An-Marie Lambrechts

Leestijd 3 — 6 minuten

Poging tot beschrijving

Jongerentheater voor en door jongeren. Met die slogan zouden Het Heengaan, Voorjaarsontwaken en Parade als daar is geen ingelijfd kunnen worden bij ander jeugdtheater dat om principiële redenen kinderen of jongeren als acteurs verkiest. Maar het komt mij voor dat deze voorstellingen niets van doen hebben met principiële opstellingen binnen het kinder- en jeugdtheater: draait het niet om een zoektocht naar theater tout court?

Theater tout court. Kan iemand nog zeggen wat dat is ? In de veelheid van meningen, opvattingen, oordelen en veroordelingen die voortdurend gespuid worden, probeer je toch steeds je eigen kijkintuïtie bij te slijpen, aan te scherpen – en ze tegelijk kort bij jezelf te houden. Een proces dat steeds individueler en moeilijker communiceerbaar wordt. En dan zie je die drie voorstellingen. Plots lijkt het of er toch zoiets als een bovenindividueel aanvoelen bestaat van hoe theater ‘juist’ kan zitten. Een verademing die onmiddellijk om reflectie vraagt.

Reflectie die zich op de eerste plaats toespitst op de manier waarop de jonge mensen zich aanwezig stellen op de scène. Een poging tot beschrijving : het gaat om een rustige vanzelfsprekendheid waarmee het publiek aangekeken en bekeken wordt – geen agressief-assertief positie innemen tegenover dat publiek, wei een rustige ontmoeting zoals van twee mensen die van elkaar niets te winnen hebben, alleen van de ontmoeting zelf. De blik in het publiek verstart nooit; er is geen glazen wand, gewoon contact. Met de helderheid van blik komt ook een gemakkelijkheid van bewegen mee. Ondanks de frontale confrontatie met het publiek geraakt de motoriek nooit verstoord: losse schouders, gecrispeerd noch pseudo-nonchalant. Een vaste stap, geen op-eieren-geloop, geen haastig gedecideerde pas die een ongemakkelijke exit of intro moet camoufleren. Hier wordt niks gecamoufleerd. Dat wat gebeurt, lijkt wat het is.

Als die rustig voortbewegende, helder kijkende jongens en meisjes dan woorden in de mond nemen, gebeurt er iets heel vreemds: er ontstaat een ongelooflijk weidse resonantie- en speelruimte voor de woorden, de beelden, de gevoelens die zij – vaak eerder één voor één, dan in samenspel – het publiek aandragen. De wereld die met en vanuit deze mensen ontstaat, komt je als toeschouwer zo helder voor dat het beeld ervan je weken erna nog haarscherp voor ogen staat.

Tegelijk heeft de aanwezigheid van deze jongens en meisjes niets van pre-of postrationele sentimentaliteit die je elders wel al eens tegenkomt . Met een intelligente intuïtie wordt het publiek op zijn eigen gevoeligheid voor problemen als sensualiteit aangesproken. Zo trof mij bij Voorjaarsontwaken het verband tussen identiteit en sensualiteit : op uiterst secure wijze wordt het publiek deelachtig aan de problemen die voortkomen uit een zich ontwarrende (sexuele) identiteit in een nog niet juist in te schatten werkelijkheid. Vooral de totale geabsorbeerdheid in die problematiek, het totale gebrek aan relativering komt bijna gênant treffend over. Even treffend lijkt mij de combinatie van twijfels en een overdosis vertrouwen in de toekomst (“hoe goed ik wel zal worden later”) dat o.m. in Parade als daar is geen naar voor geschoven wordt. Wat verder op diezelfde lijn tref je die andere combinatie in Het Heengaan: de vrouwelijkheid (van sommige meisjes) die al helemaal aanwezig is, maar er tegelijk bijna niet is omdat ze zo argeloos getoond wordt. Deze voorstellingen laden je vol met een voortdurende gedachtenstroom en het zou onzin zijn te denken dat met enkele gedachten als deze meer dan een fractie van het aangeboden materiaal gevat zou zijn. Om een exhaustieve analyse was het mij (nog) niet te doen.

Met deze vanzelfsprekende présence op de scène valt ook het spelritme in zijn plooi: het kan organisch en omzichtig groeien. De specifieke zijnswijze van de spelers in dat specifieke ritme genereert een beklemmende intensiteit in de voorstelling. Is het eerlijk om van hieruit de vraag te stellen of het toch hoog opgedreven ritme dat veel kinder- en jeugdtheatervoorstellingen kenmerkt, wel het enig mogelijke is?

Deze drie voorstellingen hebben ook naar decor en rekwisieten heel wat gemeen: veel meer dan kleren, kleerhangers, banken of stoelen en microfoons is er niet. De functionaliteit van dit decor moet niet direct gezien worden t.a.v. de opbouw van een fictionele wereld, maar eerder t.a.v. het spel zoals zich dat op de scène in opeenvolgende hier-en-nu-momenten aan je voordoet. Zo verwonderde ik mij erover dat het einde van Voorjaarsontwaken toch teruggrijpt naar de afwikkeling zoals Wede-kind ze voorschrijft; hoe moeilijk hanteerbaar de ontluikende erotiek/liefde/sensualiteit is, zowel voor jonge mensen als voor het publiek dat zich daarop durft laten aanspreken, was ook zonder plotafwikkeling duidelijk.

Vele vragen dringen zich op: waarom kom je deze eerlijkheid in spel zo zelden tegen ? Wat voor soort begeleiding i.p.v.(?) regie komt hieraan te pas? Waar doet zich het informatiemoment voor ten aanzien van tekstinhouden die toch duidelijk gehanteerd worden (Wedekind, Handke, Walser…)? Welke plaats binnen het jeugdtheater kunnen deze voorstellingen innemen? Of is het doelpubliek niet per se ‘jeugd’ ? Vooral de aanpak om deze jonge mensen, die naar ik aanneem niet uitzonderlijker zijn dan anderen, naar dergelijk soort van evidentie in hun aanwezigheid op scène te leiden, moet worden uitgezocht.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#26

15.06.1989

14.09.1989

An-Marie Lambrechts

An-Marie Lambrechts is artistiek coördinator van Toneelhuis (Antwerpen). Ze werkte onder andere als dramaturge voor KunstenFESTIVALdesArts en was samen met Marianne Van Kerkhoven en Katie Verstookt redacteur van het boek Dans in Vlaanderen. Onder leiding van professor Ludo Verbeeck en samen met Erwin Jans en Geert Opsomer richtte ze de afdeling Theaterwetenschap aan KU Leuven op.