeacht of het om superieure dan wel om wezenlijk minderwaardige voorstellingen gaat. In het laatste geval mag schelden ook, als het maar terzake is en enige oorspronkelijkheid in gehanteerde constructie en jargon niet schuwt. Laat hij daarbij echter bedenken dat hij weliswaar naar de kunst mag reiken maar zich tevreden zal moeten stellen met het kunstAMBACHT. Hij had maar iets moeten willen worden! Recensie is beslist niet self-sufficient, laat staan self-fulfilling. Dat ze evenmin selfsupporting is heb ik eerder al meegedeeld. Het pragmatische ambacht van de recensent bestaat enkel bij de genade van de essentie van kunst: de utopie. Misschien is de recensie zelf wel een utopie en de recensent een fictie. Zo hij ze al niet was is de recensent, zoals u weet, inmiddels al een fictie geworden. Maar ik heb hier zijn testament, dat ik alleen open omdat u zo aandringt. Dit laat hij u na: “De recensent-criticus als niet aflatend bestrijder van middelmatigheid, geborneerdheid, smaldenken, imitatie en pretentie in denken en handelen, die voorgeven kunst te zijn. Als gunner van het recht op mislukking bij oprechte en avontuurlijke pogingen. Als zijn eerste zelfcriticus. En als onvermoeibaar verdediger van het grenzeloze avontuur van de geest, dat als enige die ware kunst kan baren, die uiteindelijk – waar alle hoop is opgegeven – misschien toch nog de wereld zal moeten en kunnen redden.” Einde citaat.

Blijkbaar vond hij dat achteraf bekeken zelf nogal bombastisch, pathetisch, bij de haren getrokken en te dicht aanleunen bij een verwerpelijke, van provocatie gespeende communis opinio. Weshalve hij daar, in de geest en de terminologie van uw schutspatroon Thersites, dit codicil aan toevoegde:

Ik spreek tot u van over ‘t graf,

gij, bende koddebeiers

– zowel het koren als het kaf –

gij kwijlende kletsmeiers.

Gij, broeders van het groot fatsoen,

gij, lijkbidders en papen,

ik heb met u niets meer vandoen:

den Here kent zijn schapen.

Ik spreek tot u, die om ter hoogst de haan staat na te kraaien, bleekschijters van de laatste oogst op roof in mijn schapraaien. Gij, lang van stof en kort van geest, hier ligt nog wat te rapen: ik keer mijn kont en laat een veest. Den Here kent zijn schapen.

Ik spreek tot u zoals het hoort, azijnpissers en kwenen, schurftkoppen die mij hier aanhoort, gij, volk van lange tenen. Ik wens u toe per testament dat gij, op apegapen, krepeert alin een hoerentent: den Here kent zijn schapen.

Ik spreek tot u en spuw mijn gal, gij, stinkdieren en luizen, dat ze uw smoel afdruipen zal tot op uw snertwambuizen. Gij, die me vrijheid hebt ontzegd, gij kunt straks rustig slapen:

‘t zwaard in uw strot tot aan de hecht. Den Here kent zijn schapen.

Ik spreek tot u, schijndeftig schuim, gij, aasgieren en ratten, kwatongen, waterhoofden, kruin van krengen, kankerwratten; aardappelbuiken, stukken spek, eens rukken mijn satrapen de tong uit uw verrotte bek: den Here kent zijn schapen.

Ik spreek tot u, gij klootjesvolk, gij achterlijke bende, gij, kudde koeien die men molk, gij, ezels die men mende. Wentel u in uw eigen stront, dan kunt gij verder stinken. Ik lach me rot onder de grond: wie dorstig is moet drinken.

Ik spreek tot u met mijn respekt, landlopers en rabauwen; het lied is uit voor mij, reeds strekt de duivelsmoer haar klauwen. Gij, hete wijven die ‘k bereed, kom, laat u niet verlinken: de rok omhoog en in uw reet. Wie dorstig is moet drinken.

Ik spreek tot u, gij galgenaas,

geslacht van stoere knapen,

die zich door ‘s konings wacht de kaas

van ‘t brood niet lieten kapen:

hang alle dienders in een strop,

verpakt als blinde vinken

en trek ze naar ‘t hiernamaals op:

wie dorstig is moet drinken.

Ik spreek tot u, gij arm gespuis, vertrapten en misdeelden, gespijkerd aan het hongerkruis door wie de winst verdeelden: plet de bloedzuiger tot hij scheurt, vil hem zonder verpinken en zuig zijn bloed dan op uw beurt: wie dorstig is moet drinken.

Ik spreek tot u, gij bedelaars,

u mocht ik gaarne lijden,-

gij schooiers, pooiers, vedelaars,

zingt gij nu mijn getijden;

de beker vol met malvezij

om op mijn graf te klinken

en schenk dan nog eens in voor mij:

wie dorstig is moet drinken.

Ik spreek tot u die bij mij zat –

in de allerlaatste stonde

‘k stuur u vanuit het hellegat

wat balsem voor uw wonden. Bespaart mij rouw en droefenis, voor mij geen lijkparade, bedenkt alleen als gij mij mist: verlies is nog geen schande.

Dames en heren, begraven kwam ik de recensent, niet hem prijzen. Het kwaad dat deze lieden doen leeft na hen voort, het goede wordt zo dadelijk gecremeerd en sito presto op de achter mij liggende strooiweide verspreid.

Bij deze: het weze zo!

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#46

15.10.1994

14.01.1995

Wim Van Gansbeke

artikel