‘Ich bin wie du’ © Bart Grietens

Ivo Kuyl

Leestijd 12 — 15 minuten

Portrait of the Artist as a Migrant

Over Ich bin wie du van Kloppend Hert

Als ukkepuk wint hij prijzen door ‘Billie Jean’ te dansen tijdens playbackshows. Vele jaren later stapt hij naar de microfoon en zingt hij ‘Man in the Mirror’. De cirkel is rond: ‘Van de Michael Jackson-imitatie als toegangsticket tot de vetpotten van de westerse wereld naar de Michael Jackson- imitatie als poging om in de spiegel te kijken.’ Ivo Kuyl analyseert hoe Haider Al Timimi in Ich bin wie du op zoek gaat naar zijn identiteit.

Op de scène ligt een zuil of deksteen van een oude tempel. Daarnaast: een tafeltje met twee stoelen. Een man met een hertengewei van zilverpapier op zijn hoofd daalt via het hellend vlak van de monoliet naar beneden en loopt naar het midden. Reikt naar de microfoon en begint een verhaal te vertellen à la Toon Tellegen. Het is het verhaal over de schepping van de kameel.

In het begin der tijden heeft God de kameel met een gewei geschapen. Op zekere dag komt er een hert uit het noorden voorbij. ‘Morgen is er een groot verkleedfeest in het bos in het noorden,’ zegt het hert. Mag ik dat gewei van u lenen, dan kan ik als kameel naar het feestje gaan.’ De kameel vertrouwt het hert en leent zijn gewei uit. ‘Hebt ge dan ook mijn bult niet nodig? ’ vraagt de kameel. ‘Neen,’ zegt het hert. ‘Uw bult is te zwaar, die moogt ge houden.’ En het hert vertrekt. Op het feest was hij de mooiste. Hij liep met brede borst vooruit, en droeg op zijn hoofd fier en hoog het gewei van de kameel. De kameel wachtte op het hert. De zon ging onder en kwam weer op, maar het hert was nergens te bespeuren. De kameel ging naar de rand van het bos, maar ook daar was geen hert te zien. En de zon ging opnieuw onder en kwam weer op. En de kameel begon te stappen. Steeds verder weg van het bos, op zoek naar het hert. En de bomen werden struiken en het gras werd zand. Maar nergens was het hert te vinden. En de zon ging onder en kwam weer op. En de kameel bleef maar stappen. En als hij niet stapte, speurde hij naar de horizon. In de hoop in de verte ooit een hert te zien dat hem zijn gewei zal teruggeven. 1

Dit verhaal is een metafoor voor de biografie van Haider Al Timimi die als enige op de scène staat. 2 Al komt hij op zoek naar zijn gewei niet in de woestijn terecht, maar reist hij vanuit de woestijn naar Europa, waar het hert leeft. Zijn vader emigreerde met het hele gezin vanuit Irak naar België. De voorstelling is een mengeling van feit en fictie. Ongetwijfeld zou het interessant zijn om na te gaan hoe het reële leven van Haider Al Timimi zich verhoudt tot de artistieke transformatie ervan, maar dat laat ik in het midden. Als ik het dus heb over ‘Haider’, ‘de Haider-figuur’, of ‘het Haider-personage’, dan gaat het steeds over de biografie van de acteur/performer, zoals ze zich in de voorstelling manifesteert. De stijl is die van een stand-upcomedy. Geert Vandyck en Bart Capelle, de compagnons van Haider Al Timimi in hun vzw Kloppend Hert, schreven mee de tekst en maakten samen met hem het stuk.

Mijn vlakke land

Als de voorstelling al even bezig is, krijgen we te horen dat het Haider-personage een psychotherapie beëindigd heeft. Alles wat de toe- schouwer te zien en te horen krijgt, is hoofdzakelijk verslag over de voorbije therapie, maar soms lijkt het alsof het personage daar nog middenin zit. Het verhaal is al even springerig en fragmentair als de vrije associatie van de psychoanalyse. Dat kader verklaart ook de aanwezigheid van de monoliet op de scène. Van zijn therapeut kreeg Haider immers de opdracht een steen te kiezen, want ‘het soort gesteente, de vorm, de grootte… dat zegt alles over uzelf”. 3 Hij heeft een blok uit Baal’bek gekozen, de oudste tempelruïne op aarde. We zien hoe hij in de bordkartonnen wand ervan voorwerpen verstopt en weer uitgraaft, als om te tonen hoe gebeurtenissen verdrongen en weer herinnerd worden. Daarnaast gaat de voorstelling over de verhouding tussen Oost en West, gezien vanuit het perspectief van iemand die op het snijpunt van beide culturen leeft. Ten slotte kun je ze lezen als een reflectie op het kunstenaarschap. Ze is ‘a portrait of the artist as a migrant’. De drie niveaus – (auto) biografie, interculturaliteit en artisticiteit – doordringen elkaar voortdurend.

