‘Pleinvrees’ in Groningen © OMSK

Leestijd 4 — 7 minuten

Pleinvrees

Lotte van den Berg/OMSK

Toen de Nederlandse staatssecretaris van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur Halbe Zijlstra vorig jaar zijn draconische besparingsplannen bekendmaakte,was het alle hens aan dek voor de kunstensector. Prompt organiseerde ze een protestmars van Rotterdam naar Den Haag die ze zelfverzekerd de ‘Mars der Beschaving’ doopte. Noch de mars, noch de acties in de nasleep ervan konden het tij echter doen keren. Pogingen om het protest te verbreden door allianties te sluiten met andere publieke sectoren waarop het kabinet Rutte I wilde bezuinigen, zoals het onderwijs en de zorg, mislukten. Bovendien leek een groot deel van de Nederlanders er gewoon de schouders bij op te halen. Ze hadden per slot van rekening massaal voor premier Rutte en zijn gedoogpartner Wilders gestemd. Het gestrande protest zette Lotte van den Berg, die als theatermaker een van de voortrekkers was van de Mars, ertoe aan om haar oorspronkelijke productieplannen voor 2012 opzij te schuiven. In de plaats daarvan maakte ze Pleinvrees, een locatietheater-voorstelling die peilt naar de diepere maatschappelijke malaise waarvan de asociale besparingen in Nederland en het mislukte verzet ertegen slechts symptomen zijn.

Voor de eerste keer in haar tekstloze oeuvre werkte Van den Berg samen met een schrijver. In Rob de Graafs monoloog is een anonieme outcast aan het woord die de knoop van vragen en twijfels in zijn hoofd probeert te ontwarren: waar moet het naartoe met deze hopeloos verdeelde samenleving van ieder-voor-zich? En wat is zijn plek erin? De tekst schuift haast onmerkbaar op van een monologue intérieur in de richting van een toespraak. Er is geen aanwijsbaar punt waarop het hardop tegen zichzelf praten (‘Het ergste zou ’t zijn als iemand mij nu al zou horen’) naar buiten plooit en zich bewust tot de anderen (‘jullie’) richt. In haar enscenering bracht Van den Berg wel een duidelijke breuk aan. Pleinvrees vindt steeds overdag plaats op een plein in een stad, in mijn geval op het De Coninckplein in Antwerpen. Dankzij een vooraf meegekregen telefoonnummer kan je acteur Marien Jongewaard horen praten – of afluisteren – via je mobiele telefoon, terwijl hij onrustig rond wandelt tussen de toeschouwers en de vele passanten. Af en toe verheft hij zijn stem tegen één iemand afzonderlijk, maar wanneer de verbinding tussen de telefoons en zijn microfoon plots wordt afgebroken, richt despreker zich tot het hele publiek, dat zich noodgedwongen rond hem verzamelt in het midden van het plein.

De beeldvorming rond het plein als de publieke ruimte bij uitstek wortelt in de historische figuur van de agora, de centrale marktplaats in de Oud-Griekse polis waar vrije burgers elkaar ontmoetten, handel dreven en politieke beslissingen namen. Filosoof en architectuurtheoreticus Bart Verschaffel trok in een spraakmakend essay voor De Witte Raaf, dat al dateert van september 2004, echter fel van leer tegen wat hij ‘de mythe van de straat’ noemt. Volgens hem heerst op onze straten en pleinen niet ‘de logica van het samenleven of het overleg, maar die van de consumptie’. Je treft er dus geen actieve, bewuste burgers aan maar vooral passieve consumenten die worden voortgedreven door hun eigen individuele verlangens.

Het eerste deel van Pleinvrees, voor de telefoonverbinding wordt verbroken, lijkt dat pejoratieve beeld van het plein als een plek waar een massa individuen elkaar kruist met een minimum aan onderlinge sociale interactie, te bevestigen. Net als de acteur en de occasionele voorbijgangers kunnen de toeschouwers vrij rondlopen over het plein, als aparte private entiteiten, druk communicerend (via de telefoon) maar niet met elkaar.

Anders dan in haar vorige werk in de openbare ruimte installeert Van den Berg hier geen strak theatraal kader dat de theaterruimte en de publieksruimte van elkaar onderscheidt. Het rusteloze traject van de acteur zorgt ervoor dat er niet één enkel standpunt is van waaruit je naar de voorstelling kan kijken en dat het publiek zich bijgevolg niet als één groep op één plek kan verzamelen.

De keuze om in het eerste deel van Pleinvrees geen duidelijke lijst rond het theatergebeuren te trekken en het zo geheimzinnig te laten opgaan in het drukke mensenverkeer op het plein, heeft echter onwenselijke nevenwerkingen. Het zorgt namelijk voor verwarring bij de toevallige passanten, in het bijzonder bij de daklozen en drugsverslaafden die van oudsher op het beruchte De Coninckplein rondhangen. Ongevraagd vervullen zij de rol van toeschouwer en figurant in een spel waarvan ze de regels niet (her)kennen. Feit en fictie botsen op een onhandige manier wanneer Jongewaard, even armtierig gekleed als zij maar met een Hollandse tongval en een microfoon voor de mond, verwijten naar zijn hoofd geslingerd krijgt van een beledigde habitué, maar doorgaat met zijn monoloog alsof er niets aan de hand is. Op zo’n moment getuigt de voorstelling van een wat oppervlakkige, onthechte omgang met de concrete stedelijke context waarin ze plaatsvindt.

Het tweede deel van Pleinvrees gaat in tegen het negatieve beeld dat Verschaffel schetst van het hedendaagse stadsplein. Er wordt een tijdelijke fictie gecreëerd: het plein verschijnt als een plek van stilstand, ontmoeting, spreken en luisteren. Maar wat heeft de man, nu hij zijn pleinvrees overwonnen heeft, eigenlijk te zeggen? Vertwijfeld vraagt hij zich af wat we vandaag nog onder een samenleving kunnen verstaan: ‘Een botsing? Een beheerste aanraking? Of kunnen we elkaar alleen maar passeren, als schepen in de nacht?’ Wanneer hij een antwoord op deze vraag tracht te formuleren, geraakt hij niet verder dan een vage wensdroom rond ‘eenvoud en leegte’ en een ‘aarzelingloze vereniging’ waarin de tegenstellingen en verschillen zouden zijn opgeheven. Deze utopie beelden we als toeschouwers/performers min of meer uit wanneer we van een losse verzameling telefonerende individuen transformeren in een groep. Veel meer dan een vlakke symbolische geste is dat niet, terwijl de werkelijke stad in al haar complexiteit om ons heen raast, vol mensen waarmee ik me ongetwijfeld niet aarzelingloos zou kunnen verenigen…

Moeten we vandaag niet veeleer leren omgaan met die complexiteit? Moeten we vandaag niet op zoek naar manieren waarop cultureel verschillende werelden elkaar beheerst kunnen aanraken en sociopolitiek tegengestelde werelden zichtbaar kunnen botsen? Er is daarom nood aan artistieke praktijken die de stad als concreet onderzoeks- en werkterrein gebruiken, niet als een bewegend decor.

www.omsk.nl

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#131

15.12.2012

14.03.2013

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is lid van de kleine redactie van Etcetera, schrijft over podiumkunsten en beeldende kunst, doceert in het KASK en en werkt als dramaturg en podiumkunstenaar.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!