Herman Asselberghs

Leestijd 9 — 12 minuten

Polemiek: Brief van Herman Asselberghs

Brief van Herman Asselberghs, als antwoord op de tekst Kannibalisme en verscheidenheid in het vorige nummer.

Beste Stef, Beste Geert,

Wat is dat toch met die tekst van jullie in de vorige Etcetera? Het begint al bij Montaigne die jullie exclusief laten opdraven als de pleitbezorger van de levenservaring, als de voortrekker van het luisterende spreken, hij die ‘niet afgaat op wat men zegt’. Het mocht me nochtans niks verbazen indien deze zestiende-eeuwse scepticus zich nooit echt zò ver van zijn geliefde Bordeaux heeft verwijderd en bijgevolg zijn bespiegelingen over de kannibalen aan de overkant van de oceaan wel degelijk formuleerde op grond Van horen zeggen’. Maar soit, in de openingszinnen van zijn uitvoerig essay De l’expérience uit hij alleszins zijn gemeende reserves tegenover de directe ervaring die jullie zo ongeremd de hemel inprijzen. Ik citeer: ‘Il n’est desir plus naturel que le desir de connaissance. Nous essayons tous les moyens qui nous y peuvent mener. Quand la raison nous faut, nous y employons l’expérience qui est un moyen plus foible et moins digne; mais la vérité est chose si grande, que nous ne devons desdaigner aucune entremise qui nous y conduise.’ De ondervinding dus als slechts één van de vele manieren om de waarheid, of de werkelijkheid, te achterhalen.

Dat klinkt heel wat genuanceerder dan het louter populistische pragmatisme dat de Antwerpse schepen van Cultuur voorstaat. Nu zou ik jullie nooit die bij uitstek partij-politieke kwaliteiten aansmeren, maar ik moet toegeven dat ik een en ander in ‘Over kannibalisme en verscheidenheid’ ook naar nestbescherming vind neigen. Want ook al pleiten jullie vurig voor een handelen en spreken dat los(ser) staat van de pure theaterconventies, toch maakt de ongemedieerde beleving (zo eigen aan het theater-ritueel) de spil uit van jullie discours. Hoe kan ik anders die romantische retour naar de straat verstaan dan als een onverholen reality-kick, dan als een revelerende verschijning voor de zintuigen, dan als een orgie van (ongevaarlijke) promiscuïteit? Tenslotte nemen jullie zelf de onmiddellijke geneugten van de seksuele roes in de mond: ‘onthouding en onthechting zijn geen goede leermeesters’ in het plezier en in de erotiek van het theater/de straat.

Met verwisselbaarheid is natuurlijk niks mis, maar je moet er in deze tijden toch voorzichtig mee zijn. Een betoog voor hybriditeit is één (broodnodige) zaak, het nivelleren van wezenlijke verschillen een andere. Hoe graag jullie ook de dingen zien samenvallen, hoe probleemloos jullie jezelf ook één gaan voelen met de dynamiek van de grootstad, hoe vlot jullie ook de kruisbestuiving tussen straat en podium gerealiseerd zien, toch vind ik het door elkaar haspelen van hip hoppers en theatermakers, van sociale werkers, podiumkunstenaars en migranten, van krakers, muzikanten, jongeren en stadsnomaden, al te veel afbreuk doen aan de harde feiten van de realiteit, aan die directe ervaring die jullie (bij gebrek aan kennis?) zo vlug lijkt te bedwelmen.

Geef nu toe: sociale werkers die dagelijks omgaan met die Roemeense tienerprostituees aan het Anneessensplein, met Turkse dealers in Molenbeek of met Brusselse daklozen rondom het Centraal Station, dat is en blijft toch andere kost dan wat eender welke acteur of regisseur doet met of zonder goede bedoelingen? En als jullie je afvragen wie nu het meest ‘migrant’ is, ‘de VlamingWilly Thomas, afkomstig uit Merchtem, of onze jonge Brusseliens?’, dan lijkt mij dat nogal een luxueuze vraag: allochtoon van de eerste, tweede of derde generatie zijn in dit racistisch land is toch andere koek dan als autochtoon naar believen kunnen verhuizen naar of uit de hoofdstad?

