Wim Van Gansbeke

Leestijd 3 — 6 minuten

Over het universele maatpak, de Vlaamse Golf en confectietheater

Het is tekenend voor deze tijd, dat één van de meest controversiële televisie-uitzendingen van de jongste jaren gewijd was aan zoiets volkomen onbelangrijks als de nieuwe deftigheid en het snobisme, gepaard gaand met het dragen van dure merkkleding. Wekenlang zinderde een bekend Vlaams weekblad na van de verhitte reacties op deze verschijnselreportage, alsof er in de wereld geen belangrijker dingen aan de orde waren.

Want wat is nu helemaal dat dik doen over die dure merkkleding? Tegenwoordig heeft ze zelfs eigennamen, maar onze ouders, van voor 1968 en nog groot geworden met relativeren, noemden het hele zootje gewoon confectie. En sjiek was het ook niet, als je dat droeg. Het was eerlijk gezegd nogal minnetjes. Wij, de snobs van toen, wij gingen nog naar een échte kleermaker, die nog wist wat een persoonlijke ‘coupe’ was en die zijn lintmeter niet alleen in je kruis plantte om de lengte van je broekspijpen af te meten, maar ook om discreet even te tasten of je links of rechts ‘droeg’, want dat kon de snit bepalen. Kom daar maar eens om bij die multipelsnijders van vandaag, die centrumjongens voor wie links en rechts hetzelfde zijn, die middenstanders van de brave deftigheid en de snobistische oppervlakkigheid.

Wij, de snobs van toen, nog niet de smaak versjteerd door goedkope frisdrank en vette hamburgers, glunderden in onze nieuwe pakken, niet uit snobisme dat zondermeer ‘in’ of ‘bij’ wilde zijn, maar ter wille van het eerlijke handwerk en de ondefinieerbaar aantrekkelijke geur van kwaliteitsstof die nog nieuw is. Een geur, even stimulerend als die van versgebakken broodjes op zondagmorgen. O zeker, na enige tijd raakten wij op dat nieuwe pak ook wel uitgekeken – niets verveelt zo snel als er vlot uitzien zonder het te zijn – en dan ging dat nog lang niet versleten pak de kast in voor een jaar of vijf, zes, zeven, waarna het, volgens de ijzeren regel dat de geschiedenis zich herhaalt, opnieuw volkomen en soms opvallend modieus was. Want niets is zo onbetrouwbaar als het collectief geheugen en niets zo universeel als een goed gesneden maatpak.

Het goed gesneden maatpak ademt de persoonlijkheid van zijn maker en zijn drager, is telkens weer een unieke creatie van verbeelding en vakmanschap beiderzijds. De omhooggevallen confectie daarentegen, is een ander soort uniform, waarin de heer Lacoste niet meer van de heer Millet te onderscheiden valt. Het is de collectieve afwezigheid van verbeelding, het misverstand dat de totale en radicale vernieuwing ligt in het even totaal en radicaal afwijzen en ontkennen van een onontkoombaar, want op het lijf zelf getekend basispatroon waarbinnen het telkens strikt individuele van dat lijf heel gelaten wordt.

Iedere kunstvorm, zoals hij zich aan ons voordoet, blijkt voor één procent te drijven op een unieke persoonlijkheidsontwikkeling, een zelfbewuste brede visie, een individueel historisch en vormbewustzijn, een beheerst en uitgepuurd vakmanschap en een complexloze verbeeldingswereld die haar vormgevende en vanzelfsprekende wortels niet vernietigt noch ontkent, maar er ontelbare variaties op weet te spelen, om bij iedere variatie het algemeen bekende, maar slapende, vanuit een dermate onverwachte en daardoor aanvullende hoek te belichten, dat het een bewustzijnsschok, een nieuwe, een andere herkenning teweegbrengt.

Iedere kunstvorm, zoals hij zich aan ons voordoet, blijkt helaas ook voor 99 procent te drijven op imitatie en citaat, op vleugellamme verbeelding en confectiematige uniformiteit, die evenwel haar onmacht poogt te verhullen met maniëristische toevoegingen, die aan het geïmiteerde en geciteerde een aureool van originaliteit zouden moeten geven.

Het vorige en het begin van het huidige theaterseizoen overschouwend, val ik, in het licht van voorgaande, dan ook terug op een oude stelling: binnen een volmaakte stilstand wordt er in Vlaanderen van tijd tot tijd, en vrijwel altijd uit pure balorigheid en onvrede, een hoopgevende productie geboren, die echter nooit een echte golfbeweging doet ontstaan (de term ‘Vlaamse Golf’ is dan ook een sick joke, een volkomen ongeine Belgenmop). Immers, de balorigheid wordt al snel gerecupereerd, de barricadisten van gisteren zijn de generaals van vandaag. Zij moeten verder. En waar een echte ontwikkeling, een reële evolutie, een herbezinning op de bronnen, op de essentie van het goed gesneden maatpak ontbreken, moeten maniëristische trucs de schijn van vernieuwing, van een zogenaamd andere, onverwachte belichting, de schijn van het theater als noodzaak, ophouden.

De grote ontdekking dat noch topzware en dwingende symboliek, noch psychologisch realisme, noch zweverige poëtiek, noch eenlijnige conceptmatigheid het theater uit het slop konden halen, heeft tot nader order niet verder geleid dan tot een realisme van gedragscodes in ietwat uitvergrote vorm, waarbij men echter alras bang wordt voor de daaraan onvermijdelijk gekoppelde eenvoud (die geen synoniem is met eenzijdigheid of eenlijnigheid, maar, integendeel met de totale én beheerste complexiteit) en koortsachtig op zoek gaat naar externe en steeds sterker, verhevigden kunstmatiger ‘manieren’ om de expressie een bedrieglijk ander aanschijn te geven.

Op het ogenblik dat het goed gesneden maatpak – dat door zijn geniale eenvoud de tijd trotseert en de drager bevestigt in zijn individualiteit – weer volop de garderobes verovert, hult het theater zich verder in Lacoste-hemdjes en Millet-jasjes.

De muil van het theater blijft nochtans wijd opengesperd, maar bijt in de eigen staart, terwijl de hagedis zich rustig koestert in de zon. Al eeuwen in hetzelfde maatpak. Maar nog altijd even mooi en levend.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

column
Leestijd 3 — 6 minuten

#84

15.12.2002

14.03.2003

Wim Van Gansbeke