Het levensverhaal van de Haider-figuur is gauw verteld. Zijn vader is militair onder Saddam Hoessein en sterft als held in de woestijn tijdens een niet nader genoemde oorlog. Als erkenning voor zijn verdiensten, mag diens echtgenote een gouden pistool in ontvangst nemen, wat ze met trotse tegenzin doet. Ze probeert als zangeres de eindjes aan elkaar te knopen. Bij voorkeur zingt ze klaagliederen over de moord op de neef van Mohamed. Als klein jongetje moet het personage rondgaan met een schaal vol papieren zakdoekjes waarmee de vrouwen hun tranen kunnen drogen, wat hem de bijnaam ‘Aboe Kleenis’ oplevert. ‘Kleenis’ uiteraard van ‘Kleenex’.

In 1986 komt het Haider-personage met zijn ouders naar België. Hoewel hij nog maar een ukkepuk is, wint hij prijzen tijdens playback-shows. Dat zie je ook in de voorstelling: na het verhaal over het hert en de kameel hoor je een soundscape met ‘Billie Jean’ van Michael Jackson, waarop Haider met zijn zilveren gewei diens stokkerige dansstijl imiteert. Hij moet echter ook naar school. Een katholieke school, waar hij zich voorbereidt op de eerste communie: ‘Vandaag eten we voor het eerst een stuk lichaam van Christus.’ 4 De Haider-figuur integreert zich perfect. Hij trouwt met een Vlaams meisje en gaat op huwelijksreis naar Egypte. Die reis is echter een keerpunt. Nauwelijks is hij terug thuisgekomen of zijn huwelijk loopt op de klippen.

Meteen brengt ons dit bij het tweede niveau, dat van de relatie tussen het Oosten en het Westen. Het valt op hoezeer het personage de westerse cultuur idealiseert. Die liefde voor het Westen heeft echter een donkere, verdrongen keerzijde: gevoelens van zelfhaat en minderwaardigheid omdat hij tot een in zijn ogen inferieure mensensoort behoort. Haider beschouwt de Arabieren als een volk van dictators. Sedert de uitvinding van de nul hebben ze niets gepresteerd en ze zijn niet in staat hun burgers een welvarend leven te bieden. Bovendien maakt de neiging tot exotisme in het Westen dat velen het Midden-Oosten herleiden tot een paar cliché’s. Zij verwachten van migranten uit dat deel van de wereld dat ze zich conform dit beeld zouden gedragen. Kortom, het personage ervaart zijn Arabische identiteit als een corset waarin hij gevangen zit.

Deze ervaring van discriminatie voedt het verlangen naar verandering. Dat komt tot uiting wanneer Haider nadenkt over zijn ‘vaderland zonder vader’. 5 Hij zit dan nog in een pro-Westerse fase. In die context vraagt hij zich af welk volkslied hij zou zingen als hij mocht kiezen. Hij zingt ‘Mijn vlakke land’ van Jacques Brel in het Arabisch, voor mij het mooiste moment van de voorstelling. Alle gevoelens van patriottisme die hij voor Irak zou moeten opbrengen, worden dus op Vlaanderen geprojecteerd, maar doordat dit in het Arabisch gebeurt, krijgt het lied een utopische dimensie. Er spreekt een diep verlangen uit naar vreedzame coëxistentie van Westerlingen en Arabieren.

Fairuz

Het enige contact met de Arabische cultuur dat het Haider-personage koestert, verloopt via zijn idool, de Libanese zangeres Fairuz. Het is niet verwonderlijk dat uitgerekend Fairuz zijn heldin is. Want ook rond haar hangt er een bicultureel aura. Ze is weliswaar Arabi- sche, maar hij vertelt dat ze als zangeres in alle grote westerse concertzalen heeft opgetreden: Carnegie Hall, Las Vegas, L’Olympia. Bovendien is ze christen en doet ze hem door haar pacifisme, moederliefde en tolerantie aan de figuur van Onze-Lieve-Vrouw denken. Graag zou hij met de Arabische cultuur op dezelfde open en soevereine manier omgaan als zij met de Westerse. Doch gegeven zijn misprijzen voor die cultuur, lukt hem dat niet.