Wat die migrant trouwens betreft: waarom zien jullie hem/haar in jullie levende stad blijkbaar alsmaar stotterend en onbevoegd rondlopen, het lijkt wel alsof zijn/haar natuurlijke habitat per definitie de straat vormt en dat hij/zij hele dagen niet anders doet dan op elke hoek van die straat te staan rappen? Alsof er geen migranten bestaan die een hekel hebben aan rap, aan theater en aan podiumkunsten in al hun verschijningen, aan cultuur tout court, inter- en multi- of niet. Migranten die niet moeten weten van ‘een gezonde portie street credibility’ omdat ze gewoon zoals jij en ik in een huis met een dak erop wonen of omdat ze gewoon van moetens wat te véél aan straatgeloofwaardigheid hebben vergaard.

Met andere woorden, de trek naar de straat klinkt mooi als je het kan permitteren, als je ‘s avonds opnieuw de geborgenheid van je eigen salon kan opzoeken. In dat geval vormt de straat misschien een leerrijke ervaring, in alle andere gevallen lijkt ze mij doffe ellende en ook het werkterrein bij uitstek van minder fraaie ervaringsgerichte uitingen van die volkscultuur waarnaar jullie zo graag verwijzen, getuige daarvan de o zo spontane opinies die rijkelijk worden gespuid in de straatinterviews van het tv-journaal of in de ideeën van sommige Front National/Vlaams Blok-kiezers. Gelukkig lijken jullie dat diep van binnen wel te beseffen, want anders zouden jullie de cross-over tussen theater en straat niet steevast omschrijven als maangoud aan de ene kant en stront aan de andere.

Maar misschien moet ik het niet zo letterlijk nemen en bedoelen jullie met ‘De Straat’ eenzelfde abstractie als met jullie notie van ‘De Rap’. Eerlijk gezegd ontgaat die recente alliantie tussen ‘De Rap’ en ‘Het Theater’ mij een beetje. Ik weet wel dat het in beide gevallen gaat om woordkunstenarij, maar toch kan ik me weinig voorstellen bij jullie voorkeuren inzake dat toch ook weer niet 20 nieuwe muziekgenre. Wanneer jullie ‘rap’ in de mond nemen, hebben jullie het dan over gangsterrap, of over G-funk, of over trip-hop? Hebben jullie het dan over het seksisme van Ice Cube, over de vrijblijvende rijmelarij van Snoop Doggy Dog of over het zwarte nationalisme van Professor Griff? Of hebben jullie het gewoon over The Dinky Toys en hun collega’s die in ‘Tien om te zien’ wekelijks rappen? Om maar te zeggen: rap is de meest gecommercialiseerde muziekvorm van de laatste vijftien jaar en valt al lang niet meer altijd even ondubbelzinning samen met de directe rede die jullie er onveranderlijk lijken in te projecteren. ‘Rap’ is een vlag die vele ladingen dekt en lang niet allemaal even interessante. Maar ja, dan zitten we weer bij die kwaliteitskwestie die jullie enkel kunnen zien als machtsspel en niet als een onophoudelijk veranderend gegeven dat op basis van kennis én ervaring ongelijkwaardige verschillen naar waarde weet te schatten. Uiteindelijk is het omdat ik nogal wat rap tot mij neem dat ik De Nacht niet zo een gelukte voorstelling vind: ik vind Les Villes Scélérats gewoon niet goed genoeg. Ik twijfel er niet aan dat deze Schaarbeekse hip hoppers optimaal functioneren in hun vertrouwde jeugdhuizen, maar om binnen de context van deze podiumvoorstelling te scoren (op welke manier dan ook, als decorstuk of als (niet-)acteurs), komen ze nog wat kwaliteiten te kort; vindingrijkere beats, verstaanbaardere teksten en een meer aangescherpte présence bijvoorbeeld, naar mijn ervaring noodzakelijke onderdelen en voorwaarden voor een geslaagde rap-performance. En het feit dat Willy Thomas zijn ding wel prima doet – en zijn ding is het onwaarschijnlijk helder brengen van toch niet zo een makkelijke tekst, (goed) acteren heet dat eigenlijk – benadrukt alleen maar het theaterkarakter van De Nacht.

