‘Portrait’ © Richard Duyck

Leestijd 7 — 10 minuten

Portrait

Thomas Ryckewaert/Wolff

Thomas Ryckewaert maakt theater dat voortvloeit uit een hechte samenwerking tussen de regisseur en zijn scenograaf, Erki deVries. Eigen aan de ontwerpen van de Vries is dat de structuur op de scène een hoofdrol speelt. Een voorstelling is bijgevolg in de eerste plaats een beeld of een installatie, waarin iets plaatsvindt of waarmee iets gebeurt.

Portrait, de jongste voorstelling van het duo Ryckewaert/de Vries, in samenwerking met geluidsontwerper Tim Vets, is geïnspireerd op een werk van Edward Hopper, wiens wereldberoemde schilderijen iconen zijn geworden van de Amerikaanse samenleving voor en na de Tweede Wereldoorlog. De sobere beelden, die vaak als desolaat worden omschreven, drukken niet zozeer eenzaamheid uit als wel verwarring: ze zijn een spiegel waarin een maatschappij kan waarnemen met welke moeite nieuwe waarden, sociale ontwikkelingen en samenlevingsvormen in het dagdagelijkse leven doorsijpelen. Hoppers werk gaat over de schok die gepaard gaat met het besef dat nieuwe idealen, waarden of rechten, eens geïnstalleerd en vorm gegeven, uiteindelijk minder glansrijk zijn dan op voorhand beloofd werd. De personages van Hopper lijken dan ook haast vastgevroren in een situatie die hen langzaam is overkomen.

Hoe vertaalt zich die inspiratie bij Wolff? De esthetische taal van Hopper is op het eerste gezicht, en vanaf het eerste moment van de voorstelling, duidelijk aanwezig. We zien een even hermetisch uitgekiende ruimte. Ruimte betekent in dit geval een totaalbeeld, de manier waarop een beeld, in een kader, ruimtelijk ingedeeld wordt. Waar dit bij Hopper een kamer kan zijn met uitzicht op een landschap, een café op de hoek van de straat of een traditioneel huis op een Amerikaanse prairie, is het bij Wolff een frontale blik op een modernistische villa-bij het betreden van de zaal zichtbaar als een witte vlek binnen de zwarte theaterruimte. De structuur ontsluit zich echter niet meteen wanneer het stuk begint: het gelijkvloers bestaat uit raampartijen over de gehele breedte van de woning, bedekt met lange, witte gordijnen. Vanaf het midden ongeveer springt er, van op hetzelfde niveau, een schuin geplaatste loopbrug naar voren, die reikt tot net voor het publiek. Er wordt afstand gecreëerd, dat is duidelijk: de scenische structuur plaatst het huis zelfs opzettelijk ver weg voor wie er naar kijkt. De loopbrug leidt naar het huis maar niet naar de toegang ervan – een toegangsdeur lijkt er overigens niet te zijn. Het publiek krijgt de opdracht het huis waar te nemen in plaats van zich erin in te leven.

Wanneer de lichten uitgaan en het stuk begint, blijft het donker. Het is nog nacht, of een schemertijd net voor het aanbreken van de dag. De gordijnen bewegen langzaam heen en weer, alsof er binnenin een zachte wind staat. Een soundtrack die meer ruis is dan klank benadrukt het onheilspellende, mysterieuze karakter van die beweging en maakt haar meer mentaal dan fysiek -de regisseur installeert een gevoel van vervreemding, als inleiding op een situatie waarvan de realiteit in vraag d ient gesteld te worden.

Wanneer het lichter wordt, en er licht verschijnt in het huis, zien we een vrouw die ontwaakt, opstaat, vanuit de slaapkamer in een hoger niveau van het huis naar beneden loopt, koffie zet. Alles door een filter, want de gordijnen zijn nog steeds gesloten en geven het gebeuren weer in contouren. Toch zien we haarscherp welk soort bewegingen de vrouw maakt, hoe ze zich gedraagt en welk ritme haar eigen is: ze draalt, ze doolt rond in een huis dat geen sporen van haar draagt, waarop ze haar bestaan nog niet heeft afgedrukt. Het huis oogt koel, steriel en overgedesignd, het glijdt als een gladde jurk steeds weer van haar af. Dit maakt dat ook van de vrouw, van wie ze is, niets of nauwelijks iets zichtbaar is. letterlijk uit zich dat in hetgeen ze doet: ze heeft immers niets meer te doen dan een paar noodzakelijke dingen, die haar dag enigszins structuur lijken te geven. Wachten tot de koffie klaar is bijvoorbeeld. Wanneer ze zich later aankleedt en de gordijnen opentrekt gaat de dag op dezelfde trage, weinigzeggende manier verder. Ze speelt achteloos met een plant, die ze water geeft, maar laat het water evengoed op de vloer stromen. Ze stapt door het raam naar buiten om een sigaret te roken. Ze slentert tot aan de rand van de loopbrug, dooft haar sigaret, aarzelt, gaat weer naar binnen. Wanneer ze een wortel schoonmaakt en fijn hakt, neemt de soundtrack het geluid van het mes over en vervormt het tot een harde discobeat, die kil en doelloos de ruimte in schettert. Dan neemt de vrouw een douche – achter melkachtig glas zien we hoe ze zich wast en afdroogt. Met rok en hoge hakken komt ze opnieuw de woonkamer binnen. Opgekleed en klaargemaakt paradeert ze rond, om uiteindelijk haar schoenen weer uit te trekken en even later terug in bed te kruipen. Ze kijkt nog even televisie, schiet af en toe te hard en mechanisch in de lach.