Een kentering komt er pas nadat het personage een vreemde ervaring doormaakt tijdens zijn huwelijksreis naar Egypte. Egypte is het Hollywood van het Midden-Oosten, een land dat overspoeld werd door de westerse cultuur. Voor de verwesterste Haider is het een soort thuiskomen. Des te shockerender dat hij daar iemand tegenkomt die hem ‘ajnabi’ (vreemdeling) noemt. Plots realiseert hij zich dat hij ooit was, wat deze Egyptenaar in zijn ogen nu is: een Arabier die verlangt naar de rijkdom van het Westen. Blijkbaar opent die ontmoeting hem de ogen. De liefde voor het Westen slaat nu om in haat; de haat jegens zijn land van oorsprong wordt liefde. Het betekent meteen het einde van zijn huwelijk. Zoals hij de westerse cultuur verwerpt, zo verwerpt hij ook zijn Vlaamse vrouw.

Vanaf dan begint de Haider-figuur zich meer en meer met Fairuz te identificeren. Zij wordt zijn tweede moeder. Maakte zijn eerste moeder – ook een zangeres – de komst naar België en de integratie in de westerse wereld mogelijk, dan zal hij dankzij Fairuz leren zichzelf en zijn Arabische identiteit te aanvaarden. Nadat Haider te kennen heeft gegeven aan het publiek hoezeer hij haar bewondert en hoe graag hij haar ‘live’ zou willen zien, eet hij van een granaatappel. Het is een bijbelsaandoende scène waarin Fairuz staat voor de verdrongen Arabische cultuur in hem en de granaatappel voor de erotisch-incestueuze bekoring die er van haar, haar muziek en het Midden-Oosten uitgaat.

Toch blijft die ervaring ambivalent. Elke poging van het personage om zich in te laten met zijn Arabische identiteit wordt gedwarsboomd door psychisch lijden. Hij vertelt dat hij nachtmerries heeft waarin hij als ‘De laatste der Arabieren’ wordt opgevoerd. Voorzien van kitscherige attributen die westerlingen vaak met de Oriënt associëren, zoals een tulband, een waterpijp, een Arabische luit en pantoffels die uitlopen op een punt met een belletje, moet hij zingen, dansen en kakken. Er worden foto’s van hem gemaakt en zijn DNA wordt in kaart gebracht, terwijl zijn belagers hem vragen stellen: ‘Wie is de Arabier? Wat onderscheidt hem van een ander? Wat typeert de Arabische cultuur?’ Als ze merken dat hij geen antwoord heeft op die vragen, willen ze zijn bloed. Maar dat vloeit al rijkelijk. Het is afkomstig van de granaatappel die hij vlak voor het verhaal over de nachtmerrie heeft uitgeknepen. Het sap kleurt zijn naakte borst rood.

Hierna start Haider een filmpje dat tegen de wand van de monoliet wordt geprojecteerd. We zien een extract uit een interview met Fairuz. Hij vertaalt haar woorden en slaat vervolgens een gat in het zijvlak van de steen. Hij haalt er een make-up koffertje en een négligé uit. Hij begint zich te schminken en trekt de négligé aan. Hij stelt zich in het Arabisch aan het publiek voor als Fairuz en begint een redevoering die doet denken aan Lysistrata, een komedie van Aristofanes. In die komedie zijn de Atheense vrouwen verontwaardigd over het onvermogen van hun mannen om tot een duurzame vrede te komen. Ze zijn de mannelijke eerzucht en geldingsdrang beu, die maken dat het altijd oog om oog, tand om tand is. Ze hebben hier een probaat middel tegen: zolang hun mannen niet in staat zijn om vrede te stichten, zal hen elke vorm van seksuele bevrediging geweigerd worden. De speech van Haider is echter een pervertering van Lysistrata. Want hij verlangt dat zijn zusters (de Arabieren) zouden terugkeren uit Europa en Amerika met het gewei op het hoofd, dus gewapend met dezelfde westerse gevoelens van mannelijke superioriteit. Zijn betoog is een stalen vuist in een fluwelen handschoen: het lijkt vredelievend, maar is bij nader inzien racistisch.

Opvallend is dat dit vertoog gepaard gaat met een ontkenning van het verleden: ‘Tijdens de burgeroorlog goten ze in Beiroet alle kunstschatten in beton om ze te beschermen. Hadden ze niet beter alles laten zitten? Als we vooruitgang willen, dan moeten we alle geschiedenisboeken verbranden en onze dierbare dodencultuur vergeten. We moeten stoppen met het verleden uit te persen, er zijn geen farao’s meer.’ 6 De ééngemaakte, Arabische natie die Haider voor ogen zweeft is dus een natie zonder geheugen. Er moet een radicale breuk komen die het oude tegenover het nieuwe en het heden tegenover het verleden plaatst.