Bref, ik denk niet dat ‘we’ een andere voorstelling hebben gezien, ik denk zelfs dat we niet zo een heel verschillende voorstelling hebben gezien, maar dat jullie kijkgedrag een stuk vaster in het theater verankerd zit dan Over kannibalisme en verscheidenheid wil laten doorschemeren. Jullie enthousiast, bij momenten bijna triomfantelijk, verhaal doet me wat denken aan die State of the Union die Marianne Van Kerkhoven aan het begin van dit theaterseizoen uitsprak. Zij presenteerde haar bekommernis om de teloorgang van het theater ook al als een bekommernis om de gang van zaken in de ware wereld. Alleen maakte zij van haar onbeschaamde theatrocentrisme geen geheim: ‘Een produktie leeft door haar wisselwerking, door haar publiek, door wat er ook buiten haar kader gebeurt. En rond de produktie ligt het theater en rond het theater ligt de stad en rond de stad zo ver we kunnen zien ligt de hele verdere wereld en zelfs de hemel met zijn sterren. De wanden die deze kringen met elkaar verbinden zijn van huid, ze hebben poriën, ze ademen.’ Het is maar dat ‘we’ het weten: het theater ligt niet alleen in het midden van ‘onze’ wereld, maar maakt ook het organische centrum van het ganse universum uit. En dat in een tijd dat zelfs Dora Van Der Groen ervan overtuigd is geraakt dat het theater echt niet zo veel volk meer trekt. Voor één keer zou zij wel eens gelijk kunnen hebben: er valt wel wat voor te zeggen dat in deze hoog-technologische samenleving het theater al lang naar de marge van ‘ons’ bestaan is verschoven en daar ergens geklemd zit tussen de beeld- en de informatiecultuur. Zij vormen vandaag de uitgestrekte gebieden met een verankering in de collectieve verbeelding, de transmondiale oorden met een onophoudelijke invloed op de publieke sferen van de cultuurpolitiek.

Maar van die media, van die gemediatiseerde ervaring heeft de overtuigde theatergelovige (bij gebrek aan ervaring?) blijkbaar schrik: beelden dat zijn de boeman, de aanstokers van vervalsing en bedriegerij. In de teleurgestelde woorden van Marianne: ‘We worden overspoeld door beelden waarvan de echtheid zoek is geraakt en waarbij onze verbeelding dus niet meer weet welke betekenis ze aan die beelden moet hechten.’ Vandaar dat ze ‘de kunstenaar, de intellectueel en vooral de mediawerker een nieuwe ‘beroepsethiek” aanraadt, ‘Hij zal in de toekomst al zijn creativiteit moeten aanwenden om een andere manier van kijken te ontwikkelen,…’ Maar zou het niet kunnen dat die andere manier van met beelden omgaan in de echte wereld al wel degelijk gemeengoed is geworden, maar nog niet is doorgedrongen tot het beschermde reservaat van het theater? Dat die manier niet meer moet worden uitgevonden, maar heel gewoon is voor wie via ervaring én kennis, kortom via een leerproces, beelden heeft leren lezen, voor wie de vertrouwde context waarin die beelden gemaakt worden, met andere woorden de sociaal-politieke omstandigheden en de machtsstructuren waarin ze tot stand komen, uit één enkel beeld kan opmaken.

Jullie vinden wellicht dat ik ondertussen wat ben afgedwaald, misschien omdat jullie erin slagen om in een tekst ‘over theater en maatschappelijke ontwikkelingen’ geen enkele keer te verwijzen naar die informatie- en beeldcultuur. Misschien delen jullie niet de beeldenfobie van Marianne, jullie huldigen impliciet dan toch dezelfde holistische hang naar de ondeelbaarheid van het bestaan. Zij poneert ‘De wereld is wel degelijk één geheel’. Jullie prediken de conflictloze wereldcultuur: Tnterculturaliteit als een wirwar van culturen’, van non-cultuur tot manneken-piscultuur en alles wat daar mogelijk tussen zit. Marianne orakelt over de blijde verrijzenis van het aloude linkse gedachtengoed: ‘Tegenover al wat verloren ging en gaat, is het besef van samenhang wel één van de belangrijkste dingen om terug te winnen. De categorie van de totaliteit, het bewustzijn van de dominantie van het geheel over de delen, één van die essentiële elementen van de marxistische filosofie, doet zich vandaag voor als een ‘goeie ouwe waarde’ die we na onze tocht doorheen de postmoderne fragmentering, als een verloren zoon kunnen omhelzen.’ Jullie stemmen (met de woorden van Willy) met die nieuwe doorzichtigheid in: ‘Met zijn allen werken we hard aan het ‘complexer maken van ideologieën’. En ik die dacht dat ideologieën altijd per definitie complexe samenhangen waren…, en dat je hun slinke mechanismes pas via lang en moeilijk denkwerk op verhelderende wijze kon voorstellen.

