Marleen Baeten

Leestijd 3 — 6 minuten

Parkbeleid of landschapsbeleid?

Redactioneel

In de loop van de komende maanden beslist minister Martens welke organisaties voor teksttheater en welke nieuwe organisaties voor dans, muziektheater en kunstencentra er zullen worden erkend gedurende de komende vier jaar. Tegelijk beslist hij hoe groot de structurele subsidie-enveloppes zullen zijn van alle voor de periode 1997-2000 erkende organisaties voor teksttheater, dans, muziektheater en kunstencentra.

Het zijn dus spannende tijden voor de meeste podiumkunstenaars en organisatoren. Vier jaar is lang voor wie uit de boot valt of voor wie het met beduidend minder geld moet stellen. En ook de stijgers staan voor een grote uitdaging. De keuzes die men nu maakt hebben evenwel niet alleen consequenties voor de directe toekomst van de betrokken organisaties, maar ook voor de verdere toekomst van het hele veld van de podiumkunsten. Zal de overheid zich beperken tot het onderhoud van een netjes gebetonneerd park of wil ze een landschap de kans geven om zich te ontwikkelen?

In haar lezing over het dansbeleid in Vlaanderen (Flemish Dance Platform, januari 1995) pleitte Myriam Van Imschoot voor een benadering van dans als biotoop, met gradua-liteit, diversiteit en samen-leving als kenmerken (zie Etcetera 49). Haar overwegingen kan je gerust doortrekken naar het hele domein van de kunsten. Een beleid dat alleen kiest voor de succesvolle toplaag, en niet investeert in minder opvallende kunstenaars, ziet zich vroeg of laat geconfronteerd met uitsterving. Een hokjesbeleid maakt elke vorm van bevruchting onmogelijk. Een beleid dat iedereen tevreden wil stellen, laat in feite iedereen van armoede creperen.

Een landschap tot ontwikkeling laten komen heeft dus niet alleen met geld te maken, maar ook met een duidelijk beleid, met voorwaarden en keuzes.

Het essentieel verschil tussen het onderhouden van een strak aangelegd park en het tot ontwikkeling laten komen van een landschap situeert zich op het niveau van de voorwaarden.

Het ‘parkbeleid’ is op de eerste plaats een voorwaardenopleggend beleid. Van de adviesraden wordt verwacht dat ze de organisaties toetsen aan de (al dan niet expliciet gestelde) voorwaarden. Op basis van hun advies, eventueel bijgestuurd door de stem van de vakbonden, kiest de minister welke organisaties mooi genoeg ogen voor een plaatsje in het plantsoen. Men mest wat hier, snoeit wat daar. En de minister is klaar voor vier jaar. Het beleid zorgt voor orde en zekerheid. De overheid heeft vooral een controlerende functie.

Het ‘landschapsbeleid’ is op de eerste plaats een voorwaardenscheppend beleid. De overheid creëert de juiste voorwaarden opdat een landschap zou gedijen. Het doel is ontwikkeling, met als voornaamste aandachtspunten een vruchtbare bodem, variatie in de aanplanting en kansen tot wederzijdse bevruchting. Het beleid zorgt voor ondersteuning en kansen. De overheid heeft vooral een stimulerende functie.

Het huidige decreet biedt heel wat mogelijkheden, maar dreigt onder de hoofding ‘parkbeleid’ te vallen indien er niet een aantal broodnodige aanvullingen of voorafgaande keuzes gemaakt worden, die rekening houden met de globaliteit van het veld.

Zal de overheid – voorafgaand aan de individuele erkenningen – een visie formuleren over de aanwezigheid van grote, middelgrote en kleine organisaties en gezelschappen? Welke financiële ruimte zal ze toekennen aan de diverse kunstvormen én de mengvormen? Zal ze een diversiteit aan artistieke en organisatorische keuzes mogelijk maken? Zal ze kansen op vernieuwing en herbronning honoreren, zoals samenwerkingsvormen, gastkunstenaars, bijscholingen, stages en onderzoeksmomenten? Zal ze moeilijk van de grond komende wisselwerkingen stimuleren, zoals die tussen het volwassenentheater en het kinder-en jeugdtheater, tussen opleiding en praktijk, tussen kunst en sociaal-cultureel of educatief werk?

De genoemde voorbeelden maken duidelijk dat de aandachtspunten m.b.t. variatie in de aanplanting en wederzijdse bevruchtingsmogelijkheden zich situeren op het niveau van de kunstenaars en organisaties. Bijgevolg zullen ze ongetwijfeld meespelen in de nakende subsidietoekenningen, impliciet of expliciet. Wat gemakkelijker over het hoofd zou kunnen gezien worden, is de vruchtbare bodem. Het gegeven dat het beheer van die bodem niet alleen geregeld wordt door het decreet op de podiumkunsten, maakt de uitdaging des te groter.

Werkt de overheid aan een globaal beleid dat de normen voor de aanbodzijde (gezelschappen) en voor de receptieve zijde (kunstencentra, culturele centra en receptieve schouwburgen) op elkaar afstemt? Welke inspanningen levert ze voor een optimale infrastructuur? Maakt ze vormen van inhoudelijke ondersteuning mogelijk, zoals opleiding, onderzoek, dataverwerking, archivering, publicaties en tijdschriften? Neemt minister Martens conrete initiatieven om reflectie en debat over kunst en samenleving te stimuleren of blijft het bij een mooi verwoorde verzuchting op de opiniebladzijde van De Morgen? Wil de overheid effectief werk maken van een cultuurbeleid dat in nauwe relatie staat tot stadsen streekontwikkeling? Enzovoort.

Een dynamisch landschap tot ontwikkeling laten komen gaat samen met een lange termijn-aanpak, wat spijtig genoeg een gemakkelijk voorwendsel is om beslissingen op de lange baan te schuiven. De overheid kan inderdaad niet alles tegelijk aanpakken, maar ze kan er op zijn minst voor zorgen dat de ministeriële besluiten van binnenkort financieel en besluitmatig ruimte laten voor een ‘landschapsbeleid’.

Verder is het niet denkbeeldig dat de meest kwetsbare planten het begeven vooraleer er een regelgeving wordt uitgewerkt en goedgekeurd die op hen van toepassing is. Het is dan ook meer dan zinvol om de waardevolle bedreigde exemplaren op te sporen en te beschermen in afwachting van nieuwe of aanvullende regelgevingen.

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#55

15.04.1996

14.07.1996

Marleen Baeten

Marleen Baeten is lesgever in Open School Leuven en freelancer in de kunstensector.