Het Haider-personage heeft zich wel met de Arabische cultuur geïdentificeerd, echter nog niet met het tolerante aspect ervan. Die tolerantie is ook het ideaal waar Fairuz voor staat. Zij ervaart zijn speech dan ook als een verraad aan de Arabische zaak: ‘Ge gebruikt mijn stem. Mijn woorden. Ge maakt er kogels van. (…) Ge zijt geen dochter, mijn zoon. Ge zijt een man. (…) En nu zijt ge kwaad? Kwaad in naam van de Arabier die ge niet meer zijt? Hoe durft ge? ’ 7 Zij bekritiseert hier een vorm van verzet waarin de slachtoffers beulen zijn (en de beulen slachtoffers), met andere woorden, dat schatplichtig blijft aan dezelfde onderdrukking die het aanklaagt. Hiertegenover staat het verzet van Fairuz dat erin slaagt deze vicieuze cirkel te doorbreken door vergevingsgezindheid en tolerantie jegens haar vijanden.

Tussenruimte

Maar hoe tolerantie verwerven? Tijdens zijn therapie schort het Haider-personage zijn activisme op om het aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Als een archeoloog daalt hij af in de ruïnes van het onderbewuste. Hij wil niet langer breken met het verleden, zoals hij in zijn speech nog benadrukte, maar op zoek gaan naar de verborgen schat van fantasieën en archaïsche beelden die door zijn trauma’s in zijn lichaam ingeschreven werden. Eens die beelden gevonden, probeert hij ze niet rationeel te verklaren, maar erop door te fantaseren. Zo ontstaan nieuwe contexten waarin verdrongen betekenissen een plaats krijgen en nieuwe betekenissen gegenereerd worden. De Haider-figuur denkt niet met zijn verstand, maar met zijn lichaam: met zijn zintuigen en verbeelding.

Voortdurend roept daarbij de ene pool de andere op. Door Europa te zien als een hert dat het gewei van de kameel heeft gestolen, wordt het westerse imperialisme blootgelegd; door het Midden-Oosten te zien als een kameel die wacht op zijn gewei, wordt geappeleerd aan het verlangen van de Arabische bevolkingen om door het Westen gerespecteerd te worden. Door zichzelf te zien doorheen de bril van de Egyptenaar, ontdekt Haider wat de werkelijke drijfveren zijn voor zijn idealisering van het Westen: materialisme en gevoelens van misprijzen en zelfhaat. En omgekeerd begrijpt hij dat de Arabieren een onrealistisch beeld van het Westen hebben; dat Europa lang niet het aards paradijs is waarvoor veel Arabieren het houden. Door Fairuz te zien als een soort Onze-Lieve-Vrouw én als een moderne Lysistrata, ontdekt hij een heel andere Arabische cultuur, namelijk één die gekenmerkt wordt door vredelievendheid, tolerantie en pacifisme. Kijkt hij echter vanuit haar standpunt naar het Oosten, het Westen en zichzelf, dan stelt hij vast hoe diep de kloof is tussen dat interculturele ideaal en de werkelijkheid. Door vanuit zijn Iraaks nationalisme naar België en Vlaanderen te kijken, ontdekt hij dat hij een Vlaming in hart en nieren is, doch vol verlangen naar erkenning van zijn Arabische identiteit. Bekijkt hij vanuit dit kosmopolitisme zijn latere liefde voor Irak, dan ziet hij dat die berust op een overcompensatie van de gevoelens van inferioriteit die hij verbindt met zijn land van oorsprong.

Naarmate de Haider-figuur meer ervaring krijgt in het doen van dergelijke onverwachte zetten en tegenzetten, evolueert hij naar een nieuw bewustzijn. Hij leeft niet langer in één ruimte (in een Vlaams appartement of een huis in Irak; in het heden of het verleden; in het zelf of in de Ander), maar in een tussenruimte. Die ruimte is een innerlijke enclave waarin de mens een gesprek op gang kan brengen tussen zijn vele identiteiten en ingebeelde stemmen. De tempelruïne van Baal’bek is, naast symbool voor het onderbewuste, ook symbool voor deze transitzone. De Haider-figuur vertelt dat daar een internationaal kunstenfestival wordt georganiseerd, waarop niet alleen Fairuz, maar ook westerse grootheden zoals Béjart en Noerejev werden uitgenodigd. Het is de plek waar elementen uit de ene ruimte als metaforisch perspectief gebruikt worden om naar elementen uit de andere ruimte te kijken en omgekeerd. Zo kan het tekort van elk van deze perspectieven (hun ongezegde en ongedachte) ontdekt worden. Het is ook de plek waar we dat tekort leren uithouden, want principieel is er geen einde aan de reeks perspectieven van waaruit we de geviseerde werkelijkheden kunnen benaderen.