Het wordt weer donker, en terug licht. De volgende dag verloopt als de vorige. Tot de vrouw in de woonkamer een luik opentrekt in de vloer, en met haar handen, in een onzichtbare ruimte eronder, met water begint te spelen. Ze trekt zich terug en verdwijnt weer.

Het stuk eindigt in een climax, waarbij dezelfde vrouw, maar nu met blonde haren, tevoorschijn komt vanuit de ruimte onder het luik en bijna naakt, met enkel nylonkousen aan, naar voren loopt, het publiek frontaal aankijkt en hevig lacht.

In de aankondiging van Portrait wordt beschreven hoe je je als toeschouwer vragen gaat stellen over het leven van de vrouw – wat doet ze daar, wie is ze, wat zijn haar verlangens en hoe kunnen we die waarnemen? Ze is een vrouw die zich onbespied waant, meent Ryckewaert. Het stuk zelf lijkt die vaststelling en vragen echter niet op te roepen. Eerder dan het gevoel onbespied te zijn geeft de vrouw op ieder moment van de voorstelling de indruk heel goed te weten dat ze bekeken wordt. De schijnbare normaliteit van haar routine, die steeds weer grenst aan verveling, lijkt het spel van een actrice, een muze, die zich voor het oog van de regisseur interessant probeert te maken, mysterieus probeert te zijn, en zich, naarmate het stuk vordert, probeert te emanciperen. Naar het einde toe meentzezich zelfs heruitgevonden te hebben, wanneer ze als een pasgeborene bijna naakt uit het water klimt en uitdagend haar nieuwe uiterlijk aan het publiek toont. Maar het bruuske en inhoudsloze karakter van die transformatie wijst erop hoe leeg en uiterlijk de verandering in wezen is: even sterk als voordien blijft het clichébeeld overeind van een vrouw, geplaatst in een nauwkeurig uitgekiende installatie, in een mooie doos, d ie als een dwangbuis haar bewegingen controleert. De vrouw blijft louter het object van d iegene die naar haar kijkt, en is zich daarvan bewust.

Het verschil met Hopper is zo uiteindelijk heel groot: bij Hopper is de geïnstalleerde omgeving niet zozeer een machine of een enveloppe voor het personage dat erin verwijlt, maar een verlengde of een vertaling van een toestand waarin het personage zich innerlijk bevindt – alles buiten het personage zelf bestaat uit sporen, niet letterlijk leesbaar, maar wel vol van mogelijke associaties die uiteindelijk leiden naar onszelf: hoe we verwarringen eenzaamheid herkennen, en het gevoel begrijpen door iets immobiel gemaakt te zijn.

Uiteindelijk blijft er niet veel meer over in dit stuk dan de wil om schoonheid te installeren, verweven met een aantal mysterieuze elementen die het schone een schijnbaar gevaarlijke kant zouden moeten geven, maar daar niet in slagen. In plaats van het geestelijke middelpunt van het gebeuren blijft de vrouw slechts een holle vorm binnen de vorm. De intentie om de dagelijkse realiteit te transformeren tot surrealisme vraagt meer dan enkel uiterlijk vertoon. Want op deze manier krijgt het stuk iets ijdels, narcistisch zelfs. De wijze waarop regisseur en scenograaf pronken met hun perfect geproportioneerde theatermachine is recht evenredig met de actrice die in die machine ronddwaalt en mooi, mysterieus en zichtbaar wil zijn. Bovendien werpt Ryckewaert in dit stuk een vrij reactionaire blik op de vrouw: iemand die van het nietsdoen een cultuur maakt, vanuit de wetenschap dat haar niet veel méér ten deel zal vallen.

Portrait maakt gewag van een aantal jammerlijke clichés. Maar clichés doen het nog steeds goed – anders zouden het geen clichés zijn -, en uiterlijke schoonheid blijft overdonderen.

Gezien in de Beursschouwburg op 27 januari 2012.

www.margaritaproduction.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#128

01.03.2012

31.05.2012

Esther Severi

Esther Severi werkt als dramaturge in het Kaaitheater, en is docente aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen.

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!