Maar nee, ‘van uitstel komt afstel’ weten jullie: kennis van zaken, geletterdheid, behoedzame bezinning leidt enkel maar tot elitaire welsprekendheid. Debateren aan de hand van een afgewogen begrippenapparaat noopt slechts tot nodeloze moeilijkdoenerij. Laat ons de lessen uit het post-moderne en het post-koloniale debat vlug van tafel vegen: Paul Gilroys ‘black atlantic’ en Homi Bhabha’s ‘in-between’ en andere ontstellend vergezochte theoretische concepten maken de werkelijkheid alleen maar moeilijker. Nee, het is uit de ‘ervaring van de levende stad’, uit de onbevangen stem van de straat, van ‘de volkscultuur’, van ‘de jongerencultuur’ dat we de (toegegeven: niet makkelijke) oplossingen voor onze (theater)problemen kunnen vinden…

Hoe verrassend: het monsterverbond tussen een theaterwetenschapper en een cultuurwerker levert een rabiaat anti-intellektualisme op. Ik begrijp er niks van… De Beurs heeft nochtans goeie ervaring met het grondig nadenken over de dingen, hoe anders het succes van kraakactie Habitat Central te verklaren dan (ondermeer) vanuit een uitgekiende juridische indekking, ook al leggen julie liever de nadruk op het (belangrijke) decor van de avondactiviteiten. En Culturele Studies…ja, Culturele Studies in Vlaanderen, het is niet eenvoudig…Maar jullie tof geformuleerde argwaan tegenover de reflectie doet er geen goed aan. Integendeel, het flirten met de populaire cultuur is niet als vanzelf hip. Bell Hooks schrijft daarover: ‘This is especially true of writing on popular culture, because such writing has the appearance of immediacy and engagement. Often, merely choosing to write about popular culture can suggest that one is ‘down’ – divested of attachment to politics of hierarchy and domination. Yet for privileged class groups to write about marginalized en disenfranchised ones does not in itself amount to a gesture of solidarity. It can be as much a colonizing act of appropriation as the more apparent, conventional modes of white-supremacist capitalist patriarchal dominance. Writing cultural criticism to be hip and cool, especially when the subject is popular culture, allows critics to indulge in appropriation without risk.’

Voorwaar harde taal, maar ik wil er maar mee zeggen dat ik niet kan snappen hoe jullie zinnige en wel degelijk weloverwogen ingrepen in het landschap enig baat kunnen hebben bij een openlijk desavoueren van de denkprocessen die eraan voorafgaan. Marianne legt in haar ontmoeting met het werk van Montaigne dan toch tenminste de nadruk op de verwantschap tussen doen en denken, tussen theorie en praktijk, tussen gevoel en rede (dat doet ze trouwens al jaren): ‘Ervaring zou opnieuw een sleutelbegrip in ons leven en ons denken moeten worden.’ En wie kan dat tegenspreken? Zeker omdat deze contreien dringend behoefte hebben aan intellectuelen (zoals bijvoorbeeld Gilroy en Bhabha en Hooks) die van vele markten thuis zijn. Interdisciplinaire intellectuelen die aan de KUL een academische lezing kunnen verzorgen, in Molenbeek met sociale werkers op stap kunnen gaan en op VTM een verstandig praatje over de nieuwste bioscoopfilm kunnen slaan. Multifunctionele intellectuelen die niet één maar vele manieren weten te hanteren om de werkelijkheid te achterhalen. In jullie slotcitaat noemen jullie ze zelf ‘non-alligned intellectuals’…

Voor de rest was het een knappe tekst. Allez, tot vrijdagavond in het Beurskafee.

Herman Asselberghs

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

open brief
Leestijd 9 — 12 minuten

#50

15.06.1995

14.09.1995

Herman Asselberghs

Herman Asselberghs maakt films waarin hij de grenszones bevraagt tussen woord en beeld, media en wereld, cinema en politiek.