Als deze manier van zijn, het zijn in de tussenruimte, modelwaarde bezit, dan bevindt de migrant zich in de best denkbare positie om dat model te kunnen navolgen. Leeft hij al niet per definitie in een tussenruimte, doordat hij zich op het kruispunt van twee culturen bevindt? Toch is die biculturaliteit op zich niet voldoende om het leven in een tussenruimte mogelijk te maken. Zoals de voorstelling laat zien zijn er tal van psychische mechanismen die dat kunnen verhinderen. Tegen het einde lijken al die obstakels echter opgeruimd te zijn. Na de berisping door Fairuz, vindt de Haider-figuur een gigantisch gewei onder een berg puin. Opnieuw voert hij een dans uit, nu vreugdevol en triomfantelijk. Opvallend is de transformatie die het gewei heeft ondergaan. Stond het prullerige geweitje van zilverpapier waarmee hij de voorstelling begonnen is voor het geld en de luxe die hem en de zijnen naar het Westen lokten, dan geeft dit zoveel solidere en rijker vertakte exemplaar aan dat de Haider-figuur geworden is wie hij is: een hybride van hert én kameel.

Wat we hier meemaken is de geboorte van de migrant als drijfveer van de (kunst)geschiedenis. ‘Ik moet verder gaan waar gij gestopt zijt’, zegt het als Fairuz verklede personage tot de echte Fairuz op de film. ‘Ik neem het over.’ 8 Hij gaat naar de microfoon en zingt ‘Man in the Mirror’ van Michael Jackson. De cirkel is nu rond. Van de Michael Jackson-imitatie als toegangsticket tot de vetpotten van de westerse wereld naar de Michael Jackson-imitatie als poging om in de spiegel te kijken. Een spiegel waarin het individu, de maatschappij en de kunstwereld geparodieerd worden; waarin de onophefbare kloof tussen wat is en wat schijnt te zijn wordt blootgelegd. Maar ook de Michael Jackson-figuur heeft een andere betekenis gekregen. Zoals de Afro-Amerikaanse zanger zich dankzij plastische chirurgie een steeds blanker en vrouwelijker imago heeft laten aanmeten, zo is ook de Haider-figuur inmiddels steeds Europeser en vrouwelijker geworden. In het begin heeft dit de negatieve connotatie van zelfverminking en zelfverdringing, op het einde krijgt het de positieve bijklank van zelfontplooiing en zelfaanvaarding.

Oost-West

Het was lang geleden dat ik nog iets van Haider Al Timimi had gezien. Het laatste was de dansvoorstelling Carnival of Guilt uit 2008. Ook daar had je die bezetenheid om met het Oost-West-thema aan de gang te gaan. Maar toch bleef ik toen met veel vraagtekens zitten. De beelden sloegen niet aan. Ze waren te veel illustratie bij een narratief verloop en zijn anekdotiek. Hier echter heeft de scheppende kracht van de verbeelding het primaat. Ze maakt en breekt het verhaal waar het de ontwikkeling van nieuwe betekenissen in de weg staat. Doorheen dit eruptieve proces ontstaat een complex en gelaagd geheel van een spanningsrijke schoonheid, geschraagd door metaforen en associaties die voortdurend naar elkaar verwijzen. Daarnaast heeft het optreden van Haider Al Timimi een toets van soberheid en integriteit. Kwaliteiten die Ich bin wie du boven het peil van de gemiddelde theaterproductie uittillen.

Ich bin wie du is in april en mei nog op verschillende plaatsen in Vlaanderen te zien.

www.kloppendhert.be

Noten

1 Ik doe voor de weergave van dit verhaal beroep op het ongepubliceerde script van de voorstelling, Ich bin wie du, p. 3-4.

2 Met dank aan Haider Al Timimi voor het gesprek dat ik met hem had over zijn biografie, zijn artistiek traject en de voorstelling. Ik zag de voorstelling twee keer, één keer tijdens Het Theaterfestival 2013 in het Kaaitheater in Brussel en later nog eens in het jeugdtheater Bronks in dezelfde stad. 3 Ibidem, p. 7.

4 Ibidem, p. 8.

5 Ibidem, p. 12.

6 Ibidem,p. 7.

7 Ibidem, p. 20.

8 Ibidem, p. 24-25.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 12 — 15 minuten

#135

15.12.2013

14.03.2014

Ivo Kuyl